+ Meer informatie

Aanvechtbaar optreden van minister Maij-Weggen als dienaar van de Kroon

Vergoeilijkende woorden premier Lubbers vallen niet goed te plaatsen

5 minuten leestijd

In het RD van 23 februari komt de heer G. A. Vroegindeweij terecht tot de conlusie dat de minister van verkeer en waterstaat, mevrouw J. R. H. Maij-Weggen, in politiek opzicht beneden de maat opereert. Het optreden van deze bewindsvrouw is ook uit staatsrechtelijk oogpunt zeer aanvechtbaar.

Vrij kort na haar benoeming tot minister leverde zij scherpe kritiek op het gevoerde beleid van de minister van justitie in het kabinet- Lubbers II, mr. Korthals Altes. Het is echter zeer ongebruikelijk dat pas aangetreden bewindslieden kritiek leveren op het beleid van kun ambtsvoorgangers. Dit geldt des te sterker wanneer die kritiek wordt geuit op een bewindsman die na zijn aftreden in de Kamer is teruggekeerd. Immers, het is een staatsrechtelijke conventie dat een dergelijk kamerlid zich de eerste tijd onthoudt van het geven van pen oordeel over het functioneren en het beleid van ministers van een opvolgend kabinet. Tegen deze achtergrond past het niet, dat zulke ministers zich dan wel veroorloven kritiek te uiten op het gevoerde bejeid van bewindslieden uit het vorige kabinet. Verder was het optreden van minister Maij-Weggen ten opzichte van de VVD-fractie opvallend provocerend en politiserend. Dit betrof zowel de opmerking van deze minister over de wegzending van minister Smit-Kroes door de Tweede- Kamerfractie van de VVD als haar daarmee samenhangende schermutselingen met mevrouw Jorritsma- Lebbink (VVD). Minister-president Lubbers vergoeilijkte in een uitzending van NOS-Laat van vrijdag 23 februari het ministerieel optreden van deze bewindsvrouwe door te verwijzen naar de Engelse parleinentaire verhoudingen en naar een eerder precedent uit onze parlementaire geschiedenis, namelijk naar het functioneren van de heer M. P. A. van Dam, die als minister in de Kamer evenzeer nogal eens provocerend kon optreden.

Kanttekeningen

Bij het vorenstaande willen we enkele kanttekeningen plaatsen.  We zullen in een minister nog altijd in de eerste plaats een dienaar van de Kroon dienen te zien, en dan geldt de stelregel dat hoe dicher men bij de Kroon staat, hoe minder partijman men is. Dit brengt mee dat zijn gedrag in de relatie tussen regering en Staten-Generaal, namelijk wanneer hij ambtelijk in het parlement optreedt, een waardig karakter behoort te dragen. Wanneer zijn optreden daarmee niet in overeenstemming is, doet dit afbreuk aan de hoogheid van het gezag van de Kroon, waarvan hij deel uitmaakt.




Wanneer bewindspersonen in de Kamer op hun beleid worden aangevallen, komt hun uiteraard het recht toe zich te verdedigen, maar het is hoogst ongebruikelijk in onze constitutionele verhoudingen -en daarmee heeft minister Maij-Weggen te maken— om reeds in eerste termijn, zoals de heer Vroegindeweij terecht stelt, de aanval op de parlementaire oppositie te openen zonder dat daartoe gerede aanleiding bestaat. Het feit dat mevrouw Jorritsma-Lebbink aan de minister een zestigtal vragen heeft gesteld, kan niet als een zodanige reden worden aangemerkt.


Engeland




Wanneer de minister-president verwijst naar de parlementaire verhoudingen in Engeland, zal moeten worden bedacht dat wij sinds de grondwetsherziening van 1917 niet meer de figuur kennen dat een minister tevens kamerlid kan zijn (afgezien van de korte periode dat een minister zijn ambt ter beschikking heeft gesteld en omtrent die beschikbaarstelling nog geen beslissing is genomen), terwijl die cumulatie (dit is het gelijktijdig waarnemen door één persoon van meer dan één ambt of betrekking) voordien zeer spaarzamelijk voorkwam.




In Engeland past die figuur in het aldaar geldende monistisch stelsel. In ons dualistisch staatsbestel ligt dit echter anders. Met dat bestel is niet verenigbaar dat een minister tevens lid is van de volksvertegenwoordiging. In aansluiting hierop tekenen wij nog aan dat het in casu niet gaat om het hanteren van een bepaalde huisstijl, zoals ten onrechte wel wordt beweerd. Gezien het vorenstaande kunnen wij de vergoeilijkende woorden van minister-president Lubbers,ten opzichte van heit afkeurenswaardig optreden van minsiter Maij-Weggen dan ook niet goed plaatsen.




Indien hierin op korte termijn geen wezenlijke verbetering komt, lijkt ons het beste dat deze minister zo snel mogelijk wordt vervangen. Dit behoeft nog niet tot een kabinetscrisis te leiden, maar hoogstens tot een ministerscrisis. In dit verband merken wij nog op dat de Koning grondwettelijk bevoegd is een minister te ontslaan (volgens artikel 43 van de grondwet worden ministers bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen) cue niet langer zijn welgevallen (= vertrouwen) geniet, ook al zijn de woorden „naar welgevallen" bij de grondwetsherziening van 1983 uit onze constitutie geschrapt.




In diskrediet
Wij kunnen ons niet voorstellen dat een minister het vertrouwen van de Koning kan blijven genieten —en dit vertrouwen dient een minister evenzeer te hebben als het vertrouwen van de beide Kamers der Staten-Generaal- die door zijn wijze van optreden in de volksvertegenwoordiging de hoogheid van het gezag van de Kroon in diskrediet brengt, waarvan hij als lid van de ministerraad deel uitmaakt. Immers, de Koning met de ministers vormen tezamen de ondeelbare Kroon.




Weliswaar heeft de onschendbare Koning voor het verlenen van ontslag aan een minister der Kroon de medewerking nodig van een andere minister, in casu de minister-president, die het ontslagbesluit dient te contrasigneren (= mede-ondertekenen), maar waar het hier betreft het functioneren van een minister der Kroon die door zijn optreden in het parlement aan de hoogheid van het gezag van de regering (= Koning en ministers) op ontoelaatbare wijze afbreuk doet, dient bij het eventueel nemen van de beslissing over het al dan niet handhaven van zo'n minister het zwaartepunt ontegenzeggelijk bij de Koning als hoofd van de regering te liggen.

Drs. Kalberg studeerde staats- en administratief recht aan de Rijksuniversiteit Leiden en is thans werkzaam bij de dienst verkeer en vervoer van de provincie Zuid-Holland.


o p i n
ien van. , ccn gunshgc rr




Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.