+ Meer informatie

AMBTSDRAGER WORDEN: NIET OF WEL? (1)

13 minuten leestijd

Situatieschets

In de meeste gemeenten zien de kerkeraden op tegen het moment dat op de agenda van de raad weer het punt “vacatures kerkeraad” prijkt. De vervanging van aftredende breeders is een inspannende en verantwoordelijke bezigheid en dat wel in verschillende opzichten: qua tijd, omdat er veel énergie van kerkeraadswege in gestopt wordt, maar ook geestelijk, omdat men zich een oordeel tracht te vormen over de vraag wie wel en wie niet in het ambt van ouderling of diaken zou kunnen dienen. Het is hopelijk niet meer zoals in 1981, toen ds. K.J. Velema signaleerde dat de vergaderingen waarin de fallen gesteld moeten worden, zich niet zelden uitstrekken tot de nachtelijke uren (Ambtelijk Contact 1981, blz. 680). De kans op fouten is in dat geval groter dan de kans op slagen. Maar wie de kerkelijke pers bijhoudt, merkt dat de moeiten om de vacatures te vervullen steeds groter worden.

Soms wordt overgegaan tot enkelvoudige kandidaatstelling, en niet alleen bij de vervulling van bijzondere opdrachten zoals het scribaat of iets dergelijks. Soms worden er weliswaar meer kandidaten gesteld dan er vacatures zijn, maar komt men toch niet tot een dubbel getal. In het laatste geval moet in het règlement voor de verkiezing wel helder gemaakt worden wanneer iemand de meerderheid heeft. Indien men eenvoudig blijft bij “meer dan de helft”, kan het merkwaardige geval zich voordoen dat iedereen verkozen is. Het eenvoudigste is het om het aldus te stellen: wanneer er een x-aantal vacatures is en de kerkeraad stelt een y-aantal kandidaten, dan is men verkozen wanneer men meer dan een x/y-gedeelte van de stemmen heeft verkregen (bij drie vacatures en vijf kandidaten ligt de meerderheid dus bij 60%, om een voorbeeld te noemen).

Soms maken kerkeraden van de uitzondering in art. 27 van onze Kerkorde een regel om uit de problemen te geraken. Art. 27 K.O. schrijft voor dat vervanging na een aantal jaren ambtsvervulling regel in de kerken dient te zijn, tenzij “de toestand en het belang van een kerk(…) een herverkiezing raadzaam maken”. Het laatste (een herverkiezing) dient dus altijd te gebeuren! Er zijn kerkeraden die, omdat men niet tot vervanging kan komen (naar men toch mag aannemen), vele jaren achtereen dezelfde breeders in hun midden hebben, en dat niet alleen in kleine, maar ook in (zeer) grote gemeenten.

En dan dénkt de kerkeraad eruit te zijn…

Hoe het ook zij, op een gegeven moment zijn de verkiezingen voor ambtsdragers door de gemeente achter de rug en de kerkeraad komt tot benoeming van de gekozenen. Hij denkt “eruit te zijn”, maar helaas… niet alle benoemde breeders menen hun benoeming te kunnen aanvaarden. Op welke gronden kan dat zijn en welke gronden zijn voor de kerkeraad aanvaardbaar? Om deze vragen gaat het in dit artikel. Vergissen we ons als we stellen dat het niet opvolgen van een benoeming vaker voorkomt dan vroeger? En als dat zo is (en de praktijk laat dat zien), op welke wijze kan daar dan verandering in gebracht worden? Zijn het altijd wel zulke geestelijke motieven die gekozen en (mitsdien) benoemde breeders ertoe brengt om een ontheffing te verzoeken?

Hoe liggen de dingen principieel?

Allereerst is van belang om helder voor ogen te krijgen wat er feitelijk gebeurt wanneer iemand benoemd wordt tot ambtsdrager binnen de gemeente waar hij lid is. Het bevestigingsformulier spreekt daar heel duidelijk over: De te bevestigen broeder wordt gevraagd of hij er in zijn hart van overtuigd is dat God zelf hem door Zijn gemeente tot deze heilige dienst heeft geroepen. Het oude formulier sprak nog strikter: “wettig van Gods gemeente, en mitsdien van God zelf (…) beroepen…”, maar de bedoeling is hetzelfde: de Here God roept zelf mensen in Zijn dienst, ook in het bijzondere ambt, en bedient zich daartoe van Zijn gemeente. De grondslagen van dit principe komen o.a. naar voren in Hand. 1:16-26 als het gaat om vervulling van de “vacature-Judas”. Het spreekt dan ook vanzelf (of het zou in ieder geval vanzelf moeten spreken) dat men met een benoeming in het ambt van ouderling of diaken niet omgaat als met allerlei funeties die men in de vrije tijd bekleedt: het ambt staat op een ander, hoger niveau dan het bestuurslidmaatschap van een vereniging of iets dergelijks. Het laatste kan men al of niet aanvaarden: voor het eerste kan men al of niet ontheffing vragen. En wanneer een kerkeraad merkt dat dit besef in de gemeente aan slijtage onderhevig is, doet hij er goed aan daar via de prediking aandacht aan te schenken. Allerlei wereldse gedachten bedreigen de gemeente en haar leden, niet het minst ook in dit opzicht.

Concreet naar de benoemde broeder toe

Dit betekent dat wanneer een broeder meent zijn benoeming niet te kunnen opvolgen, dat hij dan aan de kerkeraad de redenen die hem tot dat standpunt gebracht hebben, ter kennis brengt en dat de kerkeraad die redenen zal beoordelen. Strikt doorgeredeneerd betekent dat ook dat een kerkeraad het recht heeft een aanvraag om ontheffing te weigeren. Hoogst zelden komt het voor dat de dingen zo ver gaan. Uit de tijd van de Reformatie is bekend dat toen soms zeer vergaande maatregelen werden genomen tegen “weigerachtige” broeders, tot zelfs ontzegging van het avondmaal toe. Ik vermeld dat als illustratie van wat ik onder het vorige kopje schreef: het gaat om een hoge roeping van Godswege, waar men niet lichtvaardig mee om kan springen!

Maar wat kunnen nu wettige redenen zijn om te komen tot ontheffing?

Geschiktheid

Soms meent iemand echt niet “geschikt” te zijn voor het ambt waarin hij benoemd is. Niet al te snel mag een dergelijk bezwaar worden aangedragen. Bekend uit de Schrift is het voorbeeld van Mozes, die op het moment dat hij zelf dacht klaar te zijn voor het grote werk, door de Here God werd tegengehouden, en op het moment dat God hem daadwerkelijk riep, met allerlei bezwaren kwam die door zijn Zender niet als wettig erkend werden (Ex. 2 en 3). Maar anderzijds weet iedereen uit de praktijk wel de voorbeelden van een broeder die met veel moeite zijn ambtstermijn volbrengt, waarvan hij, en met hem de kerkeraad, zegt: de last was te groot. Of van iemand die wel een heel goede diaken is door de gaven die hem daartoe door de Here God geschonken zijn, maar die op grond van diezelfde gaven geen goede ouderling zal zijn. Het is aan de betrokken broeder om deze dingen te overwegen en ze vooral voor Gods aangezicht te overwegen. Dat geldt overigens voor alle redenen van ontheffing: kan ik ze voor Gods aangezicht onder gebed én dankzegging verantwoorden? Het zou ook wel eens de “testcase” kunnen zijn voor de vraag of de argumenten al of niet doorslaggevend mogen zijn: kan ik er rust en vrede bij vinden?

Er wordt overigens heden ten dage heel veel gedaan aan toerusting van ambtsdragers, en dat mag men zien als een van de manieren waarop de Here God bekwaam wil maken; Hij bedient zich ook daarin van onze menselijke mogelijkheden.

Gezinssituaties

Wanneer een benoemde broeder een gezin heeft (ik deel de mening van hen die zeggen dat daarvan reeds sprake is bij het getrouwd zijn zonder meer), kan de vraag speien of de tijd die gevraagd wordt bij het ouderlingof diakenschap, niet een te grote Wissel trekt op het gezinsleven. Ook hier geldt weer: niet al te snel zal men dat zeggen; het gaat om een heilige roeping waarvoor ook de andere gezinsleden van tijd tot tijd offers mogen brengen (trouwens daarom alleen al moeten kerkeraden tot het uiterste trachten verlenging van ambtstermijnen te voorkomen). Maar er zijn situaties denkbaar dat de betrokken broeder veel “vrije tijd in het gezin moet investeren”. Ik noem enkele voorbeelden: de gezondheidssituatie van zijn vrouw; het feit dat eventuele kinderen in een fase verkeren dat ze meer dan normale aandacht nodig hebben; grote spanningen die vanwege deze dingen in het gezin optreden. Soms is het - inderdaad voor Gods aangezicht - echt niet verantwoord om daarbij een aantal avonden per week de wijk in te moeten trekken of naar het kerkgebouw te moeten voor een kerkeraadsvergadering.

Heel teer ligt het volgende voorbeeld: het komt voor dat broeders menen hun ambt niet te kunnen waarnemen omdat hun kinderen een levensroute hebben ingeslagen, die tegengesteld is aan het geestelijke spoor dat hun ouders hebben gewezen. Ze letten op 1 Tim. 3:4 en 5, waar gesproken wordt over de opziener die “met alle waardigheid zijn kinderen onder tucht houdt” en die anders niet voor de gemeente Gods kan zorgen… Ik meen dat op grond van dit gedeelte uit de Schrift niemand ambtsdrager kan zijn die, zolang de kinderen thuis en onder het gezag van de ouders zijn, die kinderen niet de baas kan. Tegelijk meen ik dat niemand aansprakelijk kan worden gesteld voor het feit dat kinderen, wanneer ze ouder worden (en dat is tegenwoordig aanzienlijk eerder dan 30 jaar geleden) andere wegen kiezen dan waarom gebeden wordt. Zo komt het voor dat ook ambtsdragers moeten merken dat hun kinderen vanaf soms al een jaar of 16 wegen inslaan waar ze hen niet van terug kunnen brengen. Van belang is dan de vraag of wij hen in verantwoordelijkheid hebben opgevoed; hun eigen keuze is dan vervolgens, wanneer die vraag - met alle lek en gebrek - positief kan worden beantwoord, hun eigen verantwoordelijkheid. We spreken hier over heel pijnlijke dingen. En het zijn echt niet alleen ouderlingen en diakenen die ermee te maken krijgen; ook predikanten moeten soms merken dat “genade geen erfgoed is”; toch is dat in de regel geen reden om naar art. 11 van de Kerkorde ontheffing uit het ambt van predikant “om gewichtige oorzaken” te vragen. Onthullend uit de Heilige Schrift zijn de woorden van de ambtsdrager Samuël, die in 1 Sam. 12:2 tegen de gemeente zegt: “zie, mijn zonen zijn bij u; van mijn jeugd af tot op deze dag ben ik u voorgegaan”. En van die zonen viel geestelijk helaas niet zoveel goeds te zeggen (1 Sam. 8:3). Toch was dat geen reden om Samuël niet als profeet te aanvaarden; wel waren er problemen inzake zijn opvolging (8:5).

Een wettige ontheffing wegens een onwettige zaak

Lang heb ik geaarzeld of ik het volgende naar voren zou brengen. De praktijk zoals die in het kerkelijk leven aan de orde is, dwingt mij er toch toe.

Een enkele keer komt het voor dat ambtsdragers zich in hun persoonlijk en huiselijk leven heel anders gedragen dan op grond van hun ambt verwacht mag worden. Ik doel op situaties van geestelijke en seksuele/lichamelijke mishandeling van kinderen; van tirannie over de echtgenote; van het buitensporig genieten van “wijntje en trijntje” buiten de door de Here God gegeven kaders om; van zelfs het leiden van een dubbel leven. En dat alles totdat een en ander op een gegeven moment aan het licht komt. Laat niemand denken dat dit onder ons toch nog wel zou meevallen; de praktijk heeft me - helaas - anders geleerd en anders moet men maar eens letten op wat hulpverleners van GLIAGG/de Poort en aanverwante hulpverleningsorganisaties in het algemeen (uiteraard) op tafel leggen. Wanneer iemand benoemd is als kerkeraadslid en in het verborgen een leven leidt dat strijdig is met Gods gebod en dus ook het ambt bezoedelt, dan kán hij dat ambt niet aanvaarden. Ik moet dat wel zo duidelijk schrijven omdat betrokkenen soms denken dat het ambt hen daar misschien overheen helpt (als bescherming biedende huis of iets dergelijks); of men bedriegt zichzelf doordat men het ambt ziet als een stuk erkenning door de gemeente, terwijl men door wat voor complex dan ook in de ontstane situatie terecht is gekomen. Heus, zo werkt de Here God niet en zo werken die dingen dus ook niet.

De schade die optreedt binnen de gemeente wanneer dergelijke dingen openbaar worden, is niet te overzien; jongeren die hun wijkouderling vertrouwd hebben en in hem iets zien van Gods aandacht voor hen, kunnen enorm geschokt zijn - om maar één ding te noemen.

Het spreekt voor zichzelf dat dergelijke redenen voor ontheffing vragen niet aan de volle kerkeraad kunnen worden voorgelegd. Het zou al heel mooi zijn als de broeder (die in feite in zonde leeft) zijn geheim met zijn pastoor deelt; de Heilige Geest zou het kunnen gebruiken tot het begin van een weg van bekering en verootmoediging. De betrokken predikant moet dan de kerkeraad meedelen dat ontheffing gevraagd wordt om redenen die hem alleen bekend zijn en de kerkeraad zal het ambtsgeheim van zijn predikant ten overstaan van de kring van de broeders accepteren. En vervolgens natuurlijk aan het werk met het probleem!

Ontheffing vragen wegens werkomstandigheden

We Keren terug tot iets wat vaker aan de orde is dan het voorafgaande, namelijk dat iemand om ontheffing vraagt wegens bepaalde omstandigheden in het werk dat hij doet. Vergis ik mij niet, dan komt dat vaker voor dan vroeger wel het geval is geweest. Daar zijn verschillende oorzaken voor.

Allereerst de toename van onregelmatige werktijden, tot zelfs in de nachten en in de “weekends” toe. Dat maakt het sommige leden van de gemeente onmogelijk om daarbij met enige regelmaat de vergaderingen van de kerkeraad bij te wonen en het wijkwerk op verantwoorde wijze ter hand te nemen,

Vervolgens hebben we in onze maatschappij te maken met het feit dat mensen steeds vaker te maken krijgen met wisseling van functies die omscholing en/of bijscholing noodzakelijk maken. Kostbare avonden moeten besteed worden om cursussen te volgen; anders staat de werkgelegenheid en daarmee de financiële situatie van de werknemer op het spei. En dit speelt in vrijwel alle leeftijdsgroepen.

Het is legitiem wanneer deze dingen een plaats krijgen in de afweging of ontheffing gevraagd moet worden of niet. Voor jongeren bijvoorbeeld die als ambtsdrager worden gekozen kan een te volgen cursus van groot belang zijn in verband met hun toekomstperspectief op de arbeidsmarkt. En is het niet bijbels daarmee te rekenen (2 Thess. 3:10)? Tegelijk dient de betrokkene zich in zijn afweging af te vragen in hoeverre hem dit ook wel goed uitkomt, omdat het in feite andere, minder edele redenen moet verdoezelen. Ook kan men zich op deze dingen niet blijven beroepen. Dat past dan weer bij het hoge geestelijke niveau dat in de afweging van ons gevraagd mag worden.

Verder is het denkbaar dat de deelname aan het arbeidsproces zo veel énergie vergt van de betrokken broeder, dat de deelname aan kerkeraadswerk een te grote Wissel zou trekken op zijn gezondheid. Dat daarbij ook nog eens gelet dient te worden op de effecten van de andere gezinsleden is vanzelfsprekend. Dan kan het zijn dat men tot de conclusie moet komen dat het offer dat in normale omstandigheden gevraagd mag worden, in concrete situaties de geestelijke en mentale spankracht te boven gaat. Voor Gods aangezicht zal dat dan ook duidelijk worden.

Wat kan de kerkeraad doen?

In dit artikel is speciaal de verkozen en benoemde kandidaat-ouderling of -diaken in beeld geweest. De vraag rijst op welke wijze de kerkeraad met deze factoren in zijn procedure rekenen kan houden. Daarover wil ik graag in een volgend artikel met u nadenken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.