+ Meer informatie

Leer en Leven

7 minuten leestijd

(22.)

I. Het Woord Gods (u.)

Er zijn dus, zoals gezegd, vier grondvormen in de Heilige Schrift. Twee daarvan hebben we reeds besproken. we overdachten, wat het verhaal, en de onderwijzing in Gods Woord betekenen en ons te zeggen hebben. Daarbij kwam uit, dat in het verhaal de werken Gods en in de onderwijzing de w i 1 Gods bijzonder op de voorgrond treden.

Nu zijn we dan toegekomen aan de behandeling de derde en vierde grondvorm. van

Allereerst dan de derde grondvorm in de Heilige Schrift, dat isr de profetie.

Ook deze grondvorm draagt weer een heel bijzonder karakter. Immers, zodra de Heere Zijn profetiën laat horen, gaat Hij iets van Zijn heilig Raadsplan ontvou^ wen en ontraadselen. Zo treden dus in de profetie de besluiten Gods aan de dag. De raad Gods wordt in de profetie aan het volk medegedeeld en tegelijkertijd verneemt het, welke da d e n de Heere bezig is te verrichten. In de profetie is dan ook bij Geesteslicht verband te zien tussen Gods eeuwige Raad en Zijn heilige Daad. Al wat er met 's Heeren volk gebeurt, geschiedt, OMDAT de Heere het aldus in Zijn aanbiddelijke Raad besloten heeft. Dat is de grondtoon van de profetie. Heerlijke gedachte voor het volk des Heeren, dat ook door de profetie wordt opgewekt om af te zien van alle omstandigheden, ja zelfs van mensen, om het oog naar boven te richten tot Hem, die al de draden van het wereldgebeuren en wel bijzonder van het leven van zijn kinderen in Zijn hand houdt. Er ligt in de profetie een onuitsprekelijke troost voor allen, die het alleen maar van de Heere verwachten. „Want bergen zullen wijken, en heuvelen wankelen; maar Mijne goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de HEERE, uw Ontfermer." (Jes. 54 : 10.)

De profetie leert ons, dat er geen noodlot en geen fortuin en geen onbestuurde wisselvalligheden zijn, maar dat alles plaats grijpt naar Gods eeuwige Raad, Wil en Welbehagen. En dat maakt het volk des Heeren gelovig vertrouwend, wetend, dat niets bij geval, maar alles van Zijn Vaderlijke hand hun toekomt.

Het voornaamste deel in de profetie is wel de voorspelling. In de voorspelling wordt de toekomst onthuld, waarvan niemand iets zou kunnen weten, als de Heere die niet had laten voorzeggen.

Bg de voorspellingen dienen we er echter wel op te letten, dat de profeten dikwijls in één adem dingen voorspeld hebben, waarvan later toch bleek, dat ze eeuwen uit elkander liggen. Zo voorspelt bijv. de profeet Joël, dat de Heere Zijn Heilige Geest zal uitstorten over alle vlees; maar tegelijkertijd zegt hij er bij, dat de zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed. Het eerste ziet op de Pinksterdag; het laatste op de Oordeelsdag. Daar liggen dus vele eeuwen tussen. Zo oppervlakkig bezien gelijkt het of Joël over dezelfde dag spreekt; maar dat is nu juist het eigenaardige van de profetie, dat het in één greep vele eeuwen tezamen omvat, omdat er voor de menselijke waarneming wel een grote tussenruimte is, maar in het oog des Heeren die twee gebeurtensisen in het allernauwste verband staan. Bij alle profetie hebben we er dus mede te rekenen, dat ze een vergezicht in de toekomst biedt, van gebeurtenissen, die soms eeuwen uit elkander liggen, maar in het Goddelijk Raadsplan tezamen één harmonisch geheel vormen.

De vierde grondvorm is het lied.

Het voornaamste lied, dat de Bijbel ons geeft, is de Psalm. Behalve dit treffen we in het boek van Job, de Spreuken, de Prediker, het Hooglied en de Klaagliederen nog zeer veel gedeelten aan, die in dichtvorm beschreven zijn. Ja zelfs zijn in de historische en profetische boeken gedeelten aan te wijzen, die eveneens liederen zijn. Het meest bekend, het meest gebruikt, het meest bijzonder zijn toch de liederen Sions; de Psalmen Davids; de lofzangen Israëls.

Iets geheel eigenaardigs komt in het lied tot uiting. Niet zozeer de werken, de wil of de besluiten Gods treden hierin naar voren, al blijven die niet geheel verborgen, maar het zijn voornamelijk de bevindingen der heilige h, die hier aan het woord komen. De Psalmen geven een vertolking van het eigen zieleleve'n van de dichters.

Dat zieleleven van de dichters wordt in de Psalmen vertolkt op allerlei wijze en in allerlei toestand. Men vindt in de Psalmen klachten zowel als jubeltonen. Het zijn liederen uit de diepte en van de berghoogte. Ze geven een blik in de twijfel en in de zekerheid van het kind van God. Ze laten zien het licht en het donker, dat in de harten van Gods volk woont. Ze bezingen het lijden en de vreugde. De benauwdheid en de uitredding. Ze zingen van vertrouwen en van vrees. Ze

laten een kreet van smart horen, maar ook van vreugde en blijdschap. uitroepen

Er is geen toestand en geen bevinding bij Gods kinderen bekend, of ze worden in de Psalmen genoemd. In het algemeen geldt van heel de Psalmenbundel, wat van de 119de Psalm in het bijzonder te zeggen is nl. dat het de geestelijke apotheek is, waarin voor alle geestelijke kwalen een geneesmiddel te vinden is.

- Daarom gaat er ook niets boven de Psalmen. O, zeker, er zijn wel liederen, gedicht door Godvruchtige zangers, zoals Lodensteyn, Luyken, Groenewegen en anderen, die het hart verkwikken, maar de Psalmen bezitten een innige toon, een diepe ondergrond, een gloed des Geestes, die men tevergeefs zoekt bij de dichters buiten de Heilige Schrift. Waar wordt er een liederenbundel gevonden, als de Psalmenbundel, die zó het recht Gods bezingt en die zo nauwe aansluiting heeft aan het zieleleven van de ware Christen?

Toch geven de Psalmen méér dan de zielservaring van Gods kinderen. De dichters waren door de Geest van God geïnspireerd en daarom zingen ze niet slechts van zichzelf, niaar over zichzelf heen bezongen ze Israëls lijden en vreugde; en over Israël heen zongen ze van het lijden, het sterven, de opstanding en de verheerlijking van de Messias.

Zoals de profeten vaak in één greep verschillende gebeurtenissen noemden en voorspelden, zo bezingt het lied in de Heilige Schrift in één toon, in één Psalm de ervaring van de dichter-zelf; de ervaring van het volk Israël en de ervaring van de Messias Gods. Uit dat oogpunt bezien, zijn alle Psalmen Messiaans. En wie met zulk een blik de Psalmen leest, zal er veel in opgehelderd vinden, dat anders duister lijkt.

Als bijv. David in Psalm 42 zingt: „Al Uw baren en Uw golven zijn over mij heengegaan", ja dan zingt David wel van zgn eigen zielsbenauwdheid, maar de diepste betekenis van dit woord geldt toch van de Christus der Schriften. Hij, Hij alleen heeft al de baren en al de golven van Gods toorn opgevangen en wat David wedervoer, was toch maar een enkel spatje en druppeltje, vergeleken bij de zee van Gods gramschap, die de Middelaar moest doorwaden. En zo is het met alle Psalmen.

Zalig hij, die de bevindingen van de Psalmdichters aan eigen hart verstaat. Maar meest zalig is hij, die de Zone Gods, die in en uit en door de Psalmen spreekt en zingt, zijn eigen, persoonlijke Redder en Zaligmaker noemen mag. Wie dat mag doen, zingt zelf weer een nieuw lied tot grootmaking van Gods naam.

Prijst den Heer met blijde galmen; Gij, mijn ziel, hebt rijke stof; 'k Zal, zolang ik leef, mijn psalmen Vrolijk wijden aan Zijn lof; 'k Zal, zolang ik 't licht geniet, Hem verhogen in mijn lied.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.