+ Meer informatie

Één keer ter kerke - en toch kandidaat voor een ambt?

6 minuten leestijd

Niet voor ieder een vraag

Op de redactievergadering kwam de wenselijkheid naar voren om deze vraag in ons blad, dat speciaal (hoewel niet enkel) voor ambtsdragers is bestemd, te bespreken. Uit informatie van verschillende kanten is mij gebleken dat het antwoord voor de ene kerkeraad geen enkel probleem oplevert - men zegt duidelijk en kortweg: neen. In andere gemeenten blijkt men er moeite mee te hebben om een voor het ambt geschikte broeder te passeren, omdat hij slechts één keer op een zondag ter kerke komt. Of er veel kerkeraden zijn, die er zo tegenover staan, weet ik niet. Wel weet ik dat hier en daar bij sommigen de gedachte leeft, dat men in elk geval om deze reden een broeder niet hoeft te passeren.

De bedoeling van dit artikel is, wat over de vraag in de titel met de lezer na te denken. Hij trekke zelf de conclusie.

Bezig met de voorbereiding van dit artikel kwam mij in herinnering het prachtige artikel van drs. J.C.L. Starreveld, „De middagdienst” (Ambtelijk Contact, okt. 1987, blz. 104-109). Ik kom er nog op terug.

Als er kerkeraden zijn die moeilijkheden hebben om de vacatures voor ouderlingen en/ of diakenen vervuld te krijgen, kan de vraag opkomen, of men ook broeders die eenmaal ter kerke komen, zal kandideren. Het motief kan dan zijn: beter een goede ouderling die eenmaal per zondag komt, dan helemaal geen ouderling, als gevolg waarvan de gemeente niet voldoende bearbeid wordt. Kern van het probleem is, lijkt mij, wat beter is. Dan stelt men zich immers tevreden met een praktische om niet te zeggen pragmatische oplossing. Wie deze weg opgaat, zal steeds meer moeten inleveren van wat hij eigenlijk een vereiste vindt voor een ambtsdrager. Het ene heeft de broeder niet, maar het andere in dubbele mate. Dan is het tekort weer gecompenseerd.

Of is het geen tekort om één maal per zondag naar de kerk te gaan? Daar ligt, lijkt mij, de kern van het vraagstuk.

„Waarom zou ik naar de kerk gaan?” Professor Van Ruler heeft een prachtig boekje geschreven „Waarom zou ik naar de kerk gaan?” Hij geeft niet minder dan eenentwintig antwoorden. Ik zal ze niet alle noemen. Voorzover ik me herinner, is dit boekje wel eens in een artikel ter sprake gebracht. Slechts een greep: „Om de arbeid van de lofprijzing te volbrengen”; „Om het heil te ontvangen”; „Om tot het licht te komen”; „Om mijn bijdrage aan de gemeente te leveren”; „Om (eventueel) een ambt te dragen”; „Om de zin van de zondag te verwerkelijken”; „Om weer op toonhoogte te komen”.

Wie alleen deze redenen bekijkt moet zeggen: voor dat alles zijn per zondag twee diensten meer geschikt dan één dienst. De kerkgang is een zaak van traditie, en van meer dan dat. Wij leren het door overlevering, maar het gaat terug op de Schrift, in zoverre daar duidelijk gesproken wordt over „het volharden bij het onderwijs der apostelen en de gemeenschap, bij het breken van het brood en de gebeden” (Hand. 2:42), over „het op elkaar acht geven om elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken”. Direct daarop volgt: „Wij moeten onze eigen bijeenkomst niet verzuimen, zoals sommigen dat gewoon zijn, maar elkaar aansporen, en dat des te meer, naarmate gij de dag ziet naderen” (Hebr. 10: 24 v.). Paulus kwam op de sabbat met de joden samen te Antiochië (Hand. 13 :14, 42, 44, vgl. 15:21).

De zondagsviering is van ouds ondenkbaar zonder de samenkomst van de gemeente. Waarom je dan tot één keer beperken, als de kerkeraad de gemeente tweemaal bijeenroept? De door Van Ruler opgesomde redenen zijn zo dringend, dat twee diensten per zondag geen luxe zijn, wil men met de gegeven antwoorden ernst maken.

Wat moet een ambtsdrager, die zelf maar één keer per zondag ter kerke komt, zeggen, als hij in gezinnen komt, waar men diezelfde gewoonte volgt? Hij kan er geen bezwaar tegen maken. Wat moet hij zeggen, als men eens per veertien dagen in de kerk komt? Natuurlijk kan hij zeggen: Je moet minstens een keer per week komen. Hetgemeente-lid of gezin kan tegenwerpen: dat moge waar zijn, maar u zelf verzuimt toch ook regelmatig diensten die door de kerkeraad belegd worden. Waarom is het ene verzuim minder erg dan het andere?

Is de gemeente met half dienstwerk gediend?

Er is nog een andere overweging: waarom stelt een lid van de gemeente zich met één dienst tevreden, terwijl er tweemaal op een zondag gelegenheid is om de Here te zoeken, Zijn lof te zingen, om Zijn woord te horen? Gebrek aan belangstelling en toewijding? Geen lust of kracht om twee keer per zondag een preek te verwerken? Geen behoefte om te bidden en samen met de gemeente God te prijzen? Wat ook de reden of oorzaak moge zijn in zoverre het geen wettige verhindering is, wijst het op een betoning van geestelijke matheid en zelfs van gemakkelijkheid, om niet te zeggen: gemakzucht, dat het de vraag is of zulk een broeder een voorbeeld voor de kudde kan zijn, en of hij die warme genegenheid tot de dienst des Heren heeft, die nodig is om anderen de woorden en daden des HEREN aan te prijzen.

Is een gemeente gediend met het werk van broeders, die tonen niet volop aan het werk van de gemeente deel te nemen?

Ik weet dat er ook ambtsdragers zijn die in de zomer de zondag buiten eigen woonplaats doorbrengen; dat er ook ambtsdragers zijn die soms een tweede dienst - om welke reden dan ook - buiten eigen gemeente bezoeken, in dit laatste geval bezoekt men tenminste de tweede dienst (mogen we aannemen). Toch kan, als dit veelvuldig voorkomt, dat ook een nadelige uitwerking op de gemeente hebben. Hoe dan ook, men behoort niet tot degenen die eenmaal genoeg vinden. Het komt mij voor, dat hij die zich bij die groep voegt, in beginsel de tweede dienst ondermijnt. Een kerkeraad moet wel weten wat hij doet als hij zo’n broeder zou kandideren. Hoe kan zulk een kerkeraad van wie dan ook, nog vragen twee keer per zondag in de kerk te komen?

Ik eindig met een passage uit het artikel van drs. Starreveld: „Ons past diepe afhankelijkheid en uitzien naar de werking van de Geest van God, die de harten van de mensen ombuigt en verlangen geeft naar de klare verkondiging van de leer des heils en verlangen geeft naar de ontmoeting en de gemeenschap der heiligen. Echte bewogenheid met de redding van eigen ziel en het verkrijgen van de zaligheid in Christus. Dat motief moge ontstaan en gewekt worden door de getrouwe prediking.

Kerkgang is vrucht van levend geloof. Die ontdekking is niet vanzelfsprekend. Teerheid en incasseringsvermogen zijn nodig om de mensen geestelijk leiding te geven, die met allerlei smoezen de bijwoning van de eredienst ontduiken.” (blz. 138). Wie kan geestelijk leiding geven, als hij zelf tot de aan het slot door de schrijver bedoelde categorie van gemeenteleden behoort?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.