+ Meer informatie

Verbondsmatig preken in de 21e eeuw

10 minuten leestijd

Als we denken vanuit ons ‘ik’ dan lijkt een manier van preken waarin het éérst gaat over ‘Hij’, vervolgens eerst over ‘wij’ en daarna pas over de enkeling wel een eind van onze leefwereld af te staan. Toch zou een verbondsmatige prediking juist dan wel eens heel bevrijdend kunnen zijn en ons kunnen verlossen van een te hoog ‘ikgehalte’ van preken.

Misschien is het handig eerst het bijvoeglijk naamwoord ‘verbondsmatig’ even te ontleden. Wat bedoelen we daarmee? In ieder geval niet dat het woord ‘verbond’ talloze keren genoemd wordt of dat iedere preek een uiteenzetting is van de leer van het genadeverbond. Als we iets regelmatig doen, dan wil dat zeggen dat we het op grond van een regel doen of op de manier van een regel doen. Die twee manieren waarop we het achtervoegsel ‘matig’ gebruiken zijn ook van toepassing op het woord verbondsmatig. Een verbondsmatige prediking is een verkondiging op grond van het verbond of op de manier van het verbond. Daarbij denken we dan inderdaad aan het genadeverbond. Hieronder worden beide manieren waarop we gebruik kunnen maken van dit woord om de prediking te typeren uitgewerkt in enkele hoofdlijnen.

Op de manier van het verbond – HIJ en wij

Verbondsmatig preken is een verkondiging ‘op de wijze van het verbond’. In het verbond gaat het in ieder geval om twee partijen die bij elkaar horen en samenkomen. Ze staan tot elkaar in een bepaald verband, een relatie.

Relationeel

Het wonder van het genadeverbond is dat het eenzijdig van Gods kant komt. Persoonlijker: HIJ komt uit eigen initiatief, omdat het Zijn welbehagen is. In Zijn komen openbaart Hij Zijn hart. Zo is het allereerst een relatie die van één kant komt. Die relatie is te typeren als een relatie van verlossende liefde en onverbrekelijke trouw, van heilzaam recht en heilzame gerechtigheid. En weer liever persoonlijker geformuleerd: HIJ komt met deze liefde en trouw, dit recht en deze gerechtigheid tot het volk waarmee Hij een relatie aangaat die het best vergeleken kan worden met een huwelijksrelatie (zie de prediking van bijvoorbeeld Hosea).

Verbondsmatige prediking klinkt daarom zo:

‘Ik ben de HEERE, úw God, Die u uit Egypte, uit het slavenhuis bevrijd heeft. U zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben…’.

Met deze woorden ontmoette de HEERE Zijn volk bij de Sinaï (Ex.20) en in verbondenheid met dat volk ontmoet Hij de nieuwtestamentische gemeente. Dat is in één adem wel heel veel gezegd, maar het gaat nu niet om de eigen plaats van het Joodse volk en de verhouding tot de heidenen die bij Israël zijn ingelijfd. Ik volsta nu met de prediking in het licht van de woorden van Handelingen 2:39: ‘Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen die daar verre zijn, zovelen als de Heere onze God er toe roepen zal.’ Verbondsmatige prediking zal recht doen aan de eigen plek van de eerst-geadresseerden.

Inclusief onze kinderen

Verbondsmatige prediking zal dus volgens Handelingen 2:39 recht doen aan de plaats van onze kinderen in de gemeente. De gereformeerde opvatting – vooral gebaseerd op de eenheid van oude en nieuwe verbond – kreeg woorden in de vraag naar het goed recht van de kinderdoop in onze Heidelbergse Catechismus (vraag en antwoord 74). Op de vraag of men de jonge kinderen moet dopen, wordt geantwoord: ‘Ja. Zij behoren even goed als de volwassenen tot het Verbond van God en tot Zijn gemeente en aan hen worden, niet minder dan de volwassenen, de verlossing van zonden door het bloed van Christus en de Heilige Geest, die het geloof werkt, toegezegd (beloofd).’ De aanspraak ‘gemeente van Jezus Christus, jongens en meisjes’ zal vast heel aardig bedoeld zijn, maar slaat theologisch de plank volkomen mis. Ze behoren immers tot die gemeente!

Aanspraak - aangesproken

Ondertussen mag duidelijk zijn dat verbondsmatige prediking voor alles relationeel van aard is. Het gaat in de verkondiging in onze erediensten om de ontmoeting van de HEERE met het volk van het verbond. In die ontmoeting komt Hij tot de gemeente als de sprekende God met Zijn belofte en eis, laat Hij Zijn aanspraak op de gemeente gelden, schenkt Hij Zijn volk instemming en spreekt Hij haar tegen, spreekt Hij vrij en stelt Hij schuldig. Dat zien we in de profetische prediking van het Oude Testament, maar juist de geschiedenis van dat volk wordt de nieuwtestamentische gemeente ten voorbeeld gesteld. Te denken valt aan het eerste deel van 1 Korinthe 10 over de woestijngeschiedenis en eveneens over diezelfde reis van Egypte naar Kanaän in de prediking van de hoofdstukken 3 en 4 van de brief aan de Hebreeën.

Allen in dezelfde relatie geplaatst

De God van het verbond staat in een nauwe relatie tot het hele volk en het volk als geheel. In 1 Korinthe 10 valt dat onmiddellijk op. Daar stelt Paulus Israël als waarschuwend voorbeeld voor de gemeente te Korinthe. Ze moeten het weten (1 Kor. 10:1-4):

‘dat onze vaderen allen onder de wolk waren en allen door de zee zijn gegaan en dat allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee, en allen hetzelfde geestelijke voedsel gegeten hebben en allen dezelfde geestelijke drank gedronken hebben.’

Ze waren ‘allen in Mozes gedoopt’: het voorzetsel geeft een richting, een relatie aan ‘tot in Mozes gedoopt’, dat wil zeggen dat ze allen in relatie gesteld waren tot deze Middelaar van het verbond. Dat dient duidelijk te worden in een verbondsmatige prediking. Aan de hele gemeente is de Middelaar geschonken in de belofte van het Woord. Wie van Zijn diensten gebruik wil maken heeft er rechtens toestemming voor.

In de prediking van de brief aan de Hebreeën klinkt een soortgelijke toonhoogte (4:1): ‘Laten we er dan beducht voor zijn dat iemand van u ooit schijnt achter te blijven, terwijl de belofte om in Zijn rust binnen te gaan nog van kracht is.’ Het hele volk deelde en deelt in deze belofte van ingaan in de rust. Verbondsmatige prediking kan niet anders dan trinitarische prediking zijn vanwege de volheid en de rijkdom van Gods belofte, waarin de Vader, de Zoon en de Geest ons en onze kinderen toezegt onze God te zijn voor tijd en eeuwigheid. Dat uitzeggen in de tegenwoordig tijd – niet in de verleden tijd als ware het slechts een ooit een keer in het verleden gedane belofte – is eigen aan een verkondiging ‘op de manier van het verbond’. Een prediking waarin de drieenige God Zich in relatie stelt tot de gemeente, een relationele prediking.

Op grond van het verbond – HIJ, wij en ik

Allereerst blijkt uit het bovenstaande dat verbondsmatige prediking een verkondiging is waarin God tot Zijn recht komt. Vervolgens dat het een uitermate heilzame correctie biedt op een eenzijdige focus op het individuele. Juist in een tijd waarin het lijkt alsof een gemeente bestaat uit een aantal individuen die voor een gemeente kiezen, is het nuttig en zelfs dringend nodig de zaken juist zo een keer aan de orde te stellen. Er is gekozen voordat wij kiezen. We behoren tot een gemeenschap voordat wij ons bewust aansluiten bij die gemeente. De Zoon van God vergadert zich geen losse personen maar een geméénte, die tot het eeuwige leven is uitverkoren.

Niet iedereen deelt in wat geschonken is

Zeker binnen dit ‘wij’ van de gemeente zal blijken dat de persoonlijke relatie tot ‘HIJ’ – Die in Christus Jezus tot ons en onze kinderen komt - van beslissende betekenis is. Dat wordt duidelijk uit de Bijbelgedeelten waarin zojuist duidelijk geworden is dat de zegeningen van het verbond állen aangaan. In 1 Korinthe 10 klinkt die geweldige dissonant: in de meesten van hen heeft God geen welgevallen gehad. Dat had te maken met hun zondige verlangens, hun tegenspreken en tegenwerken van de HEERE, hun ongeloof. Dat is ook het onthutsende aan het slot van Hebreeën 3: ‘Zo zien wij dat zijn niet konden ingaan vanwege hun ongeloof.’

De gemeente als beloftegemeenschap valt niet samen met de gemeente als geloofsgemeenschap. Naar mijn stellige overtuiging biedt het klassieke formulier voor de doop van onze kinderen hier werkelijk geestelijke leiding. Denk aan de gouden zin over het onderscheid tussen wat geschonken is in de belofte in Christus en wat de Geest persoonlijk deelgenoot van maakt: ‘Dat de Geest ons wil toeëigenen wat wij in Christus hébben’! Recht doen aan de werkelijkheid van de gemeente voorkomt ook een tegenstelling tussen missionaire prediking en verbondsmatige prediking. Die tegenstelling wordt opgeroepen als in de verbondsgemeente niet meer de aanspraak klinkt van geloof en bekering en wanneer ‘buitenstaanders’ de indruk krijgen dat de gemeente het allemaal al heeft.

Daarom klinkt de toegezegde belofte in samenhang met de eis van het verbond. Ik meen dat het volgende citaat van ds. G. Boer over ‘Verbond en prediking’ (Wapenveld 8 (1958), 118-122) heel sprekend is:

‘Immers de rechte functionering van het verbond in de prediking maakt bekering en geloof niet overbodig, maar stelt deze in nooit gekende scherpte vanuit het gekomen zijn en komen van Jezus Christus tot het Zijne. Wanneer dit op schriftuurlijke wijze gebeurt, ontkomen we aan een worteldwaling van deze tijd, dat namelijk het verbond en de prediking daarvan de klem van de roep tot geloof en bekering afzwakt. Immers, dan wordt het verbond een operatieterrein voor het verdorven verstand in plaats van een slagveld voor de levende God om dit volk te doden en levend te maken. Dan gaat men met het Woord Gods redeneren in plaats van diep eerbiedig te luisteren naar wat God tot de gemeente te zeggen heeft. Dan worden het verbond en de beloften hulpmiddelen om de God des verbonds van het lijf te houden. Dan maakt men van de kinderen des verbonds kwaliteitskinderen en komt men niet meer toe aan de diepten van zonde en genade’.

Uiteraard had ik hier ook woorden kunnen aanhalen van ‘onze’ Kremer, maar soms moet een ander het ons nog weer eens zeggen.

Theocentrisch

Eén ding voeg ik er dan nog aan toe, vanwege het belang ervan (Priesterlijke prediking, 62):

Juist omdat God het adres van de gemeente zó schrijft, moet van Hem uit op de noodzaak van bekering en geloof aangedrongen worden.

De nadruk op de noodzaak van geloof en bekering verlegt dus niet het accent van God naar de mens. De HEERE schenkt wat Hij eist. Er zijn talloze voorbeelden te geven, maar één van de mooiste vind ik in de prediking van Ezechiël. In hoofdstuk 18 klinkt het Woord: ‘Máák u een nieuw hart’. Dat is de aanspraak van God op Zijn volk. In dat licht klinkt de muziek uit hoofdstuk 36: ‘Ik zal u een nieuw hart géven!’ Verbondsmatige prediking is een theocentrische prediking. Dat staat haaks op een antropocentrische, moralistische prediking, waarin de heiliging van het leven een beetje ‘drukdoenerij’ is geworden en waar ‘brave’ kerkgangers gecreëerd worden zonder werkelijke re-creatie, de herschepping door het Woord.

Onze doop leren verstaan

De geloofsbeleving van een leven uit deze relatie, uit het genadeverbond, is een zaak van sterven en opstaan. ‘In Christus’ ondergegaan en opgestaan (Romeinen 6). Dat is gegeven in de belofte van het teken en zegel van Gods genadeverbond. Ingelijfd in Christus houdt dan vervolgens ook in een leven van ondergaan en opstaan. Zo bezien is de doop een zaak van leven en dood. Die tweezijdigheid is typerend voor een verbondsmatige prediking waarin het ‘in Christus’ verkondigd en bezongen wordt en de Geest het ‘uit Christus’ neemt en ons verkondigt en daaruit doet leven. Verbondsmatig preken is een loflied zingen op de drie-enige God.

Prof. Dr. Kater is hoogleraar is hoogleraar praktische theologie aan de TUA.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.