+ Meer informatie

Water van een verleidende draak

Prof. dr. ir. Kees Roos: „De duivel maakt gebruik van de wetenschap om ons van God af te trekken''

15 minuten leestijd

Calvijn overtuigde hem ervan dat hij mocht kiezen voor een academische carrière. Daar kreeg Kees Roos geen spijt van. Wel raakte hij er steeds meer van overtuigd dat de wetenschap zich laat misbruiken door de boze. „De pretentie dat de wetenschap de waarheid oplevert, is fundamenteel onjuist.

Bij het christelijk geloof groeide Kees Roos (68) van jongs af op. Hij had ouders die hem niet alleen de bijbelse leer bijbrachten, maar ook een christelijk leven praktiseerden. De wetenschap kwam pas veel later in beeld. „Ik kom uit een heel eenvoudig milieu en was de eerste in de familie die naar de mulo ging. Uiteindelijk ben ik via de HTS op de universiteit terechtgekomen. Voor mij ging daarmee een heel nieuwe wereld open.
Zijn carrière in de wereld van wetenschap, uitmondend in een professoraat, maakte Roos niet opgeblazen, maar juist bescheiden over de betekenis van aardse kennis. „We staan nog maar aan het prille begin van ons begrip van wat we in de natuur zien, constateerde hij in de inaugurele rede ter aanvaarding van zijn hoogleraarschap in Delft.

Het is koud in Delft, constateerde uw collega Van den Beukel in zijn boek De dingen hebben hun geheim. Is dat nog steeds het geval?
„Nee, dat vind ik niet. Juist uit Delft komen nu heel goede publicaties over natuurwetenschap en geloof. Denk aan het werk van Cees Dekker. Eerder heeft Van den Beukel met zijn boek onmiskenbaar iets opengebroken. Het was buitengewoon dapper dat hij in het toenmalige klimaat van Delft met zon publicatie durfde te komen. Niet wetend wat die teweeg zou brengen. Onlangs vertelde hij me nog dat hij ongelooflijk veel gevraagd is voor lezingen, overal in het land.

Na zijn vertrek namen anderen zijn plaats in?
„Dat kun je wel zeggen. Cees Dekker organiseert tegenwoordig lunches voor christelijke wetenschappers in Delft, waar zon dertig mensen naartoe komen. Ik vind het geweldig dat we deze man hebben. Ondanks zijn wetenschappelijke reputatie schaamt hij zich niet voor zijn christelijke levensovertuiging. Jammer vind ik dat zijn visie nog niet is uitgekristalliseerd. Eerst droeg hij met verve de gedachte van intelligent design uit. Die is nu wat hem betreft alweer achterhaald. Zijn denken over het ontstaan van de wereld is duidelijk nog in evolutie.

Hoe ontstond bij u de belangstelling voor de verhouding tussen geloof en wetenschap?
„Dat begon al op de HTS. Met twee goede vrienden zaten we er in de pauze altijd over te praten. In het begin sta je er heel onnozel in. Allengs wordt je visie gefundeerder, mede door wat je leest, gesprekken in de CSFR, en in latere jaren mijn betrokkenheid bij de Evangelische Hogeschool. Aanvankelijk was het voor mij een vraag of ik wel mócht gaan studeren. In zijn verklaring van Genesis zegt Calvijn dat mensen die er aanleg voor hebben, zich niet mogen onttrekken aan de taak zich te verdiepen in de structuur van de kosmos en andere terreinen van de wetenschap. Dat was voor mij, in mijn overweging om verder te studeren, heel belangrijk.
Ik heb later veel geleerd van de inmiddels overleden heer F.J. Kerkhof, destijds penningmeester van het EH-bestuur, een zeer erudiete man. Zijn zakenreizen gebruikte hij om wereldwijd contacten te leggen met onder anderen vooraanstaande creationisten. Toen hij na een ernstig auto-ongeluk in het ziekenhuis belandde, heeft hij daar het boek De zondvloed van Rehwinkel in het Nederlands vertaald.
Ik heb ook veel gehad aan ds. J.W. Kersten. Tijdens een stage voor de HTS logeerde ik drie maanden bij vrienden van mijn ouders in Scheveningen, waar Kersten toen predikant was. Ik volgde catechisatie bij hem en ging naar zijn doordeweekse bijbellezingen over het boek Openbaring. Hij vertelde me dat hij bij de voorbereiding daarvan veel gebruik maakte van Visioenen der Voleinding, van W. Hendriksen. Dat boek heeft op mij grote indruk gemaakt.

Hoe ziet u de verhouding tussen geloof en wetenschap?
„Ik heb altijd een grote spanning tussen die twee gevoeld. Vanuit de EH hebben wij indertijd geprobeerd een faculteit Cultuurfilosofie op te zetten. Wettelijk moest de minister daarvoor verwante faculteiten om advies vragen. Namens alle Nederlandse universiteiten adviseerde de Erasmus Universiteit negatief, met als hoofdargument dat het onmogelijk was om vanuit onze principes wetenschap te bedrijven.
Inmiddels weet ik dat deze houding onder wetenschappers niet nieuw is. Al in de 13e eeuw speelde onder intellectuelen een verwante discussie. Onder invloed van de Arabische geleerde Averroës, die zich baseerde op Aristoteles, kwamen de schepping van de wereld en de onsterfelijkheid van de ziel ter discussie te staan. Aan Europese universiteiten had zijn werk grote invloed. Uiteindelijk zijn 219 stellingen van Averroës door de kerk in Frankrijk veroordeeld. Een daarvan was dat de natuurwetenschapper eenvoudigweg de schepping van de wereld moet ontkennen, omdat hij zich baseert op natuurlijke oorzaken en natuurlijke redenering. Dat klinkt bekend. In de wetenschap is de eeuwen door sprake geweest van een grote overschatting van de mogelijkheden die het verstand biedt.

Hebben de pretenties van de wetenschap uw denken nooit onder druk gezet?
Nee, ik ben er alleen maar in bevestigd. Onder meer door het werk van de beroemde taalfilosoof Ludwig Wittgenstein, zelf geen uitgesproken gelovige. Die heeft heel helder verwoord dat de wetenschap zich bezighoudt met een deel van de werkelijkheid, en wel het minst belangrijke deel. Hij heeft een heel vreemd boekje geschreven: Tractatus logico-philosophicus, dat in het Nederlands is vertaald door W.F. Hermans, ook bepaald geen gelovige. Het bestaat uit stellingen. In het begin denk je: Wat is dit voor een onzin. Tot je de diepte ervan begint te zien. Een van de stellingen luidt: Wij voelen dat zelfs als alle mogelijke wetenschappelijke vragen beantwoord zijn, onze levensproblemen nog helemaal niet zijn aangeroerd. Er blijft dan weliswaar geen vraag meer over; en juist dat is het antwoord.
In de brief aan een uitgever die hij wilde bewegen het boekje te publiceren, schreef Wittgenstein: In een bepaald stadium wilde ik aan het voorwoord een zin toevoegen die er nu niet in voorkomt, maar die ik u nu schrijf, omdat hij wellicht als sleutel kan dienen. Ik wilde namelijk schrijven dat mijn werk uit twee delen bestaat: uit wat hier voor u ligt, en alles wat ik niet heb geschreven. En juist dit tweede deel is het belangrijkste. Het boekje eindigt met de stelling: Waarover men niet kan spreken, daarover moet men zwijgen. Daarmee sloeg hij de spijker op de kop.

Waar liggen voor u de grenzen van de wetenschap?
„In dat wat allemaal te onderzoeken valt, bestaan geen grenzen. Dat betekent tegelijk dat de wetenschap nooit volledig vat zal krijgen op de dingen. Wetenschappers lijken de hele werkelijkheid te willen beheersen, maar het belangrijkste deel blijft buiten hun invloedsfeer. Meer en meer ben ik de overeenkomst gaan zien tussen de wetenschap en dat wat de duivel tegen Adam en Eva zei. Hij spiegelde hen kennis voor waarmee ze als God zouden zijn. Dat doet hij nog steeds, met de suggestie dat het doel kan worden bereikt via de wetenschap: door de evolutie gaat het de goede kant uit, we worden steeds knapper, straks vinden we de formule waarmee we het leven en de gehele werkelijkheid kunnen verklaren.

Heeft de wetenschap voor u een antichristelijk karakter?
„Niet de wetenschap op zichzelf, wel in zn pretenties. Daarin zie ik wetenschap als een geestelijke macht die in deze wereld vernietigend tekeergaat, en vijandig ten opzichte van het geloof staat. Ik ervaar dat heel sterk als ik in China ben, waar anderhalf miljard mensen wonen. Praat je daar met studenten, dan vertellen ze je binnen vijf minuten dat God niet bestaat. Dat heeft Darwin bewezen. De evolutietheorie is een enorme katalysator geweest in de secularisatie. Hetzelfde geldt overigens voor de medische wetenschap. Het vertrouwen dat mensen daaraan geven, ook in christelijke kring, is ongekend. Artsen worden tot afgoden. Als zij het opgeven, stort onze wereld in.
Mensen hebben het veel over de zegeningen van de wetenschap. Tot op zekere hoogte zijn die er, ik profiteer er zelf ook van. Maar laten we er oog voor houden dat God God is, en dat we op Hém ons vertrouwen moeten stellen. Achter de zogenaamde verworvenheden van de wetenschap zie ik de duivel, die mensen probeert weg te trekken van God.

In uw bijdrage voor het boek Kerk rond het heilgeheim legde u een verbinding tussen de moderne wetenschap en de wijze waarop in het boek Openbaring de draak de vrouw in de woestijn belaagt. Wat is precies de overeenkomst?
„Ik heb Openbaring 12 altijd een bijzonder hoofdstuk gevonden, omdat je in weinig woorden een schets van het hele wereldgebeuren te zien krijgt. De verwachting van de oudtestamentische kerk wordt voorgesteld door een vrouw die op het punt staat een kind te baren. Voor haar staat een draak, die probeert dat kind weg te nemen. Je ziet dat in het Oude Testament gebeuren als Farao alle joodse jongetjes wil doden en als Haman besluit het hele joodse volk uit te roeien. Aan het begin van het nieuwe Testament doodt Herodus alle jonge kinderen in Bethlehem.
Het Kind komt er desondanks toch. In Openbaring wordt het weggerukt tot God en Zijn troon, beeld van de hemelvaart van Christus. Satan verliest de strijd en wordt met zijn engelen uit de hemel gestoten. Dan richt hij zijn gram op de vrouw en haar zaad: zij die de geboden van God bewaren en de getuigenis van Jezus Christus hebben. Hij doet dat op een opvallende manier. God beschermt de vrouw door haar een plaats te bereiden in de woestijn, waar Hij haar onderhoudt. Zij ontvangt twee vleugels van een arend, waarin Hendriksen geloof en gebed ziet. Dan komt satan, die water als een rivier in de woestijn spuwt. Ik heb er lang over nagedacht wat dat kan betekenen. Tot ik het opeens zag. Met water breng je de woestijn tot bloei, het wordt één grote oase, het paradijs op aarde.

Welke conclusie verbindt u daaraan?
„Het visioen maakt duidelijk dat het leven van een gelovige een woestijnleven is, gescheiden van wat de wereld mooi, goed en behaaglijk vindt. Alleen in de woestijn is de vrouw veilig voor de kwade bedoelingen van de draak. Vandaar dat hij de scheiding probeert op te heffen. Hij biedt de vrouw meer dan een eenvoudige oase, hij geeft een hele rivier, waardoor de woestijn ophoudt woestijn te zijn. Ik ben van mening dat de wetenschap een niet onbelangrijk deel uitmaakt van de rivier in het visioen. De duivel creëert een situatie waarin het leven plezierig is, zonder de ontberingen die je in de woestijn aantreft. Als instrument om dat te bereiken gebruikt hij de wetenschap.

Waarin ook u werkzaam bent.
„Dat is een terechte opmerking, die meteen het spanningsveld weergeeft. Heel belangrijk is dat we ons, ook in de wetenschap, een pelgrim blijven weten. In zekere zin ook een vreemdeling. Die spanning heb ik zelf altijd ervaren. Als die door een christen-wetenschapper niet meer wordt gevoeld, heeft de duivel het gewonnen.

U wees er in uw bijdrage verder op dat niet alleen het christelijk geloof zn paradoxen kent, maar ook de wetenschap. Zelfs de wiskunde.
„Ik heb dat naar voren gebracht, omdat veel mensen menen dat je voor objectieve feiten en absolute betrouwbaarheid bij de wetenschap moet zijn. Die gedachte wordt gevoed door toonaangevende wetenschappers. Vandaar dat ze weinig van paradoxen moeten hebben, zelfs suggereren dat de wetenschap die niet kent. Dat is een leugen. Kurt Gödel, een tijdgenoot van Wittgenstein, heeft op wiskundige wijze aangetoond dat er altijd beweringen blijven die waar zijn, maar waarvan de juistheid niet kan worden bewezen. En geen enkel denksysteem garandeert dat logisch redeneren niet tot onzin leidt.

Als dat zelfs wiskundig is te onderbouwen, hoe verklaart u dan de stelligheid van wetenschappers die suggereren wel zekerheid te kunnen verschaffen?
„Daar zie ik de satan achter, als de groter verleider in deze wereld. Deze mensen zijn instrumenten van hem, en misbruiken het gezag van de wetenschap om leugens te verkondigen. De pretentie dat de wetenschap de waarheid oplevert, is fundamenteel onjuist. Pas filosofeerden we met wat vrienden over een club van wijnproevers die rond 35 na Christus bij elkaar komt. Op een avond wordt hun wijn uit Kana voorgezet. De leden proeven de wijn om de herkomst en leeftijd te raden. Het zijn deskundige vinologen. Een heel goede wijn, stellen zij vast, van goede grond, en waarschijnlijk zeer oud. Toch zit hun eindoordeel er helemaal naast. Die wijn is nog maar kort geleden ontstaan uit water, door een wonder. Dat ligt buiten het denkkader van deze experts. Dit verhaal geeft wat mij betreft heel goed de verhouding tussen de wetenschap en de werkelijkheid aan. De wetenschap kent het onzichtbare deel van de werkelijkheid niet, de moderne wetenschap wíl het ook niet kennen.

De wetenschap kán volgens u over dit deel van de werkelijkheid ook niets zeggen. Geldt dat evenzeer voor de christen-wetenschapper.
„Ja, net zo goed. Als het over de onzichtbare werkelijkheid gaat, kun je alleen de Bijbel naspreken.

En heeft een academisch geschoolde niets voor op een putjesschepper.
„Precies.

Hoe beoordeelt u het werk van creationisten?
„Ik sta daar sympathiek tegenover, omdat ik in de volstrekte betrouwbaarheid van de Bijbel geloof. Het creationisme vind ik een natuurlijker houding voor een christen dan het volstrekt scheiden van geloof en wetenschap. Het is goed dat christen-wetenschappers zogenaamde vaststaande feiten in de wetenschap, zoals de macro-evolutie, toetsen en zo mogelijk aantonen dat ze niet houdbaar zijn.

Andere christen-wetenschappers proberen de tegenstelling tussen geloof en wetenschap te overbruggen door harmonisatie.
„Dat is een onbegaanbare weg, omdat de moderne wetenschap per definitie godloos is. Als ik in een wetenschappelijke bijdrage de naam van God noem, hoef ik niet te denken dat die ooit gepubliceerd wordt. Het probleem is dat een christen gelooft in een God die wonderen kan doen, en ook daadwerkelijk gedaan heeft, onder meer in het scheppen van de wereld. Dan vált er niets te harmoniseren.

Welke betekenis kent u toe aan een apologetische weerlegging van atheïstische opvattingen?
„Dat vind ik positief. Neem een boek als In alle redelijkheid - Christelijk geloof voor welwillende sceptici, door Tim Keller. Op hoog niveau en met valide argumenten treedt hij in discussie met de sceptici.

Hebt u de indruk dat atheïsten zich door zon boek laten overtuigen?
„Dat weet ik niet, maar ik waardeer het dat er zulke tegengeluiden klinken. Zou een hond niet blaffen als zijn baas wordt aangevallen, zei Calvijn. Het kan bovendien een steun in de rug zijn van vooral jonge christenen die door alle geluiden in de samenleving aan het wankelen raken.

In reformatorische kring neemt de acceptatie van de evolutietheorie momenteel snel toe, ook onder theologen. Verbaast u dat?
„Om eerlijk te zijn niet. Ik heb allang het gevoel dat veel predikanten al jaren zo denken. Wanneer wordt over de schepping gepreekt? De situatie is veel ernstiger dan we denken. Een voordeel van het huidige debat is, dat ieder nu gedwongen wordt rekenschap te geven van zijn denken over het ontstaan van de wereld. Het is een zeer aangelegen punt. Je hoopt dat mensen door de huidige discussie oog krijgen voor de beperktheid van de wetenschap.

De vrucht lijkt meer te zijn dat ze twijfels krijgen bij de betrouwbaarheid van de Schrift.
„Ik vind dat heel aangrijpend. Vooral omdat ze nu aan het wankelen worden gebracht door mensen die zelf zijn opgegroeid met het orthodox-christelijke geloof.

Hoe geeft u persoonlijk in uw wetenschappelijke omgeving invulling aan uw christen-zijn?
„Men weet van mij dat ik orthodox christen ben. Ook in mijn inaugurele rede heb ik daar destijds uiting aan gegeven. Voor intensieve inhoudelijke gesprekken met collegas ontbrak helaas vaak de tijd. Dat gebeurde nog het meest tijdens internationale conferenties. Je kunt dan niet veel meer dan getuigen, in de hoop dat het iets nalaat. Soms merk je daar iets van.
Ik heb een Chinese post-doc gehad, aan wie ik vroeg voor mij een kerk te zoeken in de Chinese stad Hangzou, waar ik een conferentie zou bijwonen. Ze heeft dat gedaan en is uit beleefdheid met mij meegegaan. Achteraf vertelde ze me dat ze het aanvankelijk heel onplezierig vond, ze wilde daar helemaal niet gezien worden. Maar die dienst is voor haar onvergetelijk geworden. In de jaren dat ze in Delft was hebben we veel met elkaar gesproken. Later heeft ze belijdenis gedaan en is ze in Delft door ds. Blenk gedoopt. Dat zijn bijzondere ervaringen, waarvan ik er nog veel hoop mee te maken.


Biografie
Kees Roos studeerde wiskunde aan de Technische Universiteit in Delft, waar hij na zijn studie en promotie bleef werken. In 1998 werd hij door de Universiteit van Leiden aangetrokken als parttime hoogleraar toegepaste wiskunde, van 2002 tot 2006 was hij hoogleraar in Delft. Daar is hij sinds zijn emeritaat nog geregeld te vinden, in verband met de begeleiding van promovendi. Ook is hij gasthoogleraar aan de Universiteit van Shanghai (China). Vanaf de oprichting van de Evangelische Hogeschool, in 1977, tot 1991 was Roos voorzitter van het bestuur van de EH. Sinds 2006 is hij als bestuurslid betrokken bij de stichting Network Education Theology Foundation (NET), die missionaire onderwijsinstellingen, in binnen- en buitenland ondersteunt en adviseert bij de invoering van online afstandsonderwijs. In het boek Kerk rond het heilgeheim, een bundel opstellen ter gelegenheid van het afscheid van zijn vriend prof. A. de Reuver als hoogleraar in Utrecht, schreef hij een opvallende bijdrage over de verhouding tussen geloof en wetenschap.


Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.