+ Meer informatie

DE AMBTSDRAGER EN ZIJN CONTACTEN MET JONGE KERKVERLATERS

11 minuten leestijd

Het is overbodig om te zeggen dat ze in elke plaatselijke kerk voorkomen. Ook in onze kerken zal nauwelijks nog een gemeente zijn, die er niet mee te maken heeft, met jonge mensen die de kerk verlaten, om welke reden of door welke oorzaak dan ook. Soms gebeurt het ineens, van de één op de andere zondag, meestal in een proces van langzame losweking. Af en toe nog eens een kerkdienst meemaken, niet meer naar de catechisatie te krijgen, of in elk geval niet met regelmaat en op een gegeven moment wordt van hem of haar helemaal niets meer gezien. Onopgemerkt was het natuurlijk niet gebleven. Vader en moeder hadden dominee, de wijkouderling of de jeugdouderling al eens ingeseind dat het er bij hun zoon of dochter maar losjes bijhing, maar de ambtelijke pogingen om in enkele informele gesprekjes daarin verandering te brengen waren zonder resultaat gebleven. Het was allemaal meer of minder vriendelijk en welwillend aangehoord, maar bij het afscheid viel van het gezicht van de jongere elke keer duidelijk af te lezen dat de beëindiging van het gesprek als een verlossing werd gevoeld. Het gebeurt maar zeiden dat jonge mensen, die het in en met de kerk niet meer zo zien zitten, bij- of terug te buigen zijn. Als verontruste ouders uiteindelijk, als zoon of dochter helemaal niet meer in de kerkelijke pas wil lopen, nog wéér eens een beroep op dominee of de wijkouderling doen (“dominee, probeert u het nog eens, wij zijn helemaal uitgepraat; misschien kunt u nog iets bereiken”), kan dat als een heel moeilijke vraag en in sommige gevallen als een onbegonnen opgave worden gevoeld. Wetend hoe “de vlag erbij hangt” is er weinig of niets van te verwachten… Zo wordt dikwijls gedacht en de nuchtere ervaring in veel gevallen geeft misschien ook wel reden om zo te denken.

Bewogenheid

Toch is de klacht van veel ouders dat er door de kerk naar hun kinderen die in dingen van geloof en kerk aan de afzak raken, niet al te intensief werd en wordt omgekeken, een terechte klacht. Soms wordt die klacht ook wel door die kinderen zelf gebruikt, maar dàn om er een extra argument tegen de kerk in te vinden. Zonder te bepleiten jonge kerkverlaters geen rust te gunnen en ze voortdurend met waarschuwing en andere blijken van betrokkenheid te achtervolgen, zou generaal gesproken uit regelmatige en heel gerichte benadering door de ambtsdrager, ondersteund door informele pogingen tot contact vanuit de gemeente, méér mogen blijken dat er binnen de gemeente van Christus grote bewogenheid is over jonge “schapen” die bezig zijn zich van de kudde en daardoor van de grote Herder Jezus Christus te verwijderen. Al te gauw leggen we ons vandaag in de kerk misschien neer bij de conclusie dat kerkelijke ontrouw bij jongeren een gegeven is waarmee we maar moeten leren leven, zonder voldoende te hebben vastgesteld of er bij de betrokkenen wellicht toch nog openingen zijn voor een gesprek over de dingen.

Uiteenlopende oorzaken

De algemene ervaring is overigens dat het zeer moeilijk is om een afspraak voor zo’n gesprek te maken. En een tweede moeilijkheid vormt de vraag hoe tot een goed en gericht gesprek kan worden gekomen en hoe de werkelijke oorzaak van de onverschilligheid of desinteresse ten aanzien van kerk en geloof boven water is te krijgen. Die oorzaak kan heel verschillend zijn en lang niet altijd laat een jongere er helemaal achter kijken.

Om enkele voorbeelden te noemen:

1. volstrekte ongeïnteresseerdheid in wat kerk en geloof “te bieden hebben”, hang naar ongebondenheid en naar ruimte om zonder die akelige beperkingen van een christelijk regime, voluit te genieten van de genoegens waarvan in dit leven zo volop voorhanden is;

2. twijfel aan de waarde van het geloof door ervaringen in moeilijke situaties of verstoorde verhoudingen in het gezin, door siechte voorbeeldwerking bij de ouders, door een leefpatroon in het gezin waaruit duidelijk blijkt dat het geloof er geen integrerend bestanddeel van vormt;

3. reactie op een àl te strenge godsdienstige opvoeding, waarin een dwangmatig moeten het blijde mogen overheerste, zonder overtuigende argumentatie van de zingeving van de dingen;

4. twijfel aan de intellectuele geloofwaardigheid van het geloof, waaronder te verstaan het niet meer helemaal voor waar en zeker houden van de dingen rond en in de bijbel, zoals het ons door de kerk en in het gezin altijd is voorgehouden;

5. afkeer van de kerk als instituut, dat het leven onvrij maakt door verplichtingen en regels op te leggen, die met het eigenlijke van het geloof lang niet zoveel te maken hebben als men wel wil doen geloven; ik kan ook - en misschien nog wel beter geloven - zonder de kerk, is een nogal eens door jongeren gehanteerd argument;

6. keuze van een ongelovige, in elk geval niet kerkelijke partner die zich in de levensbeschouwelijke instelling van de ander niet wenst te verdiepen en er zich niets van eigen wenst te maken, bijvoorbeeld door de kerkgang mee te maken en mee te doen in het godsdienstig ritueel van elke dag in huis; als de kerk zich in deze keuze niet meegaand toont - b.v. bij aanvraag tot bevestiging van het huwelijk als men op dat kerkelijk ritueel op de trouwdag tòch prijs stelt - dan gebeurt het niet zelden dat de kerkelijke partner de kerk ook maar laat voor wat ze is of elders kerkelijk heil gaat zoeken, waar men wat vrijer en gemakkelijker met de dingen omgaat;

7. homifilie, waardoor men zich in de kerk niet (meer) als volwaardig mens geaccepteerd voelt;

8. ongehuwd samenwonen, waarmee men zich niet gelukkig voelt binnen een kerkelijke gemeenschap die deze vorm van samenleven tussen twee mensen niet als legaal aanvaardt en er kerkelijke tuchtmaatregelen aan verbindt;

9. het aangaan van vriendschappen met jongeren, voor wie de kerk geen betekenis en het geloof geen aantrekkelijkheid heeft;

10. teleurstelling in het eigen kerkelijke leven en als gevolg daarvan gegroeide belangstelling voor andere godsdienstige denkrichtingen, in het gunstigste geval voor geloofsgemeenschappen waarbinnen de fundamentele geloofswaarheden even grote geldigheid hebben als in de eigen kerk, maar misschien op andere manier worden beleefd en uitgedragen; in het ongunstigste geval voor religieuze groeperingen van bedenkelijk gehalte, soms van enigszins of sterk occulte signatuur.

Er zou nog veel meer te noemen zijn. Hoe kom ik bij haar of hem binnen, hoe en waar moet ik beginnen, ervan uitgaande dat “de voet al bij voorbaat stevig in het zand zal staan”? Wáár zet ik het gesprek in, en hoe schep ik een sfeer van vertrouwen? Kan ik van te voren een bepaalde strategie bedenken die aan het gesprek richting geeft en waardoor bezoeker en bezochte aan het gesprek de indruk overhouden dat het in elk geval zinnig is geweest en voor herhaling vatbaar is?

Niet alle vragen van een antwoord proberen te voorzien

Het zal misschien overbodig zijn om het te zeggen, maar de ambtsdrager kieze nooit de opstelling van de kerkelijke opsporingsambtenaar, waarbij de bezochte zich de gezochte voelt. Zonder zich te dwingen tot gewilde of gespeelde vriendelijkheid, moet worden geprobeerd een sfeer van vriendelijkheid en vertrouwen te scheppen, zodat de bezochte jongere zich zelf kan zijn en ruimte krijgt om aan zijn of haar gedachten en gevoelens op ontspannen manier uitdrukking te geven. Geef die jongere het overtuigende gevoel dat naar wat hij of zij naar voren brengt, echt met interesse wordt geluisterd. Weeg de woorden en de argumenten goed, probeer eruit gewaar te worden wat de werkelijke achtergronden van de kerkelijke ontrouw zouden kunnen zijn, stem in met wat bijval of begrip verdraagt of verdient, neem afstand van wat afkeuring of correctie nodig heeft, maar dan wel op een manier die de ander het gevoel geeft dat achter die correctie alleen maar de intentie steekt om vast te houden. Heel belangrijk is ook dat geen antwoorden worden gegeven op vragen die zonder antwoord moeten blijven. Vooral bij jongeren, die door Studie of gewoon nadenken, met al of niet gekoesterde wetenschappelijke twijfel op tafel komen, kan men te maken krijgen met vragen die maar niet zo één-twee-drie van een antwoord zijn te voorzien. Ik ben er wel eens getuige van geweest - en misschien heb ik me er ook zelf wel eens aan “bezondigd” - dat goed bedoelde pogingen werden gedaan om antwoorden te bedenken in betrekking tot dingen, waarvoor uit de bijbel geen sluitend antwoord af te leiden valt, dingen die in hun oorzaak, bedoeling en uitwerking voor ons mensen maar zeer ten dele duidelijk of zelfs geheel verborgen zijn. Dan worden soms antwoorden geconstrueerd die het bij verder doorvragen of dieper doordenken niet blijken te houden. Het is beter te erkennen dat men op bepaalde vragen geen antwoord weet dan antwoorden te creëren, die geen antwoord of slechts een goedbedoelde poging daartoe blijken te zijn. Dat laatste kan een gesprek en de indruk die het bij de bezochte achterlaat, alleen maar negatief beïnvloeden.

De beste benadering

Afhankelijk van de vraag waar de moeite bij een jonge kerkverlater zit, zal de bezoekende ambtsdrager van te voren argumenten moeten overwegen die voor een goede en gerichte gang van het gesprek nuttig zouden kunnen zijn. Niet om in het nauw te drijven en zeker niet om ermee te dreigen, maar om ermee te overtuigen. Goede kennis van de Heilige Schrift en van wat de kerk in het naspreken van de bijbel in haar belijdenissen heeft verwoord, is ook hier nodig. Wie de Schrift laat spreken, wordt er in elk geval voor bewaard onzin te zeggen. De ambtsdrager die bij jonge kerkverlaters voor één of meerdere van de tien eerder beschreven situaties komt te staan, doet er verstandig aan deze situaties van te voren goed door te denken en antwoord te zoeken om de vraag hoe hij deze vanuit de bijbel, vanuit de traditie van de kerk en met het oog op de omstandigheden waaronder wij vandaag kerk van Christus in de wereld zijn, in het gesprek het beste zou kunnen benaderen. Men heeft van te voren natuurlijk geen directe invloed op de loop van een gesprek, maar men kan vooraf wel voor zichzelf vaststellen aan welke dingen in elk geval aandacht zou moeten worden gegeven.

Vóórprogrammering?

Hoe verschillende de omstandigheden waaronder jonge mensen de kerk vertaten ook kunnen zijn, een gesprek daaromheen krijgt dikwijls als concentratiepunt de vraag: kan men mij, jongere, verantwoordelijk houden voor het feit dat ik toevallig in een christelijk gezin werd geboren, gedoopt ben, mee naar de kerk moest en een christelijke opvoeding kreeg?

In een ambtelijk gesprek met jonge kerkverlaters wordt - althans onder ons - met klem op deze verantwoordelijkheid gewezen. En daarop komt dan - zoals ik zelf enige tijd terug ondervond - wel wat terug. Is dat werkelijk verkiezing, dat ik in een christelijk gezin ben geboren of moet je dat niet veel meer als toevalligheid zien? Ik had “voor hetzelfde geld” toch net zo goed in een onkerkelijk gezin geboren kunnen worden, zoals al die honderduizenden jongens en meisjes, die dan zogenaamd van dat voorrecht verstoken zijn? Steekt daar werkelijk Goddelijke selectie achter? Staan die anderen allemaal op achterstand? Is geboren worden in een christelijk milieu, gedoopt zijn, catechetisch onderwijs volgen en eventueel belijdenis doen toch eigenlijk niet veel meer dan een soort godsdienstige vóórprogrammering, die anderen ontgaat? Hangt de verplichting tot kiezen als men tot onderscheid van jaren is gekomen, werkelijk samen met verantwoordelijkheid die je al bij je doop is opgelegd? Ik neem het buitenkerkelijke jongeren helemaal niet kwalijk dat zij van het geloof niets begrijpen. Wie of wat zou hen er toe moeten aanzetten om er iets van te leren begrijpen? En mij zou dan het voorrecht gegund zijn er wel “onder te vallen”? Nou dan ben ik graag solidair met al die anderen. De kerk heeft het altijd maar over dat verbond waarin je dan besloten zou zijn, maar als je hoort hoe daarover binnen de kerken wordt gedacht, dan weten ze zelf niet eens goed wat ze er precies onder moeten verstaan. In deze geest ging het gesprek dat ik zelf enige tijd geleden met een jongere had. Hier liggen de moeilijkste dingen waarmee een ambtsdrager in het gesprek met de jonge kerk-verlater te maken kan krijgen. Hoe moeilijk maar tegelijk noodzakelijk is het dan om vanuit de bijbel en vanuit hetgeen de kerk in haar geschiedenis daaruit heeft leren verstaan, duidelijk te maken dat het de Here God kennelijk heeft behaagd zich uit het hele menselijk geslacht een volk aan te trekken, dat Hij in Christus als zijn volk erkent. Door de geslachten heen en in de lijn van de geslachten, worden mensen door geboorte binnen de lichtkring van het Evangelie apart gezet, niet omdat zij beter of anders zouden zijn dan degenen aan wie dat voorrecht niet ten deel valt, maar opdat zij, als wat God hun toezegt in de weg van geloof en bekering, tot hun werkelijk geestelijk eigendom is geworden, in deze wereld dragers van dat licht zouden zijn, anderen vóórlevend hoe veel dieper een leven is waarin de geheimenissen en deregels van het christelijk geloof een plaats hebben gekregen. Dáárin Ijgt niet in de laatste plaats de verantwoordelijkheid van het gedoopte vóórhoofd. Èn het voorrecht, als men van bevoorrechting boven anderen wil spreken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.