+ Meer informatie

Geest van Reformatie niet altijd langs de weg van reorganisatie

Ds. Den Boer bij 75-jarig bestaan Geref. Bond:

12 minuten leestijd

WOUDENBERG — Zaterdag 18 april is het precies 75 jaar geleden dat in de Concertzaal te Utrecht de Gereformeerde Bond in de Ned. Herv. Kerk werd opgericht. In verband daarmee houdt men woensdagavond 22 april in de Utrechtse Domkerk een gebedsdienst. Voorganger is ds. L. Kievit uit Gouda, lid van het hoofdbestuur. Tijdens de jaarvergadering donderdag 23 april in het Jaarbeurscongrescentrum te Utrecht zal een gedenkboek — „Beproefde trouw" — worden aangeboden. Wat is nu depositie van de Bond binnen de vaderlandse kerk? Hoe is de verhouding tot de „afgescheidenen"? Bestaan er „vleugels" in de Bond? Zijn de predikanten boven de 53e breedtegraad van een ander gewicht dan die daar beneden? Dat soort vragen kwam aan de orde tijdens een vraaggesprek met ds. C. den Boer uit Woudenberg. Hij maakte van 1966 tot 1978 deel uit van het hoofdbestuur. Ds. Den Boer zag op 20 april 1931 het levenslicht in Puttershoek. Hij diende achtereenvolgens de Hervormde gemeente van Veen ('55}, Sliedrecht ('60). Zeist ('66), Wageningen ('72} en Woudenberg ('78). In 1978 benoemde het hoofdbestuur van de Geref Bond ds. Den Boer tot studie-secretaris — „ik heb altijd graag op de studeerkamer gezeten maar vaak gedacht: ben ik nou tijd aan 't stelen van mijn gemeente ja of neen?" — en als zodanig heeft hij ook de pastorale zorg over de gereformeerde bonds-theologiestudenten in Utrecht. De Woudenbergse predikant verdeelt zijn tijd tussen de gemeente en het studie-secretariaat.

In 1951 is een nieuwe kerkorde in werking getreden. Heeft die gebracht wat men verwachtte? Bevat die kerkorde — gegeven dertig jaar ervaring — voldoende basis om ermee verder te gaan?

Het ideaal van Hoedemaker, reformatie door reorganisatie, ook merkbaar in bewegingen als kerkherstel en gemeente-opbouw, is voor een flink deel in de kerkorde van 1951 verwezenlijkt. Als ik nu die kerkorde naast de reglementenbundel van 1816 zet zie ik duidelijk verbetering. Alle mogelijkheden waren in 1951 aanwezig voor herstel van de kerk in de zin van de belijdenis. Maar die verwachting is niet verwerkelijkt. De absolute leervrijheid doet op het ogenblik niet onder voor de leervrijheid onder de reglementenbundel. Mijn teleurstellende conclusie na dertig jaar is dat de Hervormde Kerk haar belijdend karakter niet hervonden heeft.

Ik weet niet of Hoedemaker het wel goed gezien heeft door te zeggen: reformatie door reorganisatie. Hoedemakers stelling is minstens omkeerbaar. De geest van de Reformatie gaat niet altijd langs de gebaande wegen van de reorganisatie.

U kent de discussie tijdens de laatste synodezitting om de woorden „Reformatie" en „reformatorisch" uit artikel 8 van de kerkorde te schrappen? Kunt u met die kerkorde wel verder?

De Gereformeerde Bond heeft indertijd het „in gemeenschap met de belijdenis der vaderen" uit artikel 10 willen vervangen door ,,in overeenstemming met". Er is toen gezegd: „in gemeenschap met" is minder confessionalistisch en minder juridisch, maar dieper, dat zal je eens zien. Nou, we hebben het gezien. Het betekende dat de belijdenis steeds meer in de ijskast terecht kwam, zelfs duidelijk weersproken is. Dat is weinig hoopgevend. Maar wij houden het erop dat we toch altijd iedereen in de kerk nog kunnen herinneren aan artikel 10.

Wel vrezen wij dat de deconfessionalisering doorgaat; dat een nieuwe kerkorde na realisering van het ideaal „Samen op weg" zelfs de zinsnede ,,in gemeenschap met de belijdenis der vaderen" niet meer in een funderend artikel opneemt.

Maar de basis om verder te gaan ligt ten diepste niet in een kerkorde. Die ligt in het Woord van God. Wij zullen het uiterst lang uithouden in de Herv. Kerk omdat wij geloven dat God ons een roeping geeft in de breedte van het verbond en daarmee in het geheel van de volkskerk. Wij blijven totdat het ons onmogelijk gemaakt wordt.

Als ik let op het huidige rumoer rond Ter Schegget met zijn neo-marxistische ideeën en denk aan de oprichting van de Bond en de aanleiding daartoe bij Bahler met zijn Boeddhistische ideeën vraag ik me toch af: bent u nu verder gekomen?

Dat denk ik zelf ook weleens in momenten dat ik niet al te sterk geloof. Dan krijg ik de ongeloofsneiging om een geel of groen boekje te grijpen waarin alle gemeenten en evangelisaties en alle predikanten en hulppredikers die tot de Bond behoren staan opgetekend. Ik vergelijk dat met 1906 en 1920 en dan krijg ik toch een beetje hoop dat de reformatie nog wel door kan gaan buiten de reorganisatie om. Maar ik zei al, dat is toch een tikkeltje ongeloof. Want moet je zeggen dat je moedig voorwaarts kunt gaan omdat je zaak aan de winnende hand is? Toch liggen de verhoudingen duidelijk anders dan dertig, vijftig of vijfenzeventig jaar geleden.

In reacties op het standpunt van het hoofdbestuur omtrent „Samen op weg" en uw inleiding tijdens de predikantencontio vorig jaar is van Afgescheiden zijde gevraagd: kom tot ons over. Hoe waardeert u die vraag in het licht van de artikelen 28 en 29 van de Geloofsbelijdenis?

Inderdaad viel de Vrijgemaakte prof. dr. J. Douma onze kerkelijke positiebepaling aan. Ik vraag dan altijd terug: maak nou eens hard dat die Herv. Kerk in de zin van de belijdenis een valse kerk is. Wij hebben nooit gezegd dat de Vrijgemaakte kerken niet een legitieme openbaring van het lichaam van Christus zijn. Maar ik mag mijn kerk alleen verlaten wanneer die niet meer het lichaam van Christus, dus vals is. Dat laatste — dat onze kerk vals is — bestrijd ik. Dus ik zou tegen Douma willen zeggen: kom er maar bij. Welkom in deze strijd!

Wij geloven niet dat er in Nederland zoveel meer waarheid gekomen is door de repeterende breuk van afscheidingen. We geloven ook niet dat het beginsel van de Afscheiding geïdentificeerd kan worden met het beginsel van de Reformatie. In de tijd van de Reformatie is de leer van de reformatoren officieel in de ban gedaan, vervloekt. Dienaren van de waarheid stierven op de brandstapel. Als we diezelfde situatie in de vorige eeuw hadden gehad zou de Afscheiding een rechte zaak zijn geweest. Ik meen echter dat die situaties niet vergelijkbaar zijn.

U zou met uw „welkom" wellicht ten antwoord krijgen dat er volgens de belijdenis slechts één ware kerk is hier te lande die zich in één instituut openbaart...

Je moet oppassen dat je de kerkelijke situatie van deze en de vorige eeuw niet onmiddellijk naast die van de zestiende eeuw zet. Afgedacht van de dopersen was daar slechts de keuze tussen rooms-katholiek en gereformeerd. Anderzijds deel ik toch ook het beginsel van Kuyper niet die de pluritormiteit van de kerk als weerspiegeling van de rijkdom van Christus zag. Maar in de ontstellende verwarring van het kerkelijk leven zal je moeilijk kunnen zeggen: dat is die kerk die alleenzaligmakend is met uitsluiting van alle anderen in die zin dat wie daarvan geen lid is ook buiten de zaligheid staat.

Ik heb al gezegd, zolang niemand mij aantoont dat de Herv. Kerk een valse kerk is, blijf ik erin. Als ik dan de Geloofsbelijdenis lees — ieder is schuldig zich bij de ware kerk te voegen — zou ik alle Vrijgemaakten willen zeggen: houdt u daaraan.

We spraken over de positie van de Bond in de Ned. Herv. Kerk en over de verhouding met de Afscheiding, ik wil het nu hebben over de situatie binnen de Bond. Er is lang een tegenstelling geweest tussen bladen als „De Waarheidsvriend" en het „Gereformeerd Weekblad". Als ik het juist heb dat die tegenstelling wat afgesleten is, betekent het dan dat de Geref. Bond een meer gesloten eenheid vormt dan in de vooroorlogse jaren?

Je kunt inderdaad niet zeggen dat nog steeds in het „Gereformeerd Weekblad" een andere geestesstroming openbaar komt dan in „De Waarheidsvriend". Die verschillende stromingen zijn er geweest. Aan de ene kant de sterke nadruk op de verkiezing, het bevindelijk karakter van de waarheid; aan de andere kant de nadruk op het verbondsmatige van Gods  handelen. Dat verschil is natuurlijk niet weg. Je kunt niet zeggen dat de Bond op 't ogenblik zo een geheel is dat er over deze dingen niet verschillend wordt gedacht. Die spanning is niet helemaal weg, er zijn wel vleugels in de Bond.

In de kerkelijke pers hoor je er weinig van. Komt dat omdat men gemakkelijker met elkaar kan leven dan in de tijd van Kievit en Woelderink?

We hebben geleerd meer naar elkaar te luisteren en houden elkaar daarom meer vast. Net als vroeger is er denk ik aan de ene kant nog een te exclusief spreken vanuit de verkiezing met alle gevaren van wetticisme, isolatiedrift en ultra-gereformeerd zijn. Aan de andere kant is er te weinig aandacht voor de toeëigening van het heil en constateer ik een zo brede verbondsbeschouwing dat er weinig terecht komt van een profetisch kritisch staan in de kerk.

Ik geloof dat we samen onze roeping hebben in het geheel van de Herv. Kerk. Het is heel gemakkelijk om je terug te trekken in een hoek met gelijkgezinden en de waarheid samen op te delen. Maar sinds de Geref. Bond een wat ruimere plaats gekregen heeft in de kerk, meer actief deelneemt aan het kerkelijk leven dan ooit het geval is geweest, zijn er allerlei vragen op ons afgekomen waar we vroeger niet zo mee bezig waren en waar we heel veel van geleerd hebben.

Ik heb de indruk dat u nu meer tactisch dan persoonlijk spreekt. U staat zelf toch ook ergens op een plaats? Of zegt u, we moeten het verstandige midden maar kiezen?

In vorige gemeenten had ik goede contacten met confessionele predikanten mét wie de eensgezindheid inzake de religie van het belijden heel groot was. Toch zou ik, als zij ophielden met preken, echt nog even doorgegaan zijn. Dat geldt ook ten aanzien van een aantal Geref. Bondspredikanten die, denk ik, in een heleboel opzichten wat te vergelijken zouden zijn met wat we kennen van de vroegere confessionelen. Alleen in de herkenning van elkaar kun je elkaar verrijken, het nodige aanzeggen.

Er zijn natuurlijk grenzen. Als ik over Woelderink spreek, betrek ik daarin hoe hij zich tenslotte heeft ontpopt. En dan vind ik hem geen gereformeerd man.

Ik begrijp opperbest waartegen hij streed (een verzelfstandiging van het geestelijk leven) en zou daarin goed naast hem kunnen staan. Maar ik geloof dat hij te weinig oog heeft gehad voor de gedeeltelijke en geleidelijke realisering van de belofte Gods in het leven van een mens zoals dat bijvoorbeeld bij Abraham en bij het volk Israël treffend openbaar komt.

Als ik denk over zijn positiebepaling betreffende de uitverkiezing, over wat hij schreef over belofte en werkelijkheid, dan vrees ik dat hij wellicht ook in de kring van de Geref. Bond bij sommigen een uitholling van het beloftekarakter van het geloof heeft aangekweekt.

We hebben het nog steeds over de positie van de Geref. Bond. Dat is een omstreden positie. De gereformeerde ds. B. J. Aalbers zei pas in een artikel in het „Friesch Dagblad": doe toch mee met „Samen op weg", die gereformeerden zijn zo kwaad niet. Tegelijk maakten zich enkele hervormde predikanten in Friesland sterk tegenover uitlatingen van een hervormd gereformeerd predikant die voorlopig een gezang uit het Liedboek of de loutere aanwezigheid van een vrouwelijke ambtsdrager voor lief wilde nemen. Zo zijn er dus diverse krachten bezig. Zal de Geref. Bond voldoende innerlijke spankracht hebben om de eenheid te bewaren?

Wij zien in de ene kerk van „Samen op weg" geen winst aan confessioneel gehalte. Toch moeten we wellicht mee als de oude vaderlandse kerk wordt opgeheven. Niet meegaan zou betekenen een nieuwe afgescheiden kerk vormen. Daarom willen wij alle voorbesprekingen (om in een nieuwe kerkorde de verwijzing naar de belijdenis toch weer opgenomen te zien) graag meemaken. Als Aalbers dan ook zegt dat wij ons positief moeten opstellen dan betekent dat voor ons óók dat wij bijvoorbeeld alles wat we op ons hart hebben aangaande het Gereformeerde rapport over de aard van het Schriftgezag op tafel leggen. Dat vinden wij een positieve bijdrage.

Anderzijds verzet zich een aantal Friese predikanten tegen de hervormd gereformeerden die op wat breder wiek zijn gaan vliegen, zoekend, tastend naar een verantwoorde positie met de vraag: waar ligt de grens, wat is onze roeping, wat is wel, wat niet aanvaardbaar. Ik geloof dat men meer begrip zou moeten opbrengen voor de mensen die een dure roeping gevoelen om in die uitgemergelde gemeenten van het Noorden met het Woord Gods te gaan staan.

Toch is er een aantal mensen — ik denk van meer dan wat weleens het kranke deel ter rechterzijde is genoemd — dat moeite heeft met die ene vrouwelijke ambtsdrager en dat Liedboek.

Ik heb daarover in „De Waarheidsvriend" geschreven. Wij hebben een roeping te vervullen in het geheel van de Hervormde Kerk. Dat is een roeping met het Woord. Waar wij met dat Woord kunnen staan zullen wij dat doen. Tegelijk betekent dit, dat we niet tot aan alle grenzen van de kerk kunnen gaan. Die zijn breder dan onze roeping kán zijn.

Wanneer wij in een gemeente komen waar vrouwen in het ambt zitten die niet meer weg te denken zijn of in situaties waar wij vrouwen in het ambt moeten bevestigen kunnen wij onze roeping eenvoudig niet vervullen. Maar het komt ook voor dat een vrouw in de kerkeraad zegt: als u een beroep wilt aannemen zal ik te zijner tijd wel bedanken. Je moet niet vergeten dat veel van die gemeenten op een bepaalde manier zijn geleid in het verleden, dat ze in vele opzichten uitgemergelde gemeenten zijn — nou, hebben wij daar een roeping, ja of neen?

Wij staan als hoofdbestuur geheel achter het nobele streven van de mensen die op moeilijke plaatsen met Gods Woord willen dienen. Maar wij herinneren er elkaar voortdurend wel weer aan dat onze roeping grenzen heeft.

De liturgische kwestie ligt nog moeilijker. De Geref. Bond heeft altijd haar beginsel gekozen in kerkordelijke bepalingen van Dordt en er is geen sprake van dat wij dat standpunt hebben verlaten. Je kunt echter de liturgische opstelling niet verabsoluteren. Qua soortelijk gewicht is het niet net zo'n zwaar wegende zaak als het stuk van de verkiezing of de verzoening.

Een van de zestiende-eeuwse synodes heeft ook zoiets gezegd naar Gelderland toe: als het de gewoonte is dat er gezangen gezongen worden, accepteert dat dan, maar wel met de bedoeling om de gemeenten de psalmen te leren zingen.

Anderzijds zijn we ook steeds bezig met elkaar te spreken om niet van de ene concessie op de andere te komen en zo op den duur ons gereformeerd karakter te verliezen.

Kijk uit, zo zou ik willen zeggen, dat we niet de kracht van de Geref. Bond zoeken in het feit dat er natuurlijk niet ritmisch wordt gezongen, dat we tegen het Liedboek zijn, tegen de vrouw in het ambt en ga zo maar een poosje door. Als daarin onze kracht ligt zijn wij zwak. Wanneer wij vanuit het hart van de zaak — de roeping met het Woord — oordelen, met het zicht op het geheel van de kerk, dan alleen staan wij sterk en zo alleen kan de Geref. Bond in de vaderlandse kerk zijn wat zij uit kracht van haar beginsel steeds zoekt te wezen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.