+ Meer informatie

Naar de Katechisatie

5 minuten leestijd

82.

DE NAAM CHRISTUS (4)

Melchizedek

Christus is geen Hogepriester naar de ordening van Aaron, want Hij was niet uit de stam van Levi, waaruit de priesters waren, maar Hij was uit de stam van Juda, de koningsstam.

We hebben in onze vorige les besproken, dat het Levitische priesterschap een tijdelijke vervanging was, omdat Christus nog niet in het vlees gekomen was. Het schaduwde wel Christus’ rijk af. Maar het was een vergankelijk priesterschap, dat voortgezet werd door opvolging van vader op zoon.

Christus is Hogepriester naar de ordening van Melchizedek. Daarin komt Zijn eeuwig priesterschap uit, maar ook eraan verbonden Zijn eeuwig Koningschap. Want Melchizedek was priester en tegelijk koning van Salem, later Jeruzalem genoemd.

Wie was deze Melchizedek?

We lezen van hem bij zijn ontmoeting met Abraham na het verslaan van de vier koningen, beschreven in Genesis 14.

De koning van Sodom toog uit Abraham tegemoet. Bij deze gelegenheid bracht Melchizedek, koning van Salem, brood en wijn voort en zegende Abraham. „En hij was een priester van de allerhoogste God”, zo lezen we in vers 18.

In de Hebreënbrief lezen we nader van Melchizedek. Zeer opmerkelijk staat in Hebr. 7 : 3 dat hij was „zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsrekening, noch beginsel der dagen, noch einde des levens hebbende”. Dit zou ons tot de vraag kunnen brengen: was deze Melchizedek dan wel een gewoon mens? We moeten echter de betekenis en bedoeling van deze tekst verklaren in het licht van Melchizedeks priesterschap. Want dit priesterschap was geen priesterschap voor opvolging. „Zonder vader en moeder” wil zeggen, dat zijn voorgeslacht en nageslacht geen priesterlijke bediening had. Het priesterschap van Melchizedek was een zgn. „éénmalig” priesterschap. Daarop wijzen de verdere uitdrukkingen in Hebr. 7 : 3. Zijn priesterschap beeldde af een eeuwig priesterschap, dat verbonden was aan Melchizedeks koningschap. Priester en koning dus tegelijk. We weten, dat deze onder Israël gescheiden waren. Een koning mocht geen priesterdienst verrichten. Daarom werd koning Uzzia zo zwaar gestraft met melaatsheid, nadat hij in de tempel des lleeren reukwerk offerde op het reukaltaar (2 Kron. 26).

Hoe moeten we nu Melchizedeks priesterschap verklaren?

Allereerst dient opgemerkt, dat deze priesterkoning buiten de bijzondere openbaring stond, zoals de Heere die aan Abraham en Israël gegeven had, de openbaring Gods in Christus, boven dus de algemene openbaring Gods in de natuur.

Dat hij een priester des allerhoogsten Gods was en een koning der gerechtigheid (want dit is de betekenis van de naam Melchizedek) wijst erop en verklaart, dat hij een persoon was uit die algemene openbaring, maar dan zó, dat hij toch zijn priesterlijk koningschap op bijzondere wijze, rechtstreeks van God had gekregen. Dit ligt ook opgesloten in Hebr. 7 : 3. Als „koning der gerechtigheid” regeerde hij temidden van de goddeloze Kanaanieten en wel als een rechtvaardig, vreedzaam koning. Dit blijkt ook bij Abrahams ontmoeting. Hij stond tegenover Abraham niet als een vijand of als een vreemde indringer, maar als één, die dezelfde God vereerde. Hij zegende Abraham. Ja, Abraham erkende hem zelfs als zijn meerdere, want hij gaf hem de tienden. Zie ook Hebreën 7.

Hierin treedt een zeer schone gedachte naar voren, welke ook Hebreën 7 beschrijft.

Abraham gaf aan Melchizedek de tienden.

In Abraham lag reeds het Levitisch priesterschap begrepen. En nu buigt hier als het ware het Levitisch priesterschap vóór het priesterschap van Melchizedek, het meerdere, afbeeldend het eeuwige priesterschap van Christus!

In Melchizedek zien we een ambtsdrager, die nog de vreze van de Naam des Heeren heeft bewaard, niettegenstaande hij stond buiten de bijzondere openbaring. Zijn priesterlijk koningschap was als het ware nog een naglimp van het oorspronkelijke priesterschap en koningschap van Adam. Vandaar dat Christus Hogepriester was „naar de ordening van Melchizedek”. Dit heeft ook David mogen verstaan, zoals blijkt uit Psalm 1 10.

En nu zegt de apostel in Hebr. 7: „Maar Deze (Christus) omdat Hij in der eeuwigheid blijft, heeft een onvergankelijk priesterschap; waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden”.

Hebt u ook voor deze algenoegzame Hogepriester en Koning leren buigen? Hem de tienden gegeven?

Annas en Kajafas weigerden dit, want zij erkenden Christus als zodanig niet in hun vijandschap en eigengerechtigheid. Zij hebben Hem uitgeworpen! O, dit doen wij allen van nature. Wij willen behouden worden door onze eigenwillige godsdienst en eigengerechtigheid. Ach, leerden we dit inzien om nog als een arm. schuldig, doemwaardig zondaar gezaligd te worden. Zo zal ook die enige en eeuwige Priester-Koning ons noodzakelijk, beminnelijk en gepast worden. Buiten Hem is er geen zaligheid en vrede, maar een eeuwig zielsverderf. De eeuwigheid wenkt. O, bedenk nog wat tot uw vrede is dienende eer het voor eeuwig te laat is.

Jonge mensen kunnen ook sterven. Op zeer droeve wijze is dit weer hier in Urk gebleken. Dinsdagmorgen 1 5 september om 7.30 uur moesten we de ontzettende tijding brengen aan ouders uit onze gemeente, dat hun jongen van 22 jaar de afgelopen nacht de dood in de golven heeft moeten vinden, doordat de sleepboot, waarop hij schipper was, kapseisde. Ontroerende roepstem! Daarom: „Gedenk aan uw Schepper in de dagen uwer jongelingschap, eer dat de kwade dagen komen”. O, haast u om uws levens wil!

Urk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.