+ Meer informatie

Zuilvorming op lokaal niveau

Protestanten begonnen eerder, maar rk-verzuiling was massaler

4 minuten leestijd

Over het verschijnsel verzuiling is in de loop der jaren al heel wat gepubliceerd. Was hier sprake van een typisch Nederlands verschijnsel of heeft de verzuiling zich bij ons alleen maar wat sterker voorgedaan dan in andere Europese landen? Was er in socialistische kring ook sprake van verzuiling of is het ontstaan van de sociaal-democratische nevenorganisaties niet op één lijn te plaatsen met de zuilvorming in confessionele kring?

Daarbij is liet best interessant om algemene theorieën te ontwikkelen, maar het is minstens even belangrijk om nu eens heel concreet na te gaan hoe de verzuiling zich in allerlei plaatsen feitelijk heeft voltrokken. In hoeverre was er verschil tussen stad en platteland, tussen meer dynamische en meer statische gebieden, tussen plaatsen waar één levensbeschouwelijke richting overheerste en plaatsen waar van zo'n meerderheidspositie geen sprake was?

Op dat punt ligt vooral de waarde van het dit voorjaar verschenen proefschrift van Paul Pennings "Verzuiling en ontzuiling: de lokale verschillen". Daarin wordt een nauwgezette analyse gegeven van de opbouw, instandhouding en neergang van plaatselijke zuilen in verschillende delen van ons land na 1880.

Begin

Opnieuw wordt hieruit duidelijk dat de verzuiling begonnen is in protestants-christelijke kring. Daar waren ook voor 1880 al allerlei organisaties opgericht, met name in de steden. De rooms-katholieken kwamen veel later, maar toen in rooms-katholieke kring de verzuiling onder kerkelijke leiding eenmaal op gang kwam, nam die ook massale vormen aan.

De sociaal-democratische verzuiling was maar beperkt van omvang. Bovendien ontbrak hier, in tegenstelling tot bij de confessionelen, het beschermingsmotief. ProtestanOok binnen het onderwijs vond verzuiling plaats ten en rooms-katholieken richtten eigen scholen en eigen vakbonden op om hun kinderen resp. arbeiders tegen verkeerde invloeden te beschermen. Dat gezichtspunt was bij de sociaal-democratische verzuiling niet aan de orde. Daar stond de verzuiling primair in het teken van de machtsvorming.

Onderwijs of caritas?

Kern van de protestants-christelijke verzuiling was het onderwijs. Bij de rooms-katholieken was dat de sociale en medische zorg. Dat behoeft ons niet te verbazen. In protestants-christelijke kring is altijd veel nadruk gelegd op het "onderwijzen of te doen onderwijzen" uit het doopformulier, terwijl bij de rooms-katholieken het doen van goede werken centraal stond.

Het CNV is in 1909 begonnen als interconfessionele vakcentrale, gemengd rooms-katholiek/protestant, zoals het nu ook weer is. Uit het onderzoek van Pennings blijkt dat in de beginjaren (zo rond 1915) het CNV in rooms-katholieke gemeenten bepaald niet ondervertegenwoordigd was. Onder druk van de bisschoppen, die aparte rk-vakbonden wilden onder kerkelijke leiding, verlieten de rk-arbeiders al spoedig het CNV, dat daardoor (tijdelijk) een specifiek protestants karakter kreeg.

Uit de cijfers van Pennings over de periode 1915-1930 wordt tevens duidelijk dat het socialistische NVV Foto Nat. Schoolmuseum ook op het orthodox-protestantse platteland een zekere aanhang had. In ieder geval meer dan in typisch rooms-katholieke plaatsen. Daar voegden de arbeiders, voor zover ze zich organiseerden, zich gehoorzaam bij de rk-vakbonden.

Kerkelijk inzicht

Alles bij elkaar genomen heeft de studie zeker haar verdiensten, met name door het lage abstractieniveau waarop de verzuiling bestudeerd wordt. De vele tabellen met indexen bevorderen echter de leesbaarheid niet. Waardevol is zeker het overzicht van de verzuilingstheorieën en de belangrijkste literatuur die in het inleidende hoofdstuk wordt gegeven.

Het feit dat het proefschrift uitgegeven is bij Kok en de auteur thans verbonden is aan de VU (na aan de Universiteit van Amsterdam gestudeerd te hebben en gepromoveerd te zijn) zou kunnen wijzen op enige vertrouwdheid van de jonge doctor met de protestants-christelijke wereld. Grote blunders worden er op dit punt door hem niet gemaakt, maar hier en daar gaat er toch wel iets fout.

Het is toch bepaald niet juist om (bij de samenvatting van mijn proefschrift) de bevindelijk gereformeerden te omschrijven als „een groep die sinds 1907 de Gereformeerde Gemeenten vormt en sinds 1918 de aanhang vormt van onder andere de SGP". „Sommige bevindelijke gereformeerden waren ook' lid van de Gereformeerde Bond en de Christelijke Gereformeerde kerk", zo wordt daar verder dan nog aan toegevoegd.

Evenmin klopt de vermelding dat in 1869 een deel van de Afgescheidenen zich met een deel van de Kruisgezinden verenigde tot de Christelijk Gereformeerde kerk in Nederland. Evenzo lijkt het mij onjuist om te stellen dat de CHU bestond uit vrijzinnige en protestantse stromingen. In de eerste plaats waren vrijzinnigen (in de gangbare terminologie) ook protestant, maar het door Pennings gehanteerde begrip vrijzinnigheid is te breed. Hij rekent daartoe alle hervormden van wie de predikant niet tot de Gereformeerde Bond of de Confessionele Vereniging behoort. Dus ook de ethischen. Zodoende stuit hij op het vrijzinnige Uithuizen, dat tevens een bolwerk van de CHU blijkt te zijn.

Beperkt verzuilingsdoel

Als maatstaf voor de verzuiling hanteert Pennings in de meeste gevallen het aantal verzuilde organisaties gerelateerd aan het totaal aantal organisaties. Ledentallen blijven, behalve als het gaat om de

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.