+ Meer informatie

OPENINGSWOORD LANDELIJKE AMBTSDRAGERSCONFERENTIE OP ZATERDAG 25 APRIL 1992 IN DE ICHTHUSKERK IN AMERSFOORT

7 minuten leestijd

Geachte broeders,

Regelmatig wordt de klacht gehoord dat binnen het klimaat van onze samenleving - ik doel dan allereerst en vooral op onze Nederlandse samenleving - steeds minder ruimte wordt gegund aan het christelijke levensbeginsel en steeds minder respect wordt getoond voor hen de hun leven en dat van de samenleving in brede zin, beheerst willen zien door het Woord van God. Wie in de politiek voor de oplossing van maatschappelijke vragen, in de benadering van ethische problemen en voor de beoordeling van allerlei maatschappelijke verschijnselen, uitgangspunt zoekt in het Woord van God, mag vandaag - zo schijnt het velen toe - hooguit rekenen op een zekere welwillendheid in het aanhoren van de argumenten, maar de verdraagzaamheid waarmee dat gebeurt, lijkt soms méér door de code van burgerlijk fatsoen dan door eerbied voor het christelijk standpunt te worden beheerst. Christenen worden met hun aan Gods Woord gerelateerde opvattingen nog wel getolereerd, maar een al te geprononceerde (overtuigende en indringende) presentatie daarvan wordt niet meer begeerd.

De bruikbaarheid van de bijbel voor de oplossing van vragen en problemen van vandaag wordt door de moderne mens nog slechts beperkt geacht. Wat destijds in een heel andere cultuur en onder toen geldende omstandigheden door profeten, evangelisten en apostelen aan papier werd toevertrouwd, kan in een geëvolueerde wereld als de onze nog slechts beperkte betekenis hebben. In de ontwikkeling naar méér mondigheid en vrijheid wordt door mens en samenleving een consequent orthodoxe uitleg van de bijbel vandaag in elk geval als een “spaak in het wiel” ervaren, een gevoel dat in niet geringe mate verband lijkt te houden met het geslonken besef dat achter de ons toevertrouwde heilige schrifturen werkelijk een persoonlijke God staat, tot wie mens en samenleving voor al hun doen en laten in een verhouding van rechtstreekse verantwoordelijkheid staan. Wanneer een samenleving, generaties lang gedrenkt in en beheerst door christelijke waarden en beginselen, aan dit besef ontzinkt, is weinig anders te vrezen dan onwelwillendheid en onbegrip tegenover degenen die daaraan nog wel willen vasthouden. En deze onwelwillendheid manifesteert zich dan al heel sterk bij hen die binnen de kring van het christelijk geloof zijn geboren en gebakerd, die in de atmosfeer van het Woord van God hebben geademd, het “juk” van zich hebben afgeschud en zich nu van hun emotionale gebondenheid aan hun godsdienstig verleden trachten te ontdoen door op verfijnde of grove wijze er tegen aan te trappen. Vaak met een feilloos richtingsgevoel voor de meest kwetsbare plekken…..

Op de koerslijst in onze westerse samenleving noteert het christelijke geloof steeds lager.

Op twee dingen valt hier te wijzen. Allereerst dat de gemeente van Christus en de gelovigen persoonlijk zich hierover niet al te zeer moeten verwonderen: “Indien de wereld u haat, weet dan, dat zij mij eer dan u gehaat heeft. Indien gij van de wereld waart, zou de wereld het hare liefhebben, doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar ik u uit de wereld uitgekozen heb, daarom haat u de wereld”.

Deze woorden van Jezus Christus hebben ook voor Zijn gemeente in de wereld van nu geldigheid en misschien moet worden gezegd, dat het niet voor die gemeente pleit wanneer de ernst en de vervulling van deze woorden vandaag niet zouden worden ervaren. Een gemeente van Christus die in deze wereld geen tegenspraak ondervindt, is waarschijnlijk een dode gemeente, uit wier handel en wandel niet het dragende beginsel van het Evangelie kan worden afgelezen. Onder dat dragende beginsel te verstaan het leven uit de verzoening van de mens met God door het kruisoffer van Christus en als uitvloeisel daarvan de inrichting van het leven naar de wereld toe naar het gezegende voorbeeld van Hem die deze verzoening tot stand bracht.

Nu kan niet worden gezegd dat het de kerk in de wereld vandaag aan tegenspraak ontbreekt. De vraag is echter - en dat is het tweede waarop moet worden gewezen - of de tegenspraak die het christelijk geloof ondergaat niet dikwijls ook voedsel vindt in het gedrag van hen die zeggen dat geloof voor te staan. De haat van de wereld is er soms ondanks ons, maar niet zelden ook dank zij ons. Als christenen persoonlijk en in de verbanden waarin wij als gemeente van Christus in deze wereld functioneren, zouden we onszelf kritischer moeten afvragen of we in veel, waarmee de wereld ons nu eens schimpend dan weer ridiculiserend (belachelijk makend) om de oren slaat, niet “koekjes van eigen deeg” moeten herkennen. Want laten we ons goed bewust zijn dat de wereld scherp toeziet. De bewegingen op het christelijk erf worden door het verfijnde radarwerk van in godsdienst gespecialiseerde critici en cabaretiers nauwkeurig geregistreerd. In actualiteitsrubrieken van de media zal niet worden nagelaten bij al of niet vermeende ontsporingen van vooraanstaande figuren op maatschappelijk gebied, ijverig na te trekken of het leven van de betrokkenen wellicht ook een godsdienstige achtergrond heeft, Wanneer ergens in Nederland twee aan elkaar verwante maar door persoonlijke tegenstellingen gescheiden kerkgemeenschappen voor de wereldlijke rechter hun terechte of vermeende aanspraak op een kerkgebouw uitvechten dan vindt men dat in de kolommen van het regionale dagblad breed uitgemeten.

We spreken dan maar niet over de grote verwarring die wij gereformeerden laten zien in onze hulpeloze pogingen om met elkaar in ons kerk zijn en in dingen van geloof en leven op één spoor te komen. Als wij werkelijk zouden beseffen hoeveel schade we - èn naar binnen èn naar buiten - daardoor aanrichten dan zou het anders gaan dan het nu gaat. Onlangs is een boek verschenen dat als grondgedachte heeft dat alle geloof, ook het christelijke geloof, een zaak van beneden en niet van boven is. In de manier waarop we als gereformeerden - ik denk dan vooral aan gereformeerden (vrijgemaakt), Nederlands-gereformeerden en christelijk-gereformeerden - met elkaar bezig zijn, lijken we dat te bevestigen. We zitten vast in geloofssystemen die wel zelf bedacht en gekoesterd hebben, die historisch zijn gegroeid en die op onderdelen misschien niet zonder waarde zijn, maar die ver afstaan van dat waarom het wezenlijk gaat. Wat heeft het weinig te maken met de grote en fundamentele geloofsvragen waarvoor we vandaag staan. De wereld kookt en gist aan alle kanten. In onze cultuurkring verhevigen zich de pogingen om uit het christelijk geloof het hart van “de voldoening door verzoening” weg te snijden; de theorie van de oerknal lijkt nu echt om een aangepaste visie op het scheppingsverhaal te vragen, als we Amerikaanse onderzoeksresultaten moeten geloven.

Als ware het stil om ons heen, temidden van dit alles en nog méér, praten wij gereformeerden binnen de vicieuze cirkel van menselijke patronen over geloofsbeleving en inzichtelijkheden, waarvan de betekenis verbleekt bij wat er godsdienstig mondiaal en nationaal aan de orde is. De vloed van het syncretisme komt steeds hoger te staan; de depreciatie van het christelijke geloof neemt steeds emstiger vormen aan door de rationale houdbaarheid ervan steeds indringender aan de orde te stellen. Laten we als gereformeerden samen de wacht betrekken, want het is geen pathetiek als we constateren dat de dijk op breken staat. Wie dat niet ziet is blind. Wie daaraan geen conclusies verbindt voor ons kerkelijk doen en laten - naar binnen en naar buiten - ten opzichte van elkaar en naar de wereld toe - mag zich afvragen wat het christelijk geloof voor hen of haar werkelijk betekent.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.