+ Meer informatie

Het avondmaalsformulier (52)

8 minuten leestijd

“…en uw hongerige en dorstige zielen met dit Mijn gekruisigd lichaam en vergoten bloed tot het eeuwige leven spijze en lave, even zeker als een iegelijk dit brood voor zijn ogen gebroken en deze beker hem gegeven wordt en gij die tot mijn gedachtenis met uw mond eet en drinkt.”

Christus brengt de Zijnen aan Zijn tafel, opdat Hij ze met het brood van Zijn lichaam voeden zal en met de wijn van Zijn bloed zal laven. Dat brengt Olevianus, de schrijver van ons avondmaalsformulier, de deelnemers aan de heilige maaltijd in herinnering. Hij doet dat in een bepaald verband, zoals we de vorige keer lazen. Hij wijst erop dat de Heere Jezus hen die Hem toebehoren Zijn hartelijke liefde en trouw jegens hen betuigen wil. Sterke woorden worden in dit verband gebruikt. Christus vermaant en verzekert hen. Er is Hem, met eerbied gesproken, veel aan gelegen dat ze het weten zouden. Wát weten zouden? Datgene waarin Zijn “liefde en trouw” blijkt. En dat zijn twee dingen. Het eerste is Zijn plaatsvervangend lijden en sterven, Zijn borgtochtelijke weg: “Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven…” Het wijst op Zijn werk buíten hen, ofwel de heilsverwerving. Het tweede is Zijn trouwe zorg voor hen in het schenken en onderhouden van het geloof. Het wijst op Zijn werk ín hen, ofwel de heilstoepassing. En dat alles is “even zeker” waar, als dat de avondmaalganger het brood met zijn hand neemt en de beker met zijn mond drinkt. Zo blijkt dat Christus niet alleen een Zaligmaker van verwerving, maar ook een Zaligmaker van toepassing is. Tot troost van het arme en ellendige volk dat op Zijn Naam leerde betrouwen en uit Zijn werk leerde leven. Omdat ze te arm en te nooddruftig zijn om het niet te doen.

Spijzen en laven
Bij dat “spijzen en laven” – daarbij staan we nu een ogenblik stil. Het is een uitdrukking die natuurlijk helemaal behoort bij een maaltijd. Wij nuttigen onze dagelijkse maaltijden met het doel dat onze honger zou worden gestild en dat we door het voedsel dat we tot ons nemen nieuwe energie zouden opdoen. Door middel van het eten en het drinken, het vaste en het vloeibare voedsel, worden we “gespijzigd en gelaafd.” Als de Heere Jezus op de avond voordat Hij lijden ging, met Zijn discipelen het Pascha heeft gevierd, neemt Hij het brood en zegt tot hen: “Neemt, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt.” Daarna neemt Hij ook de drinkbeker: “Drinkt allen daaruit…” Hij reikt hun dus brood en wijn aan en beveelt dat te eten en te drinken. Daarbij verwijst de Heere Jezus weliswaar naar Zijn lichaam en Zijn bloed. Maar het bevel tot eten en drinken heeft op niets anders betrekking dan op dat feitelijke brood en die feitelijke beker die Hij hun aanreikt. Dat is het dat ze eten en drinken moeten – en mógen…

Maar hier in ons avondmaalsformulier gaat de strekking van de woorden verder. Hier betreft het eten en drinken (en zo ook het spijzen en laven) niet het gebakken en gebroken brood en de geperste en vergoten wijn. Maar hier betreft het “dit Mijn gekruisigd lichaam en vergoten bloed.” Letterlijk bezien heeft de Heere Jezus het zó bij de instelling van de maaltijd des Heeren niet gezegd. Maar toch mogen we zeggen dat Olevianus de zin van de Schriften niet overschrijdt. Dat hij het zo geschreven heeft, wijst op zijn fijngevoelig geestelijk inzicht. En niet minder op zijn bevindelijke kennis van het leven in de gemeenschap met Christus. Want daarover gaat het hier.

Het Brood des levens
De woorden die we op dit moment bespreken, hebben alles te maken met wat we lezen in Johannes 6. Daar is de Heere Jezus in gesprek met de schare van Kapernaüm. Ze hadden de vorige dag het wonder van de vermenigvuldigde broden meegemaakt. Gretig volgen ze Hem opnieuw, begerig naar nieuwe wonderlijke daden. Ze stellen een goede vraag aan de Heere Jezus. “Wat zullen wij doen, opdat wij de werken Gods mogen werken?” [28]. In Zijn antwoord wijst de Heere Jezus op Zichzelf: “Dit is het werk Gods dat gij gelooft in Hem die Hij gezonden heeft” [29]. Ze begrijpen het direct: het gaat om het geloof in Hem die voor hen staat. Maar ze zouden het wel eens met een teken bevestigd willen zien, dat Hij echt door God de Vader gezonden is. Was dat immers ook niet geval met Mozes eertijds? Hij had er voor gezorgd dat “onze vaders het manna gegeten hebben in de woestijn” [31]. De Heere Jezus gaat op dit voorbeeld in. Niet Mozes heeft u dat brood uit de hemel gegeven, zo corrigeert Hij hen, maar “Mijn Vader geeft u dat ware Brood uit de hemel. Want het Brood Gods is Hij die uit de hemel neerdaalt en die aan de wereld het leven geeft” [32v.]. Even later zegt de Heere Jezus het hun rechtuit: “Ik ben het Brood des levens. (…) Dit is het Brood dat uit de hemel neerdaalt, opdat de mens daarvan ete en niet sterve. Ik ben dat levende Brood dat uit de hemel neergedaald is. Zo iemand van dat Brood eet, die zal in der eeuwigheid leven. En het Brood dat ik geven zal, is Mijn vlees, hetwelk ik geven zal voor het leven der wereld” [48-51]. Dit Zelfgetuigenis van de Heere Jezus roept ergernis en weerstand op. In onbegrip reageren ze, in een onderlinge woordenstrijd: “Hoe kan deze Zijn vlees te eten geven?” [52]. Dan spreekt de Zaligmaker de diepe woorden: “Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: tenzij dat gij het vlees van de Zoon des mensen eet en Zijn bloed drinkt, zo hebt gij geen leven in uzelf. Die Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven. En Ik zal hem opwekken ten uitersten dage” [53 v.].

Het is natuurlijk duidelijk dat de Heere Jezus in dit aangrijpende gesprek met de Joden van Kapernaüm niet rechtstreeks het oog heeft op het eten en drinken van het heilig Avondmaal. In deze rede ontmaskert hij het ongeloof van de Joden. Ze nemen aanstoot aan Zijn getuigenis als de Gegevene van de Vader, als het Brood dat uit de hemel is neergedaald. De Heere Jezus betuigt het onomwonden: “Ik ben het Brood des levens. Die tot Mij komt, zal geenszins hongeren, en die in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten” [35]. Maar vanuit deze zelfde woorden schijnt er wel licht op die diepe betekenis van het heilig sacrament. Zo heeft Olevianus het verstaan. Zo hebben ook de Statenvertalers het in hun kanttekening bij Johannes 6 gelezen. In zijn uitleg van het formulier wijst ook B. Wielinga op deze verklaring. Wanneer de Heere Jezus zegt: “Het Brood dat Ik geven zal, is mijn vlees, hetwelk ik geven zal voor het leven der wereld” [51], dan is dat een profetie van Zijn borgtochtelijk sterven aan het kruis. Bij het woord vlees in deze tekst schrijven de kanttekenaars: “Dat is: Mijn menselijke natuur, die Ik aan het kruis zal overgeven tot een verzoenoffer voor de zonden der uitverkorenen van de gehele wereld, opdat dezelve daardoor de vergeving der zonden en het eeuwige leven verkrijgen.” En bij vers 53 lees ik: “Tenzij dat gij in Mij gelooft, die Mijn lichaam aan het kruis in de dood zal overgeven en Mijn bloed zal storten tot vergeving der zonden. Want Christus spreekt hier niet van het uiterlijke eten, dat in het Avondmaal geschiedt, alzo hetzelve toen nog niet was ingesteld, maar van het geestelijke eten, dat is: Christus met waar geloof aannemen, en daardoor met Hem verenigd worden, hetwelk door het uiterlijke eten in het Avondmaal betekend wordt.”

Gemeenschap
De woorden die Olevianus in het formulier kiest, tonen ons zijn diepe verstaan van het “eten en drinken van Christus”, waarbij hij ongetwijfeld aan de woorden uit Johannes 6 heeft gedacht. Met Zijn gekruisigd lichaam en Zijn vergoten bloed spijzigt en laaft Christus al de Zijnen, als zij namelijk door een waarachtig geloof Zijn vlees eten en Zijn bloed drinken. Dat laatste is niet beperkt tot het Avondmaal, maar het wil wel dieper verstaan en beoefend worden door middel van dit sacrament. Zoals brood, wijn en alle ander voedsel door middel van het eten als het ware onderdeel van ons eigen lichaam wordt, zo is het in hen die “Christus eten en drinken”, namelijk die in Hem geloven. Het ware geloof doet delen in de Zoon van God en schenkt een geestelijke gemeenschap met Hem die tot Spijze en Drank voor de Zijnen is. Een zodanige gemeenschap zelfs dat ze te vergelijken is met de eenheid die er is tussen de Vader en de Zoon. Als de Heere Jezus het niet Zelf had gezegd, had ik het niet durven neerschrijven. Maar Hij Zelf betuigt het: “Gelijkerwijs Mij de Vader gezonden heeft en Ik leef door de Vader – alzo die Mij eet, dezelve zal leven door Mij” [57]. Dan kan het niet anders: “Die dit Brood (namelijk Christus) eet, zal in der eeuwigheid leven” [58]. En deze waarheid is voor degenen die door genade in Christus zijn (en Hij in hen!) “even zeker als een iegelijk dit brood voor zijn ogen gebroken en deze beker hem gegeven wordt en hij die tot zijn gedachtenis met de mond eet en drinkt.” Wat daalt de Heere laag af…

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.