+ Meer informatie

HEILSEGOÏSME

5 minuten leestijd

De term boven dit artikel wordt in de laatste tijd nogal eens gebruikt om een bepaalde houding tegenover het Evangelie af te keuren. Het gaat dan om de houding van: „Als fk maar in de hemel kom; dat is het belangrijkste. Wat er verder met de wereld om mij heen, zelfs met mensen om mij heen gebeurt, gaat mij niet aan”.

Als ik deze houding zo typeer, is direct duidelijk dat zij van een niet te verdedigen eenzijdigheid uitgaat. Die ‘eenzijdigheid doet de aandacht zo op de persoon zelf betrokken zijn, dat er voor anderen geen belangstelling meer is.

Deze houding is in strijd met alles wat wij in de Bijbel lezen over liefde, verantwoordelijkheid en opdracht. Als liefde de vervulling van de wet is, zoals Paulus in Rom. 13: 10 schrijft, dan kan niemand om de naaste heen. De naaste moet niet alleen in gehoorzaamheid aan de geboden geëerbiedigd worden. Hij moet evenzeer „geliefd” worden, omdat het Evangelie ook voor hem bestemd is. Gods liefde is nooit een privé aangelegenheid van of voor één mens. Zij richt zich op de wereld (Joh. 3: 16). Zij moet dan ook „aan al de volken” gepredikt worden (Matth. 20: 19).

Egoistisch alleen aan zichzelf te denken, en zich om anderen niet te bekommeren betekent ingaan tegen de diepste bedoelingen van het Evangelie van Jezus Christus. Paulus vermaant dat de gezindheid van Christus in ons zal zijn. Reden voor dat vermaan is de daad die Christus Zelf gesteld heeft. Hij kwam uit de heerlijkheid die Hij bij de Vader had en heeft Zich vernederd door Zich te ontledigen en de gestalte van een slaaf aan te nemen (Fil. 2: 5-8).

Intussen wordt dat verwijt van heilsegoïsme ook wel in een nog ander verband gebruikt. Men wil er dan mee afwijzen elke aandacht die een mens zou geven aan eigen zaligheid. Dan wordt de tegenstelling aldus geconstrueerd: De roeping van een christen ligt op aarde. Hier moet hij zijn taak vervullen. Aandacht voor de hemel en het zalig worden is uitdrukking van een verkeerde levenshouding.

Men voelt het verschil met wat ik aan het begin van dit artikel beschreef. Hier wordt niet maar een duidelijke egoïstische levenshouding afgewezen. Hier wordt eigenlijk het goed recht aan een christen ontzegd om zich bezig te houden, of zelfs bezorgd te zijn over de vraag of hij wel zalig zal worden. Een dergelijke vraag, zo redeneert men dan, leidt de aandacht af van wat een christen op aarde heeft te doen. Zij zou uitdrukking zijn van een ongezonde belangstelling voor eigen behoud. Zij zou doen voorbijzien aan de roeping die een christen hier, in dit leven heeft.

Nu is het ongetwijfeld voorgekomen dat belangstelling voor of bezorgdheid om eigen zaligheid gegaan is ten koste van zicht op de opdracht die christenen hebben voor dit leven. Wie dus werkelijk het een tegen het ander wil uitspelen, werpt een dilemma op, dat vanuit de Bijbel moet worden afgewezen. Bezig zijn met eigen zaligheid mag niet gaan ten koste van aandacht voor de roeping op aarde. Wie het vermaan in de brieven op zich laat inwerken, ontdekt dat het een christen steeds weer verwijst naar het leven, hier en nu. Als voorbeeld noem ik nu maar Col. 3:5-17. Men kan echter ook tal van andere passages uit de brieven van Paulus, Petrus èn Johannes noemen.

We wijzen een dergelijk dilemma hartgrondig af. Aandacht voor het hiernamaals mag niet gaan ten koste van aandacht voor hier en nu, als ik het eens mag zeggen in termen, die tegenwoordig wel gebruikt worden. Het ware beter om enkel bijbelse termen te gebruiken. Het kan de begrijpelijkheid ten goede komen om het in de zojuist gebezigde termen te zeggen.

Als we zo misverstanden naar verschillende kanten hebben afgewezen, blijft duidelijk overeind staan dat er in de Bijbel steeds weer aangedrongen wordt op het ernst maken met eigen behoud. Wie voor die ernst aandacht vraagt, verdient niet het verwijt van heilsegoïsme. Ik geef weer enkele voorbeelden. Paulus, de grote heidenapostel, tuchtigt zijn lichaam en houdt het in bedwang, „om niet, na anderen gepredikt te hebben, wellicht zelf afgewezen te worden” (1 Cor. 9:27). Bij alle ijver om anderen te winnen (men zie de voorgaande verzen 19-22) vergeet hij zichzelf niet. Hij schreef zelfs in vers 23: „Alles doe ik terwille van het evangelie, om er zelf ook deel aan te krijgen”. Deze uitdrukking heeft hij kennelijk niet als een egoistische trek in zijn leven aangevoeld.

Ik wijs op het radicale in Joh. 3:36, waar van hem die aan de Zoon ongehoorzaam is, gezegd wordt, dat hij het leven niet zal zien „maar de toorn Gods blijft op hem”. Deze woorden vormen de afsluiting van een nodigende evangelieprediking. Een zelfde radicale uitspraak vinden we in 1 Joh. 5:12 waar het niet hebben van leven als een verschrikkelijke werkelijkheid wordt aangegeven. Men wordt voor die werkelijkheid gewaarschuwd. Men moet zich ervoor wachten dat dit ons zou overkomen. In Luc. 13: 23 spoort de Here Jezus aan om zalig te worden. „Strijdt om in te gaan door de enge poort”. Deze ernstige woorden worden afgesloten met een verwijzing naar het verschrikkelijk oordeel.

Die zelfde werkelijkheid van het voor eeuwig buitengesloten worden treffen we aan in Openb. 21: 8 en 22: 15, de laatste bladzij van de Bijbel. In de Schrift wordt gewaarschuwd tegen ongeloof, waardoor de zaligheid ons ontgaat. Men zie als treffende voorbeelden daarvan nog Hebr. 4:11 en 2: 3.

Deze ernst moet ook in de prediking doorklinken. Het is niet ondenkbaar dat vanwege het verwijt van heilsegoisme de waarschuwing uit de prediking verdwijnt. Dat verwijt is volstrekt ten onrechte. De Bijbel zelf wijst ons op de ernst van het verloren gaan. Die ernst moet ook in de prediking doorklinken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.