+ Meer informatie

KERKREGERING XVI

4 minuten leestijd

Is een diaken verkiesbaar tot ouderling?

Een broeder stelt de vraag of iemand die zitting heeft als diaken en nog niet aan de beurt van aftreding is op een dubbelgetal voor de verkiezing van ouderlingen mag geplaatst worden. Hij zelf vindt dat hiertegen geen principieel be-zwaar kan ingebracht worden, maar er zijn sommigen in zijn gemeente die eranders over denken en van oordeel zijn dat het eigenlijk niet geoorloofd is. Het antwoord op deze vraag kan kort zijn.

Het zou inderdaad ongeoorloofd zijn een diaken te candideren voor het ouderlingenambt, indien de diakenen, en trouwens ook de ouderlingen, voor hun leven gekozen werden. In dat geval zou iemand, die als diaken was gekozen, altijd diaken moeten blijven — hij zou nooit ouderling mogen of kunnen worden. Maar zo staan de zaken niet. Op de nationale synode van Middelburg, 1581, werd aan prof. Lambertus Danaeus, theologisch hoogleraar te Leiden, opgedragen over de vraag of ouderlingen en diakenen levenslang behoren te dienen, rapport uit te brengen. Dit heeft Danaeus gedaan. Hij kwam tot de conclusie, dat de Heilige Schrift zulk een levenslange dienst niet eist; de practische maatregel om de diensttijd tot een zeker aantal jaren te beperken was, naar zijn oordeel nodig om het insluipen van hiërarchie te voorkomen. Dit is altijd het gereformeerde standpunt gebleven.

Gaan we nu de historie na dan lijkt dat er in de oude Christelijke kerk geen vaste diensttijd bestond, maar dat het overal gewoonte werd om diakenen na een zekere tijd presbyter (d.i. ouderling), priester te maken. Men vond dat een bevordering! Deze gedachte aan promotie fundeerde men op wat Paulus zegt in 1 Tim. 3 : 13, waar staat dat de diakenen die wèl gediend hebben een goede opgang verkrijgen, of, volgens andere vertalingen, een ereplaats verwerven, of een goede en hogere plaats ontvangen. Het oorspronkelijke doet inderdaad denken aan opklimming. Maar dat de apostel hier denkt aan promotie tot een ander, hoger ambt, in dit geval het ambt van ouderling, is moeilijk aan te nemen. Ik ga in dit artikel een en ander niet nader uiteenzetten. Genoeg zij te weten, dat deze verklaring door velen afgewezen wordt. Reeds Calvijn deed dit in zijn commentaar op deze brief van Paulus. En na hem vele anderen; ik denk bijv. aan de bekende engelse theoloog John Owen, 1616-1683, die zich met de gedachte aan bij de Roomsen gebruikelijk geworden promotie van diaken tot priester in het geheel niet kon verenigen. Calvijn denkt bij deze tekst aan de eerbied en de achting, die men, door zijn dienst als diaken goed te vervullen, in de gemeente krijgt.

Maar genoeg. Als er dus geen Schrift u ui iijk voorschrift voor een levenslange diensttijd voor ouderhngen en diakenen bestaat, dan bestaat er ook geen principieel bezwaar om iemand die als diaken zitting heeft te candideren voor het ambt van ouderling. Als zo iemand door de gemeente gekozen en door de kerkeraad benoemd wordt dan verleent de kerkeraad hem om deze geldige reden ontheffing van de verdere vervulling van zijn dienststijd als diaken en dan kan in zijn vacature een ander gekozen worden die dan de resterende diensttijd zitting heeft.

Omgekeerd kan natuurlijk ook een ouderling gecandideerd worden voor diaken, maar dit zal wel niet zo veel voorkomen — het omgekeerde vindt vaker plaats. Over deze kwestie zou nog veel meer te zeggen zijn, maar we laten het hierbij. Alleen nog een tweetal opmerkingen.

Ten eerste. Het argument dat het diakenambt een goede voorbereiding is voor het bekleden van het ouderlingenambt is slechts ten dele juist. Calvijn ontkent niet dat de orde der diakenen somtijds een kweekschool gelijk kan zijn, waaruit ouderlingen genomen worden, maar hij wijst in zijn commentaar terecht op het feit dat de Schrift voor het vervullen van het diakenambt, andere gaven eist dan voor het bekleden van het ouderlingenambt. En zo is het. Iemand kan zulke gaven hebben ontvangen dat hij een zeer bekwaam diaken is, maar dat wil nog niet zeggen, dat hij ook gaven heeft voor het ambt van ouderling! Elk geval moet afzonderlijk beoordeeld worden .

Ten tweede. Ook in de kringen van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland bleek de door ons behandelde vraag te leven. Zij werd door ds K. de Gier in De Saambinder, 45e jg., no. 17, van 26 jan. 1967, geheel in dezelfde zin beantwoord als wij hierboven gedaan hebben.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.