+ Meer informatie

EENPARIGHEID VAN GEVOELEN

7 minuten leestijd

Vele gemeenten in ons kerkverband onderhouden contacten met andere gemeenten van gereformeerd belijden in dezelfde plaats of directe omgeving. Niet zelden gaan die contacten zo diep en wordt geestelijke herkenning zo groot dat men de weg gaat van wat in de kerkorde heet: ‘nauwer samenleven’; men onderzoekt de mogelijkheden om elkaar te herkennen als zustergemeenten alsof men beide tot hetzelfde kerkverband behoorde. Daarvoor zijn in de kerkorde procedurele en inhoudelijke regels vastgelegd, die u vindt in de bekende bijlage 8. En daar staat ook een bijzondere term: genoegzame eenparigheid van gevoelen.

DE GESCHIEDENIS

Voor de oorsprong van bijlage 8 K.O. moet men teruggaan naar de generale synode van 1965, Rotterdam. Daar diende een instructie van de particuliere synode van het Oosten, die luidde: ‘de generale synode bezinne zich op en geve richtlijnen voor de wijze waarop kerkeraden dienen te handelen die in samensprekingen met kerken van gereformeerd belijden tot een grote mate van eenheid in belijden zijn gekomen en aan deze eenheid gestalte zoeken te geven’.

De wieg van deze instructie is te zoeken en te vinden in de gemeente van Eindhoven. Daar was al geruime tijd sprake van steeds intensievere contacten tussen de kerkenraden van de chr. geref. en geref. (vrijgemaakte) kerk ter plaatse. Er was eenheid in erkenning en beleving van het Woord van God en de gereformeerde belijdenis en zo ging meer en meer de vraag knellen: kunnen wij het voor Gods aangezicht volhouden om gescheiden op te trekken?

Toen volgde een intensief traject langs de kerkelijke vergaderingen en uiteindelijk kwam het Oosten met bovengenoemde instructie. Op de breedste vergadering van de kerken ontstond daarover ook weer een intensieve bespreking, die verschillende keren werd opgeschort. De ervoor samengestelde commissie kwam enkele keren met bijgestelde voorstellen. Men kan het allemaal in de Acta van deze synode vinden. In het laatste voorstel - tevens tegen het eind van de synode - lezen we dan de zinsnede die vervolgens in het definitieve besluit van de synode terecht kwam: ‘De kerkeraad van de Christelijke Gereformeerde Kerk moet over de voorgenomen nauwere samenleving de gemeente horen en haar bewilliging vragen; slechts bij een naar het oordeel van de kerkenraad genoegzame eenparigheid van gevoelen in de gemeente kan de kerkeraad verdere stappen doen tot de voorgenomen nauwere samenleving’.

En zo kwam, ruim 45 jaar geleden dus al, de weg tot toenadering van kerken van gereformeerd belijden tot ontwikkeling. In relatie tot de Ned. Geref. Kerken (want in 1965 was de breuk die de Geref. Kerken (vrijg.) zou doen scheuren al te tasten en toen was veel sympathie te horen en te lezen - o.a. in De Wekker - voor degenen die buiten het verband van de GKv raakten), later in de jaren ‘90 in relatie tot de Geref. Kerken (vrijgemaakt); daarna ontstonden ook openingen naar gemeenten van gereformeerde belijdenis binnen de Ned. Herv. Kerk (later de PKN) en sinds de synode van 2010 naar de Hersteld Hervormde Kerk.

Daarmee wil ik maar zeggen: vele kerkenraden in onze kerken, in allerlei geestelijke variatie kunnen met deze regeling te maken krijgen. Zij is verschillende keren aangepast, uitgebreid en verminderd, maar de zin over de genoegzame eenparigheid van gevoelen van de gemeente is altijd als een belangrijk thema blijven staan, ook weer in de vernieuwde tekst van bijlage 8. Men vindt haar in hoofdstuk 2b.

BETEKENIS

Nu is het bedenken van een term één, maar haar begrijpen en toepassen is twee. Er zijn in de loop van de decennia telkens vraagtekens gezet bij de betekenis van de woorden ‘genoegzame eenparigheid van gevoelen’. Vooral de vraag: wat is genoegzaam? is vaak gesteld. De synode formuleerde het in 1965 en wijzigde het nooit, terwijl de tekst van de bijlage in de kerkorde toch verschillende keren kritisch is bijgesteld. Men kan daaruit de conclusie trekken dat de kerken de kerkenraden niet al te zeer hebben willen ‘vastpinnen’, bijvoorbeeld door een bepaald percentage te noemen. Altijd, en ook hier, is gehandeld vanuit het principe dat onze kerken een zogenaamde presbyteriaal-synodale kerkstructuur hebben. Dat wil zeggen dat plaatselijke kerkenraden in nauwe relatie staan tot de bredere vergaderingen en zich geestelijk congeniaal confronteren met de besluiten van die vergaderingen, maar dat niet voor niets in die kerkstructuur het presbyteriale (dus de plaatselijke ambtsdrager) voorop gaat. Bij de plaatselijke kerkenraad rust het primaat, om het duur te zeggen. En de synode wil daarbij de kerkenraad niet voor de voeten lopen. Zij geeft een belangrijk geestelijk signaal af: let op de eenheid van de eigen gemeente en zet geen stappen die die eenheid onder onverantwoorde spanning brengen, maar daarna trekt zij zich ook weer terug. En de kerkenraden wegen vervolgens dat signaal binnen de plaatselijke situatie.

CONCREET

Het is te begrijpen dat kerkenraden dat soms lastig vinden - maar anderzijds zouden ze het ook weer lastig vinden als de synode hen al te zeer aan banden legde… Toch is de synodale terughoudendheid goed te begrijpen: elke plaatselijke situatie is weer anders. Een tijdje geleden was te lezen van een kerkenraad die een traject van nauwer samenleven met een andere plaatselijke kerk van gereformeerd belijden had opgeschort: 25% van de gemeenteleden bleek bij een peiling tegen te zijn. Iedereen kan, ook bij gebrek aan een concrete definitie van het woord ‘genoegzaam’, aanvoelen dat dit teveel is om vruchtbaar verder te kunnen. Maar hoe is nu wanneer bijvoorbeeld 85% zich achter het voornemen van de kerkenraad schaart? Is dát voldoende?

Dat laat zich niet vanuit de verte beoordelen. Het is namelijk van groot gewicht hoe de dingen geestelijk liggen. En dat kan ten diepste alleen een kerkenraad beoordelen; vandaar dat er in de tekst ook staat: ‘…naar het oordeel van de kerkenraad…’. De vraag moet namelijk gesteld worden op welke gronden gemeenteleden in geweten menen niet in te kunnen stemmen met het plan van de kerkenraad. En een kerkenraad die daarmee te maken krijgen, zal dat zorgvuldig nagaan en peilen. Het zal niet de eerste keer zijn dat dan blijkt dat een tegenstem berust op een beeldvorming die in het verleden ontstaan is en die onvoldoende is bijgesteld, terwijl er wél een positieve ontwikkeling is ingezet. Soms moet men de geestelijke moed hebben om de geschiedenis achter zich te laten. Of een tegenstem komt voort uit persoonlijk meegemaakte incidenten met gemeenteleden. Daar moet men toch bovenuit kunnen stijgen: ze zijn er in eigen gemeente ook… Of men heeft zorgen over ontwikkelingen in het andere kerkverband, terwijl de eigen kerkenraad eerlijk kan verklaren dat die ontwikkelingen zich in de gemeente waarmee contact wordt gezocht, zich niet voordoen. Wij worden zelf toch ook niet graag gemeten aan vervelende dingen in eigen kerkverband waarover we zelf ook onze zorgen over hebben?

Maar wanneer er duidelijke en aantoonbare geestelijk-principiële zorgen en onzekerheden zijn over het reilen en zeilen in de beoogde zusterkerk, ja, dan heeft de kerkenraad nog wel wat werk te doen.

En dus is de ene 85% de andere 85% niet, dat laat zich raden.

WERK VOOR DE KERKENRAAD

In alle situaties waarin geen 100% eenparigheid van gevoelen is, of dat nu naar het oordeel van de kerkenraad toch genoegzaam is of niet, zal de kerkenraad nog werk te doen hebben en zal hij trachten in contact te komen met de gemeenteleden die niet in de ontwikkeling mee kunnen komen:

1. Is er sprake van redenen die beneden het geestelijk niveau liggen dat men van een geestelijk mondige gemeente mag verwachten? Dan zal de raad geestelijk via de ouderlingen op weg gaan met die gemeenteleden om onder Gods zegen te trachten op een hoger niveau van denken en spreken te komen. En dat zal dan ook op andere gebieden heilzaam blijken te zijn!

2. Is er sprake van misverstanden? Dan volgt gesprek om die op te helderen.

3. Is er sprake van een blijvende tegenstem, dan is de kerkenraad er nóg niet: hij zal dan moeten peilen wat voor consequenties het gemeentelid daaruit trekt: staat het lidmaatschap van de gemeente ermee op het spel? En zo ja, is dat dan op zuiver geestelijke gronden of om lagere motieven? Geestelijk gesprek met gevouwen handen is nodig om te peilen hoe zwaar de tegenstem dient te wegen.

4. In alle gevallen kan en mag gezegd worden - maar dat geldt ook voor alle andere beleidsbeslissingen die een kerkenraad neemt: niet altijd zal men zó gezegend zijn dat een gemeente voor de volle 100% achter beleidsvoornemens van de raad staat. Maar er is al heel veel gewonnen wanneer de gemeenteleden die moeite hebben met dat beleidsproces zich niet aan de kant geschoven zien, maar merken dat zij gezien en erkend worden. De sleutel daarvoor is naar mijn stellige overtuiging: persoonlijke pastorale aandacht. Daarmee is zóveel geestelijke winst te behalen. Dan rijst niet zelden de overtuiging dat men het niet altijd zó in de gemeente kan krijgen als men wil, en dat veelzijdige geestelijke ‘kleuring’ van de gemeente soms met zich meebrengt, dat er zaken besloten worden waar men het persoonlijk moeilijk mee heeft, maar waarbij men toch trouw blijft aan de gemeente waar men, soms al een leven lang, aan verbonden is. En ook dat is een vorm van eenparigheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.