+ Meer informatie

Naarde katechisatie

6 minuten leestijd

135

DE WET DES HEEREN (5)

We willen nu nader ingaan op de behandeling van de 10 geboden, om elk gebod nauwkeuriger te bezien, mocht ’t zijn tot ware ontdekking en tot heilzaam onderwijs in deze „regel der dankbaarheid”, waarbij uitkomt: „Uw gebod is zeer wijd.” (Ps. 119). En we willen dit doen aan de hand van onze Heidelberger, uit de Zondagen 34 t/m 44.

Allereerst dan het EERSTE gebod: gij zult geen andere góden voor Mijn Aangezicht hebben. Vooraf echter nog deze opmerking.

Er is een treffend verband te leggen tussen de eerste tafel der Wet en de tweede tafel.

Gaat ’t Ie gebod over de afgoderij als een miskenning en belediging van de God van hemel en van aarde, waarin dus verklaard ligt de haat tegen God, ’t 6e gebod gaat over de verhouding tegenover de naaste, namelijk rakend de doodslag, waarvan de wortel ook is: de haat!

In ’t TWEEDE gebod veroordeelt God alle ZINNELIJKE voorstelling van Hem door aanbidding van beelden, terwijl het zevende en achtste gebod raken de heiliging van het leven en de eerbiediging van des naasten bezit, dus betrekking hebbende op ZINNELIJKHEID, als een prikkel in de mens liggend.

Dan het DERDE gebod betreffende de eerbiediging van GODS NAAM. We zien in het NEGENDE gebod in bescherming genomen de NAAM van de NAASTE.

En nu het EERSTE gebod.

Daarin verbiedt God alle afgoderij, toverij, waarzegging, bijgeloof en aanroeping van heiligen of van andere schepselen.

AFGODERIJ.

Dit is „in de plaats van de enige ware God, Die Zich in Zijn Woord geopenbaard heeft, of benevens Hem, iets anders verzinnen of hebben, waarop de mens zijn vertrouwen zet”, zoals de Katechismus omschrijft.

De mens is van-huis-uit een religieus, godsdienstig schepsel. Naar Gods scheppingswerk is de mens aangelegd op God, want hij is „naar Gods Beeld” geschapen.

Al heeft hij door zijn val in Adam de WARE kennis van God verloren, onze Belijdenis spreekt van „enig licht der natuur, dat in hem is overgebleven.” Let er wel op: geen zaligmakend licht, maar als een „ingeschapen kennis, een onbepaalde indruk in het hart van de mens, dat er een God is, waarmede hij geboren wordt. Het zijn de sporen, die na het verlies van het Beeld Gods, het Beeld Gods heeft achtergelaten, waaraan we kunnen zien, dat de mens het Beeld Gods eens heeft bezeten.

Zo is er dus een drang in de mens tot betrachting van godsdienst. Niet tot de ware, want die is hij kwijt geraakt. We zien die drang duidelijk bij de heidenen. Maar daarom is „atheïsme” (Godloochenarij) dan ook on-logisch en on-redelijk!

Daar nu de mens de ware kennis van God door zijn val heeft verloren, verduisterd in het verstand is geworden, is er in zijn hart de neiging, ja, een drang tot afgoderij. Hij wil toch iets hebben, waarop hij zijn VERTROUWEN kan stellen. De heidenen op hout en steen, op de hemellichamen, op de natuur, welke hij als zijn god stelt en aanbidt.

Nadat God ISRAEL als Zijn Bondsvolk heeft afgezonderd van de volken der wereld en in zijn midden Zijn zuivere Godsopenbaring heeft gegeven, zien we helaas de drang naar een God, die men kon zien. Denk maar aan de zonde van het „gouden kalf” in de woestijn, vlak na de Gods openbaring op de Sinaï, het geven van Zijn heilige Wet en Wetten! Zo bleek dus, dat VERLATING van die openbaring en van Gods Wetten en inzettingen leidde tot de dwaasheden van de AFGODERIJ, bijgeloof enz.

Blikken we de geschiedenis van de Kerk nader in, dan zien we DEZELFDE dwaasheden bij Rome’s kerk. Onze Heidelberger noemt de paapse mis een „vervloekte afgoderij”. De REFORMATIE van 1517 riep weer terug tot het ZUIVERE LICHT van Gods Woord en tot de zuivere DIENST van Hem!

En nu nâ de Reformatie? Helaas zien we hetzelfde verschijnsel: verzaking en verlating van de zuivere kennis van Gods Woord en Dienst. En dit leidt tot valse, tot eigenwillige godsdienst, terugkeer tot het heidendom, in moderne vorm. Dan worden, evenals Israël deed, de afgoden binnengehaald. In de plaats van de enige ware God stelt men zijn vertrouwen op zijn bezit, op zijn polis en wat niet al meer. Dan danst men om het gouden kalf van de sportverdwazing, van de televisie, van de wetenschap. En weet u wat de grootste afgod is, die we ieder hebben?.. ons eigen ik! „Voor Mijn Aangezicht hebben”. We kunnen ze verstoppen, zoals Rachel haar terafim, maar God ziet ze wel.

Aan afgoderij is nauw verbonden: toverij, waarzegging, bijgeloof, aanroeping van heiligen. Toverij is: begeerlijke, opzienbare dingen tot stand brengen buiten Gods Woord om, in gemeenschap met de werken der duisternis. Er bestaat ook een soort geestelijke toverij, allerlei wonderlijkheden op geestelijk gebied, z.g.n. bevindingen, geheel buiten de Schrift om. O, hoe gevaarlijk en misleidend, daarop zijn vertrouwen te stellen.

„Waarzeggerij”. Dit is het terrein van de „helderziendheid”. Denk aan de „slaapsters”, die de oorzaak van ziekten opsporen of de toekomst voorspellen. Een gevaarlijk terrein en wat in ’t bijzonder het voorspellen van de toekomst betreft: verboden terrein!

„Bijgeloof”. Dat is aan zaken kracht en betekenis toekennen om ook daarop zijn vertrouwen te stellen. Manasse gaf op „vogelgeschrei” acht. Onze middeleeuwen waren er vol van. Denk hierbij ook aan het „spiritisme”. En tot de dag van vandaag aan de z.g.n. „mascotte’s”, de poppetjes in auto’s.

Zoals we opmerkten, zit de grootste afgod in ons aller hart, ons eigen „ik”. O, die dagon! Is zij al bij u gevallen? Och, dat dit door de kracht van Christus, door Zijn Woord en Geest mocht gebeuren. De Katechismus zegt: „alzo, dat ik eer van alle schepselen afga en die varen late, dan dat ik het. allerminste tegen Zijn wil doe.” En in ’t begin van datzelfde antwoord op vraag 94 lezen we: „Dat ik, zo lief als mij mijner ziele zaligheid is, alle afgoderij enz. mijdeen vliede!”

Is de zaligheid uwer ziel ü lief geworden? Is het bij u al de allerbelangrijkste vraag geworden: „Mijn ziele, doorziet gij uw lot, hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God?”

Van nature verkwanselen we onze arme ziel aan de wereldse begeerlijkheden, aan de afgoden van deze tijd. Hoevelen, zelfs uit gezinnen van rechtzinig belijden, hebben „ajax”, „veronika”, de „televisie” liever dan „hunner ziele zaligheid”!

„In de plaats van of benevens de enige ware God, Die Zich in Zijn Woord geopenbaard heeft, iets anders verzinnen of hebben, waarop de mens zijn vertrouwen stelt.” In de plaats of... naast God. Ja, dat laatste zien we schrikbarend toenemen vandaag. Al meer vallen de grenzen weg tussen „kerk en wereld”. God willen dienen op eigen manier, naar eigen smaak. Dat is God willen dienen, doch tevens vasthouden aan de wereld en de normen, die zij stelt. Het woord „christelijk” ervoor moet de lading van het levensschip dekken.

Bekere God ons van alles, wat niet uit Hem is en niet naar Zijn Woord! Vernieuwe Hij ons tot de ware, zuivere kennis van Hem, van Zijn Woord en van Zijn dienst, waarop ons ook het TWEEDE gebod zal wijzen D.V. in onze volgende les.

Urk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.