+ Meer informatie

Revius op het ”Friedhof”

3 minuten leestijd

De dominee-dichter Jacobus Revius (1586-1658) is het meest bekend geworden om zijn diep ernstige gedicht ”’t En zijn de Joden niet Heer Jesu die U kruisten”. Vele andere gedichten met een geestelijke strekking vinden we in zijn oeuvre, geboekstaafd in de bundel ”Over-Ysselsche Sangen en Dichten”. Daarnaast schreef hij ook een psalmberijming die ooit die van Datheen zou moeten vervangen.

Revius was echter een mens van vlees en bloed en naast ernst kende hij ook luim. Twee voorbeelden. Allereerst het grafschrift op het graf van een luiaard:

Hier rust de luye Melis Brant. Wat seg ick? ’t is en misverstant: Hoe can te rusten sijn geseyt Die nooit en heeft gearrebeyt? En wat te denken van het epigram ”Het nodichst eerst”. Jan Melis trout een ionge meyt. Maer hy en heeft niet overleyt Wat hy voor haer en hem van noot heeft. Want hy en heeft noch cous noch schoen. Noch cost, noch const [kennis van een vak] om haer te voen. Hy coopt het vleys al-eer hy broot heeft.

Eens is het gebeurd dat een toch wel uiterst serieus gedicht van de Deventer predikant een glimlach ontlokte. Dat gebeurde in de Tweede Wereldoorlog rondom de persoon van de zogenoemde ”rooie domionee”, dr. J. J. Buskes. Toen NSB-leider Mussert betoogde dat achter Hitlers succes een hogere macht moest zitten en het te verklaren was als een zegen van God, kon dr. Buskes het niet laten om in het blad Kerk en Vrede te schrijven: „Nergens staat dat het een zegen van God is als het ons materieel goed gaat. Laat staan wanneer het om militaire overwinning gaat, zoals in dit geval.” Nadat hij had aangeraden de profetieën van Jesaja en Jeremia te vergelijken met wat Mussert had gezegd en had opgeroepen „als vaderlander het Wilhelmus te zingen, alle verzen, en liever nog als christen Psalm 73, eveneens alle verzen”, besloot hij met deze woorden: „God beware ons volk, dat volgens Mussert een gelovig volk is, bij dit volkslied en bij deze psalm. Dan zal het gelovig blijven of gelovig worden. Anders niet.” Door dit artikel kwam er spoedig een eind aan het blad en verdween dr. Buskes achter slot en grendel.

Het was namelijk niet de eerste keer dat dr. Buskes met het Duitse gericht in aanraking kwam, zij het dat het toen met een sisser afliep. Dat had te maken met een gedicht van Revius. In de kerkbode schreef dr. Buskes ter afsluiting van zijn gemeenteberichten vaak een treffend citaat of een gedicht. Eens was dat het gedicht:

Een aenbeelt is de kerck wanneerse wort geslagen
So doet se anders niet dan dulden en verdragen.
Maer al de hamers die op desen aenbeelt slaen
Sijn selver op het lest te pletteren gegaen.

Per ongeluk was de naam van de dichter niet genoemd en werd het voor een gedicht van dr. Buskes gehouden. Het werd als een opruiend vers tegen de nazi’s beschouwd. Bij het verhoor zei men: „Das haben Sie gemacht”, dat hebt u gemaakt. Dr. Buskes ontkende uiteraard. „Weet u wel wie het gemaakt heeft?” Dr. Buskes antwoordde bevestigend. Of hij ook bereid was zijn naam te noemen? „Ja.” „Wie is het?” „Jacobus Revius.” De ondervrager noteerde de naam en vroeg ten slotte naar het adres. Dr. Buskes antwoordde: „Al bijna drie eeuwen ”Friedhof” (begraafplaats) Deventer.” Zelfs de Duitse ondervrager kon zijn gezicht toen niet in de plooi houden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.