+ Meer informatie

DE GEMEENSCHAP DER HEILIGEN

6 minuten leestijd

1

Onze Belijdenis spreekt van de gemeenschap der heiligen, die vanuit het leven des geloofs, door alle tijden heen al van grote betekenis is geweest voor het geestelijke leven.

Het is een bijzondere gemeenschapszin, die vanuit de algemene genade met beleefd kan worden, daar zij behoort tot de zaligmakende werkingen van de Heilige Geest. Ze komt voort uit het nieuwe leven door het deelachtig worden van de Goddelijke natuur. Hierdoor ontstaat de geestelijke familieband, om elkander te zijn tot een hand en voet op de weg des levens. Hierin schittert het leven van de heilige gemeenschapszin, die we verloren hebben in Adam door te eten van de verboden boom. Van die geestelijke familieband is in de mens niets meer overgebleven. In de staat der ellende is dan ook de staat van vijandschap tegen God en onze naaste. Vernieling en ellende is in onze wegen, zodat de kennis van de weg des vredes er in gemist wordt. Vanuit de Goddelijke gemeenschapszin die uitstraalt in het huishoudelijke werk des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, verkrijgt het hart door wederbarende genade de gemeenschap der heiligen, vanuit de tweede Adam Jezus Christus.

En van deze zegen werd iets gesmaakt door Adam en Eva in de omhelzing van de beloofde Zaligmaker, zodat daarin gevoeld werd de geestelijke familieband door elkander te mogen ontmoeten in de Heere.

Opgevoed aan het hof van Farao, had Mozes het genot van al de schatten van Egypte tot zijn beschikking. Maar toen de Heere de hoogste plaats bekwam in zijn hart, mocht hij komen tot de onberouwelijke keus te leven met de Heere en Zijn volk. En dat deed voor hem de rijkdom van Egypte verdringen in het niet. Vanuit het leven met de Heere hunkert het hart naar het leven met Zijn volk om van Hem te spreken tot eer van Zijn Naam.

Toen Ruth omgang kreeg met het volk des Heeren, en in haar schoonmoeder aanschouwde de zegen van de verborgen omgang met de Heere in al haar verdriet, ging haar oog open voor dat geluk. Dat deed haar met beslistheid des harten komen tot de onberouwelijke keus, om ook met al de noden van haar leven te gaan tot de God van Israël. Het schuilen onder de schaduw van Zijn vleugelen werd haar dierbaar.

Onder de prediking van het Evangelie dat Lydia uit de mond van Paulus mocht beluisteren, werd haar hart geopend en verbonden aan de Heere en Zijn zalige dienst. Deze dag is voor haar een onvergetelijke dag geworden.

Hier staan van de velen die ons bekend zijn uit de Schrift, drie getuigen voor ons, als bewijzen dat het komen tot de onberouwelijke keus noodzakelijk is. Vandaaruit wordt het een biddend zoeken in te mogen gaan door de enge poort van de waarachtige bekering. Zolang wij tot die keus niet gekomen zijn, hebben we niet meer dan een godsdienstig dralen, een hinken op twee gedachten. Dat verhindert ons in te gaan door de enge poort, om met God verzoend te mogen worden.

Vanuit het leven van de discipelen is het ons bekend, dat zij bij het komen tot de onberouwelijke keus, als bruiloftskinderen mochten delen in de vreugde van Zijn kostelijke woorden, door die van dag tot dag te mogen horen. En bij het aanschouwen van Zijn ontfermende liefde en Zijn grote daden, kwamen zij tot de belijdenis: „Gij zijt de Christus, de Zoon des levende Gods. Vanuit Hem werd de gemeenschap der heiligen gesmaakt om Hem met des te meer beslistheid des harten te volgen.

Maar toen de Heere begon te spreken van Zijn borgtochtelijk lijden en sterven, werd dat niet aanvaard als noodzakelijk en profijtelijk. Het was naar hun oordeel niet nodig, daar de grond der hope voor de eeuwigheid voor hen was in het genot der zaligheid. En dat treft men aan tot op de dag van heden, daar de rechte kennis van Gods rechtvaardigheid die voldoening eist, nog zo gering is. Wordt men in de vrucht van die aangename gestalten opgebouwd, dan heeft het plaats dat men pas tot de ontdekking komt van de ongenoegzaamheid als grond der zaligheid, wanneer men komt te staan in de verschrikking van de dood.

En daar het in deze zaak gaat om de eer van Gods recht, die is in de kruisdood van Christus, hebben wij het ootmoedig en boetvaardig aanvaarden van de straf der zonde ernstig te zoeken op de leerschool van de Heilige Geest.

De discipelen worden treurende en wenende mensen toen het hun duidelijk werd dat de grond der zaligheid niet is in het genot der zaligheid. Een levend gemis is dan ook beter dan een dor bezit, waarin niet de grond der hope voor de eeuwigheid is.

In dat treuren en wenen was de gemeenschap van Christus, daar Zijn ziel, in het dragen van de straf der zonde, geheel bedroefd was over de daad der zonde. De discipelen kwamen, toen Christus veroordeeld werd tot de vloekdood des kruises, alleen te staan. Al het voorgaande was te kort als grond voor de eeuwigheid. En in dat inig en kinderlijk treuren en wenen werd ue gemeenschap der heiligen onderhouden. Van hart tot hart kwamen zij daaruit te spreken. De Emmaüsgangers zijn daarvan een allerduidelijkst bewijs. Het is tot op de dag van heden een zegen van de Heere elkander te mogen ontmoeten in het gemis dat beleefd en beweend wordt. Want daarin wordt dan nog de liefde van Christus gesmaakt.

Maar opgewekt door de Vader om onze rechtvaardigmaking, komt Christus in de kracht van Zijn opstanding tot hen, om het treurende en wenende hart te troosten in Zijn verzoening en voldoening. Opdat zij de liefde des Vaders zouden smaken in het licht van Zijn vriendelijk aangezicht.

En hierin is deze belofte vervuld: „Ik zal het beter maken dan in uw beginselen en gij zult weten dat Ik de Heere ben.” Dat doet de onderhouding van de gemeenschap der heiligen steeds inniger worden. Want hetgeen beleefd is wordt door het Woord des Geestes bekroond.

Als onze Belijdenis spreekt van de gemeenschap der heiligen, dan is dat vanuit de Heere de innigste gemeenschap, die het hart vervult met een ootmoedige erkentelijkheid. Zij is vanuit de mens niet tot stand te brengen.

Bij het verlies van Jonathan spreekt David daarvan: „Mijn broeder Jonathan; gij waart mij wonderlijker dan de liefde der vrouwen.” En dan zegt de kanttekening: „Zij overtrof de allernauwste vriendschap die tussen mensen kan wezen, zijnde tot Davids troost in Jonathans hart ontstoken en onderhouden door de Heilige Geest.” Is de liefde van de gemeenschap der heiligen door de Heere ontstoken in het hart, dan wordt zij tot roem van Zijn genade ook in stand gehouden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.