+ Meer informatie

Een getuigenis

7 minuten leestijd

3 Verlating en wederkeer

De laatste maal hebben we geschreven over gewaardeerd verzet tegen de geest van deze tijd in het getuigenis, dat ons bezighoudt. Het is een verblijdende zaak dat op te mogen merken nu overal schier aan die tijdgeest geofferd wordt. In dit artikel willen we enkele critische opmerkingen maken, die ons bij alle waardering toch van het hart moeten. Graag tekenen we daarbij aan, dat we dat niet doen uit lust tot critiek. Het is gemakkelijk om van ieder stuk pro en contra te laten horen. Het geeft stof om kerkbladen en kerkboden mee te vullen, zonder dat er iets wezenlijks naar voren komt. Zo wordt kerkelijk Nederland bezighouden. Met dit getuigenis gaat het niet anders. Er is zeer veel over geschreven, terwijl men op de wezenlijke dingen eenvoudig niet ingegaan is. Dat is goedkoop en niet de bedoeling van dit artikel.

Van de linkerzijde is de critiek niet mals geweest, we kunnen zelfs wel zeggen hier en daar grof. Spottend heeft men gesproken over de „oude-heren theologie, die haar tijd gehad heeft”. Het samengaan van confessionelen en bonders is ook oorzaak van allerlei sarcastische opmerkingen geworden Gesproken is van een monsterverbond. Het is het beste ons niet te diep in dat soort critiek te verdiepen.

Het is opmerkelijk - en voor ons belangrijker - dat van de zijde van de Gereformeerde Bond slechts een enkele critische aanmerking gemaakt is. Uiteraard krijg je niet alles uit deze kring onder ogen. Er is daar ook een veelheid van bladen en geluiden. Van wat wel gelezen werd hoorden we niets dan lof. Ongetwijfeld wil men samen de zaak dienen in de strijd tegen de moderne theologie en wil men de eenheid in het gezamenlijk getuigenis niet verbreken. Op zichzelf is dat goed, zolang het niet ten koste van de dingen gaat, die naar Gods Woord niet verzwegen mogen worden. Het viel mij op, dat aan het enkele bezwaar dat er was nauwelijks aandacht besteed is. De vorige keer hebben we op dat bezwaar al gewezen. Het ging in tegen de algemene manier van spreken met betrekking tot de verzoening van de schuld in het getuigenis: „Aan het kruis van Golgotha is door Gods voorafgaand en genaderijk handelen onze schuld verzoend, zijn onze zonden weggedaan, is ons leven en heil verworven”. Ik dacht dat deze algemene manier van spreken terecht bezwaar ontmoette. De ondertekenaars hebben zich tegenover dit bezwaar beroepen op de artikelen van de Nederlandse Geloofsbelijdenis van de voldoening door Christus enz. Gaan zij echter niet voorbij aan het „wij geloven met het hart en belijden met de mond” van onze belijdenis? Daarmee is dit getuigenis niet te vergelijken. Wij denken ook aan art. 22 „wij geloven dat, om ware kennis dezer grote verborgenheid te bekomen, de Heilige Geest in onze harten ontsteekt een oprecht geloof, hetwelk Jezus Christus met al Zijn verdiensten omhelst, Hem eigen maakt....” Tegenover de algemene en weinig onderscheidende prediking, die in onze tijd veelal gehoord wordt is het broodnodig dat er ten deze ook duidelijk gesproken wordt.

Daarmee zijn we eigenlijk al begonnen met een enkele opmerking. Het gaat ons echter om een andere benadering.

Wij komen nog eens terug op de vraag: Is dit het getuigenis, dat wij nodig hebben in 1971? En nu gaat het ons meer om wat er niet in staat, als om wat er wel in staat. Het ’s ons niet verdrietig te herhalen, dat er juist met het oog op onze tijd veel goeds in staat. Het ware te wensen, dat op het bredere Gereformeerde erf buiten de Hervormde kerk deze dingen nog zo gezegd zouden worden. En toch missen we in dit stuk iets, dat het geheel betreft en daar willen we graag het oog op richten. Heus, wat er gezegd wordt over het verval in de leer is geen kleinigheid. Maar te weinig komt er in uit, dat dit verval een openbaring is van het verlaten van de Heere en Zijn Woord.

Gaat Gods Woord ons daarin niet voor? De Profeten worden niet moe om daarop te wijzen „Zij hebben het Woord verlaten, wat wijsheid zullen zij hebben.” Ongetwijfeld kan dit een kreet worden zonder het aanwijzen van de concrete zonden. Het is dacht ik de verdienste van het getuigenis, dat het wel geprobeerd heeft de dingen te noemen. Helaas maar sober tegenover de achtergrond van het Profetische Woord. Jeremia klaagt over het erfdeel des Heeren in de naam des Heeren „want Mijn volk heeft twee boosheden gedaan: Mij de springader des levenden waters hebben zij verlaten, om zichzelven bakken uit te houwen, gebrokene bakken, die geen water houden”.

In verband daarmee wordt dit getuigenis zo weinig met de eigen Woorden Gods waar gemaakt. Daardoor blijft het ook te veel in de sfeer van de studeerkamer en spreekt het niet eenvoudig genoeg tot hen, die God naar Zijn Woord wensen te dienen. Het gaat inderdaad niet over eenvoudige zaken, maar wanneer vanuit het Woord gesproken wordt is het toch meer verstaanbaar.

Jammer is het ook dat aan de aanvallen op het Woord van God geen aandacht besteed wordt, althans niet op directe wijze. Het moet toch de ondertekenaars van het getuigenis bekend zijn hoe op allerlei wijze in onze tijd het Woord Gods verkracht is. Namens de Generale Synode van de Nederlandse Hervormde Kerk werd in 1967 een geschrift uitgegeven over het gezag van de Bijbel onder de titel Klare wijn. In dat boekje is op een nette manier afgerekend met het oude inspiratie dogma. Eén van de opstellers van dit getuigenis was lid van de commissie, waarvan in het voorwoord van dit geschrift verklaard wordt, dat zij geheel achter dit werk staat, al zou ieder der leden zich misschien hier en daar anders uitdrukken. Trouwens er is door anderen op gewezen dat meerdere ondertekenaars openlijk in hun werken de Schriftcritiek verdedigd hebben.

Dat zo weinig gesproken wordt over de verlating van God en Zijn Woord is naar mijn gevoelen ook de reden, dat er zo weinig op de schtfld gewezen wordt. En dan denk ik in de eerste plaats aan de schuld die er is bij allen. Ik weet dat van de linker zijde hierop gewezen is. Vanuit die achtergrond doen wij het niet. De brief van Calvijn aan de Roomse kardinaal Sadoletus bevat deze ontroerende woorden: „Reken mij de ontzettende afval niet toe, waaruit Gij mij door Uw wondere goedheid gered hebt.” Dat element wordt teveel gemist bij alle bewogenheid, die er overigens in dit geschrift is.

Waar de verlating van de Heere en Zijn Woord wordt voorgehouden kan en mag en moet de weg tot wederkeer gepreekt worden. Ongetwijfeld wijst het getuigenis op de trouw, die de gemeente verschuldigd is aan het Woord van God. Maar de Heere kan het verval van Zijn Woord niet gedogen. Op het erf van de kerk moeten de zonden tegengestaan worden. De roepstem tot bekering moet telkens klinken en als er niet geluisterd wordt kan de tucht naar het Woord des Heeren niet uitblijven. Zonder waarachtige wederkeer tot God en Zijn Woord in afhankelijkheid van de Heilige Geest is er geen zegen te verwachten. Het spijt ons dat die weg niet zo gepredikt wordt. Want zo alleen kan de kerk weer worden, zoals aan het einde van dit getuigenis staat „een ark van Noach, die veiligheid en redding biedt als de golven van het oordeel Gods over de wereld gaan”. Wij menen niet teveel gezegd te hebben: de ontvangst ter Synode is wat dat betreft niet zonder sprake. Daarover de volgende keer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.