+ Meer informatie

ZIEKENZALVING

11 minuten leestijd

Inleiding

Het is met enige schroom dat ik aan een artikel begin over ziekenzalving. We willen er vanuit de gemeente Ermelo niet geheimzinnig over doen dat het wordt toegepast, maar het is ook niet de bedoeling het overal rond te bazuinen. Het is een onderdeel van het pastorale werk in een plaatselijke gemeente. Als kerkenraad hebben we een afweging gemaakt die in een andere gemeente anders uit kan vallen. Bovendien kan de nadruk op ziekenzalving de indruk wekken dat het zalven op zichzelf staat. Dat is beslist niet het geval. De nadruk valt op het gebed waar het zalven met olie bij komt.

Het is niet mijn bedoeling een uitgebreide exegese te geven van de twee gedeelten waar het ter sprake komt (Marcus 6: 13 en Jakobus 5: 13 – 18). Velen hebben dat al gedaan met wisselende uitkomsten. Juist dat laatste maakt het verstaan van de bijbelse boodschap op dit punt zo moeilijk. Wel wil ik u deelgenoot maken van de worsteling die we binnen de kerkenraad van Ermelo met deze zaak gehad hebben en hoe we de zaak in praktijk toepassen.

Aanleiding

Twee jaar geleden kwam een concreet verzoek van een zieke zuster uit de gemeente of zij op grond van wat Jakobus schrijft, ziekenzalving zou mogen ontvangen. De vraag kwam niet uit de lucht vallen. Inmiddels was er in de pers over geschreven naar aanleiding van het boek van dr. M.J. Paul, Vergeving en genezing, met als ondertitel: Ziekenzalving in de christelijke gemeente. In dit boek laat dr. M.J. Paul zien dat er meer over te zeggen valt dan een simpele afwijzing omdat wij het niet kennen. Het zette aan tot nauwkeurig lezen van commentaren op het gedeelte van Jakobus 5: 13 – 18.

Overwegingen binnen de kerkenraad

Toen het onderwerp op de kerkenraad besproken werd, kwamen daar reacties van verschillende aard. Er waren broeders die het gelijk maar van tafel wilden halen. We hebben dat nog nooit gedaan. Het heeft gewoon te maken met de tijdgeest. Mensen verlangen naar meer rituelen. Daar moeten we niet op in gaan. Een herkenbare reactie, maar wanneer we ons willen laten leiden door Woord en Geest dan dienen we uit dat Woord ook onze argumenten te halen en niet uit een bepaald gevoel of idee dat we zelf hebben.

a. Er waren broeders die enige ‘autoriteiten’ aanhaalden om het niet te doen. Calvijn zegt in Institutie boek IV hoofdstuk 19 par. 18–21 dat de ziekenzalving hoorde bij de gave van de gezondmaking uit de eerste tijd van de kerk. Inmiddels is dat verdwenen. De wonderen hadden de functie om de nieuwe prediking van het evangelie te onderstrepen. Nu hebben we aan het evangelie genoeg. De kanttekeningen uit de Statenvertaling wijzen eveneens op het feit dat de wonderen uit de begintijd van de kerk inmiddels verdwenen zijn.

b. In de bijbel met kanttekeningen (NBG vertaling) staat dat het in Israël gewoonte was om zieken te zalven ter verzachting of genezing. Je zou kunnen zeggen dat bij het bidden om genezing het gebruik van geneesmiddelen niet vergeten werd. In plaats van zalven met olie zouden wij tegenwoordig een door de dokter voorgeschreven medicijn kunnen gebruiken. Bij Marcus 6: 13 wordt in de kanttekeningen bovendien vermeld dat we nergens lezen dat Jezus zelf zieken gezalfd zou hebben. Hier werd de conclusie uit getrokken dat wij in navolging van Hem kunnen volstaan met voorbede.

c. Weer anderen legden er vooral de nadruk op dat hier sprake was van een Joodse gewoonte. Die gewoonten hoeven wij toch niet na te volgen.

d. Naast deze tegenargumenten waren er ook broeders die zich bij het onbevangen lezen van met name Jakobus 5 niet aan de indruk konden onttrekken dat ziekenzalving een bijbelse wijze van handelen is. En waarom zou iets wat in de vroege kerk gold niet ook vandaag nog kunnen gelden?

Bij het noemen van argumenten viel op dat broeders juist dat commentaar aanhaalden wat het beste bij hun eigen opvatting paste. Die argumenten werden met nadruk naar voren gebracht. Het geeft aan hoe moeilijk het is om objectief de bijbel te lezen.

Laten we elk argument eens wegen:

ad a. De kanttekeningen bij de Statenvertaling bleken een vrijwel letterlijk citaat van de uitspraak van Calvijn. En ze zijn beslist niet de enige die deze Reformator naspreken. Calvijn stelt zich in de eerder genoemde paragrafen te weer tegen het zogenaamde ‘laatste oliesel’ van de Rooms-Katholieke Kerk. In dat verband wordt Jakobus 5 aangehaald. Hij toont aan dat Jakobus niet doelde op het zalven van stervenden met de bedoeling ze ‘verzoend’ te laten sterven. De handeling van het zalven met olie kan niet betekenen dat automatisch zonden vergeven zijn. Calvijn gebruikt stevige taal. Wanneer hij echter het gedeelte uit Jakobus 5 zelf bespreekt dan is hij heel wat minder stellig in zijn afwijzing.

ad b. Inderdaad werd olie als gewoon geneesmiddel gezien. In Jes.1: 6 en Luk.10: 34 wordt het gebruikt ter verzachting van pijn bij iemand die gewond is. Maar zou Jakobus dit gebruik bedoeld hebben? Je hoeft toch geen ouderlingen te laten komen om je wonden te verzorgen? Bovendien staat er duidelijk dat zij moeten zalven ‘in de naam van de Here’. Dat wijst veeleer op een symbolische handeling. Zalving heeft in het oude testament dikwijls de betekenis van toewijding en reiniging.

ad c. De andere opvatting dat er sprake zou zijn van een Joods gebruik uit die tijd wordt o.a. door prof. dr. J.R Versteeg gehuldigd in: Het gebed volgens het Nieuwe Testament. Hij noemt daarbij voorbeelden uit rabbijnse traktaten. Dit gedeelte wordt met instemming geciteerd door prof. dr. L. Floor in zijn commentaar op Jakobus in de CNT serie. Ook hier spreekt de één de ander na. Maar een Joodse oorsprong hoeft toch nog niet te betekenen dat het daarom in de christelijke gemeente niet meer voor zou komen? We hebben veel uit het Jodendom overgenomen. We zijn zelfs in Israël ingelijfd.

Als het gaat om de Joodse oorsprong is ook de opvatting van prof. dr. J. van Bruggen te noemen. Volgens hem zou bij de ‘oudsten’ in Jakobus 5 gedacht kunnen worden aan ooggetuigen van Jezus’ handelen uit de groep van 120 mensen van Handelingen 1:15 of de 500 broeders van 1 Korinthe 15: 6. Zij hebben evenals de discipelen (vgl. Marcus 6: 13) de macht gekregen zieken te genezen waarbij zalving werd toegepast. Met het wegvallen van de ooggetuigen zou ook de ziekenzalving verdwenen zijn. Dr. M.J. Paul heeft deze opvatting uitgebreid besproken en vele argumenten gegeven waarom het niet juist is.

Conclusie

Uit bovenstaande wordt duidelijk dat veel commentatoren elkaar napraten. Bovendien viel op dat geregeld termen als ‘waarschijnlijk’ of ‘het is aan te nemen dat’ gebruikt werden. Kortom veel van wat geschreven wordt berust op hypothese. Het is goed dan jezelf te realiseren dat een bepaalde opvatting wel door veel mensen verkondigd kan worden, maar dat het een hypothese blijft. We weten eenvoudig niet precies hoe het gedeelte uit Jakobus bedoeld wordt. De vraag die binnen de kerkenraad van Ermelo steeds bleef staan was: zijn er voldoende gronden om het concrete verzoek tot gebed met zalving af te wijzen? Onzes inziens was er geen argument zwaarwegend genoeg om het verzoek af te wijzen. We zeggen dus niet dat de letterlijke betekenis de enig juiste uitleg is, maar we hadden geen vrijmoedigheid om het af te wijzen.

Letterlijk

Vanuit de letterlijke betekenis nog het volgende: Jakobus geeft aan dat ouderlingen in een plaatselijke gemeente mede tot hun pastorale taak hebben dat ze zieken bezoeken en op verzoek voorbede doen waarbij zalving met olie in de naam van de Here wordt toegepast. Dat bidden en zalven in de naam van de Here moet gebeuren geeft direct aan dat het de Here is die de zieke gezond maakt (letterlijk: redt) door hem op te richten. Dit kan lichamelijk herstel betekenen, maar ook geestelijk behoud. Het is opvallend dat de woorden die Jakobus gebruikt voor ‘gezond maken’ en ‘oprichten’ een tweevoudige betekenis hebben. Ze kunnen lichamelijk genezing aanduiden, maar je kunt ook denken aan geestelijke redding, terwijl de Here na het sterven een gelovige doet opstaan.

Jakobus legt in dit gedeelte een verband tussen ziekte en zonden. Schuld belijden krijgt daarom ook een plaats. Hij zegt niet dat per definitie ziekte met bepaalde persoonlijke zonden te maken heeft, maar wanneer dat wel het geval is, dienen die zonden beleden te worden. Juist doordat Jakobus vervolgens heel de gemeente oproept om elkaar de zonden te belijden en voor elkaar te bidden, opdat genezing ontvangen mag worden, blijkt dat het werk van de oudsten niet op zichzelf staat. De gemeente is er ook bij betrokken. Voor de kerkenraad in Ermelo heeft dat ertoe geleid dat we, wanneer er een verzoek tot gebed met zalving is, ook in de gemeente voorbede voor de betreffende zieke doen.

Praktijk

In de praktische uitvoering proberen we de lijn van Jakobus op de voet te volgen:

Een verzoek tot gebed waarbij zalving plaatsvindt, moet van een gemeentelid zelf komen. De wijkouderling samen met zijn teamouderling toetsen de motieven en praten hierover door. Belangrijk is te weten wat het gemeentelid van de zalving verwacht. Wanneer het gezien wordt als een magisch middel om misschien toch nog genezen te worden (naar de regel: baat het niet dan schaadt het ook niet), wordt uitgelegd dat Jakobus dat beslist niet bedoeld heeft. Het hoogste doel moet ook niet zijn genezing op zichzelf, maar het verlangen om aan de Here toegewijd te leven. Het is een jezelf helemaal aan God toevertrouwen, opdat Hij zal doen wat goed is. Lichamelijke genezing is niet uit te sluiten, maar de Here kan ook op andere manieren zegen schenken.

Het is mogelijk dat het gemeentelid een schuld wil belijden. Ook hierover kan gesproken worden. Wanneer er sprake is van een zonde tegenover een naaste zal geprobeerd worden tot onderlinge verzoening te komen voordat gebed met zalving plaatsvindt.

Het gesprek van de twee ouderlingen wordt verslagen op de kerkenraad. Deze beslist na advies van de bezoekende broeders. Bij positief advies wordt de gemeente ingelicht. Op zondag wordt in de eredienst voorbede voor het zieke gemeentelid gedaan. Bij voorkeur wordt het gebed met zalving diezelfde zondag thuis of in het ziekenhuis bij het gemeentelid verricht. Omdat het om een pastoraal contact gaat geven we er de voorkeur aan niet allerlei mensen erbij aanwezig te laten zijn, zoals dat ook bij een gewoon (huis)bezoek niet het geval is.

Er zijn twee ouderlingen aanwezig. Eén ervan kan ook de predikant zijn, maar dat hoeft niet. Bij de zieke wordt begonnen met gebed. Daarna kan eventueel wat gezongen worden. Er is gelegenheid om indien dat nodig is zonden te belijden. Een passend Schriftgedeelte wordt gelezen. Daarna wordt onder handoplegging van beide ambtsdragers gebeden. In dat gebed wordt de zieke en de ziekte zo concreet mogelijk aangeduid. Hierna vindt de zalving plaats als onderstreping van het gebed. Enkele druppels olijfolie (die je zo bij een drogist kunt kopen) worden gesprenkeld op het voorhoofd van de zieke, waarbij gezegd wordt dat de zieke gezalfd wordt in de naam van de Here. Vervolgens kan er weer gezongen worden en wordt afgesloten met dankgebed.

Vanzelfsprekend kan het niet bij deze handeling blijven. Het is immers een onderdeel van het pastorale werk. Vervolgbezoeken voor zieke en eventuele gezinsleden zijn nodig.

Uitvoering

De gemeente was van tevoren ingelicht over de zienswijze van de kerkenraad via het kerkblad. De wijkouderlingen waren alert op reacties vanuit de gemeente. Er kwamen geen bezwaren binnen. Na enige tijd is er ook een themapreek gehouden. Niet alleen over de ziekenzalving maar over allerlei vragen met betrekking tot ziekte en de plaats van God daarin. Naast Jakobus 5: 13–18 werd Jesaja 53: 1 – 12 gelezen, terwijl de tekst Jesaja 53: 3 – 5 was. Het is dankzij het werk van Jezus Christus, de knecht des HEREN dat wij veel van God mogen verwachten voor tijd en eeuwigheid. Daar moet ons geloof op gericht zijn, daar mag ons gebed op gericht zijn, daar wijst ook de zalving met olie heen. Uiteindelijk gaat het erom dat wij op Hem gericht zijn en Hij de eer krijgt die Hem toekomt.

In de praktijk hebben we in Ermelo één keer het boven beschrevene toegepast bij de zuster die erom gevraagd had. Door alle betrokkenen werd dat als opbouwend ervaren. De zuster ervaart het ook nu nog (na een half jaar) als een bijzondere ervaring, waarin de nabijheid van de Here beleefd wordt. De Here mocht aan zijn eer komen.

Ds. Dunsbergen (1957) is sinds 1996 predikant van de gemeente van Ermelo.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.