+ Meer informatie

Naar de katechisatie

4 minuten leestijd

123

De rechtvaardigmaking. (1)

Ook de rechtvaardigmaking des zondaars voor God is een schakel van de keten, de orde des heils.

Wat verstaat men onder deze weldaad?

„Die rechterlijke daad Gods, waarbij Hij de zondaar vrijspreekt van schuld en straf en hem een recht geeft ten eeuwige leven.”

Wel is het woord „rechtvaardigmaking” de gangbare uitdrukking in de dogmatiek, maar we kunnen ook spreken van de „rechtvaardiging” van de zondaar voor God. Waarom? Omdat Rome leert, dat rechtvaardigmaking is een „instorten van rechtvaardigheid”. Dit standpunt houdt verband met Romes leer over de medewerking van de mens tot zijn zaligheid.

Bij Rome is de rechtvaardigmaking dus meer een ethische daad i n de mens. De reformatie stelde helder in ’t licht: de rechtvaardiging van de zondaar als een JURIDISCHE daad Gods, als een vonnis van vrijspraak over degene die God rechtvaardigt, geheel buiten alle verdienste van de zondaar, uit loutere genade. „Rechtvaardigen” staat tegenover „verdoemen”.

Daar nu de rechtvaardigmaking een rechterlijke uitspraak is, geschiedt zij dan ook BUITEN de mens, die gerechtvaardigd wordt. Het is een uitspraak o v e r deze mens.

Er is veel strijd geweest over de vraag, w a n n e e r die rechtvaardiging plaats heeft, van eeuwigheid of in de tijd.

De bekende wijlen Dr. A. Kuyper Sr. en Dr. A. Kuyper Jr. stelden die „van eeuwigheid”. Uit een vroegere les merkten we op, dat Kuyper de orde des heils liet beginnen bij de „wedergeboorte” en niet bij de roeping, omdat, zo redeneerde Kuyper, een dode niet kan horen. Daarom moet de wedergeboorte voorafgaan. Hij bedoelde dan een wedergeboorte in ENGERE zin, als een „kiem”, die jaren later pas tot ontkieming kan komen namelijk wanneer de roeping plaats heeft als een inwendige.

Dit standpunt van speculatief denken houdt verband met de rechtvaardigingsleer van Kuyper van eeuwigheid. De uitverkorenen komen dan als reeds „gerechtvaardigden” ter wereld. Maar „onbewust”. Daarom moeten zij tot de „bewustheid” ervan komen (alsook van hun wedergeboorte). We zouden kunnen zeggen, dat Kuyper’s leer niet anders is dan een „bewustzijns-leer”, waaruit voortvloeide de „veronderstelling” van wedergeboorte en rechtvaardigmaking. De prediking komt dan dus tot verondersteld-wedergeborenen en gerechtvaardigden. Daarom is die leer zo gevaarlijk en misleidend.

Onze vaderen stonden op het Schriftuurlijk standpunt, dat de rechtvaardigmaking geschiedt i n d e t ij d, want zij wordt gekend door het g e l o o f. Ook onze Belijdenis-geschriften delen dit standpunt. Het is ook volkomen volgens de Bijbel. We lezen in Romeinen 8 : 30: „En die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.”

Duidelijk blijkt uit deze tekst, dat de rechtvaardigende daad Gods nâ de roeping plaats heeft, nl. de inwendige roeping, dit is dus i n de tijd en niet zoals Kuyper ook de roeping stelde van eeuwigheid.

Nu is het opmerkelijk, dat COMRIE in zijn Brief over de Rechtvaardigmaking ook zogenaamd stelt een rechtvaardiging van EEUWIGHEID. Men zegt dan, dat Comrie afgeweken is van zijn standpunt, zoals hij dat verdedigd had in zijn „eigenschappen des geloofs”, waarin hij stelde dat zij plaats vindt in d e t ij d. Comrie ontkende dit zelf ten stelligste. De meer sterkere uitdrukkingswijze in zijn „Brief” hield verband met zijn strijd tegen de Antinominianen. Wanneer Comrie het heeft over de rechtvaardigmaking van eeuwigheid, dan bedoelde hij ermee, dat het BESLUIT van de rechtvaardigmaking van eeuwigheid is. En dit is ook metterdaad zo. Zeer zeker was dit ook een daad, maar dan bedoeld als een z.g.n. „INKLEVENDE” DAAD GODS. Brakel schrijft in zijn „Redelijke Godsdienst”: „dat God van eeuwigheid heeft voorgenomen de Zijnen door Christus verdiensten te rechtvaardigen, maar dat is de rechtvaardigmaking zelve niet, waarvan de Schrift spreekt.”

Dat de rechtvaardigmaking in de TIJD geschiedt, blijkt ook uit het feit, dat zij wordt gekend DOOR HET GELOOF. Maar hierover nader in een volgende les D.V. De stof is wel wat ingewikkeld, maar het gaat ook om zulk een gewichtvolle zaak. Mocht het echter niet alleen bij een verstandelijke beschouwing blijven, doch ook een geestelijk belang van het hart zijn of worden om de zalige beleving te mogen kennen van het:


„Welzalig is de mens,
wien ’t mag gebeuren,
Dat God naar recht,
hem niet wil schuldig keuren.”


Urk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.