+ Meer informatie

DIAKENEN: EEN STUWENDE KRACHT NAAR DE BRUG

16 minuten leestijd

Inleiding

In de jaarvergadering van uw vereniging in 1982 kwam de verhouding tussen ambts-dragers (in casu diakenen) en professionele hulpverlener aan de orde. Het vermoeden werd uitgesproken, dat ambtsdragers vaak met Problemen bezig zijn, die toch eigenlijk liggen op het terrein van de maatschappelijk werker.

Een jaar erna, in 1983, hield mevr. M.P. van der Schaaf, directeur van het adviesbureau De Brug, een referaat over „de verhouding pastoraat-diaconaat en maatschappelijk werk”. Zij signaleerde het feit dat in de praktijk weinig diakenen contact opnemen met De Brug en vroeg zich af wat daarvan de oorzaken zouden kunnen zijn.

Nu, zeven jaar later, stelt het bestuur deze zelfde zaak op de jaarvergadering van de vereniging aan de orde. Nog steeds moet geconstateerd worden dat er onvoldoende samenwerking is tussen de diakenen in de plaatselijke gemeenten en de werkers hier aan het bureau. Het jaarverslag 1989 meldt op blz. 15:

„Zoals in de vorige jaarverslagen ook vermeld wordt, zijn het merendeels de ouders, die onze hu/p aanvragen. Hierin is geen verandering gekomen. Wij zullen ons er op bezinnen, welke middelen gebruikt moeten worden, zodat jongeren meer rechtstreeks een beroep doen op ons bureau… ”

Men kan uit deze zinsnede ook opmaken dat diakenen bij doorverwijzing nauwelijks een rol speien. Eén bladzijde verder wordt die indruk bevestigd uit het staatje, waarin de aanmeldingen staan afgedrukt: 9 jongeren meldden zichzelf, 60 ouders namen contact op en… slechts via één ambtsdrager kwam een hulpverlening tot stand.

Begrijpelijk dat het bestuur besloot in deze morgenvergadering de vraag onder ogen te zien, hoe de diakenen stuwende krachten kunnen zijn voor het werk aan De Brug.

Verrassend is overigens dat ambtsdragers blijkens het jaarverslag 1989 wél geneigd zijn door te verwijzen naar het Anker (het bureau voor huwelijksproblematiek). Uit de cijfers blijkt (blz. 5) dat 33 % van de contacten via ambtsdragers tot stand kwam.

Vooraf dient met nadruk gesteld te worden, dat het bestuur dankbaar is voor de wijze waarop het werk hier in Utrecht in gebed en (financiële) bijdragen gedragen wordt door de kerken. Daar schort het niet aan. Het feit dat u hier vandaag allen bent, uit alle hoeken van ons land, als vertegenwoordigers van chr.geref.diaconieën, bewijst uw liefde voor ’t werk - in de volle breedte: de Stuw, de Brug en het Anker.

Wat kan er zoal mis zijn?

We willen trachten op het spoor te komen hoe het toch komt dat in de praktijk zo weinig vanuit de diaconale contacten plaatselijk wordt doorverwezen naar De Brug. Daar kunnen verschillende oorzaken voor zijn. Ik noem ze eerst om ze vervolgens met u te doorlopen.

1. Er kan een spanning zijn tussen de opvatting van het diaconale, ambtelijke werk en het niet-ambtelijke werk dat hier in Utrecht gebeurt.

2. Er kan een wantrouwen zijn t.a.v. de vraag: wat doen ze eigenlijk aan die advies-bureaus, voortkomend uit onvoldoende bekendheid met het werk.

3. Er kan sprake zijn van voldoende vertrouwd maatschappelijk werk in uw directe omgeving zodat u De Brug niet nodig hebt.

4. Er kan sprake zijn dat diakenen in het wijkwerk onvoldoende gespitst zijn op de gebroken situaties die zich in gezinnen kunnen voordoen en waarbij deskundige hulp geboden is.

Strikt genomen zou ik mij vanuit het verzoek van het bestuur alleen met het laatste punt behoeven bezig te houden; toch wil ik ook de eerste met u langsgaan, juist omdat er blijkbaar in zeven (!!) jaar nog zo weinig veranderd is en de diakenen als geheel nog te weinig „stuwende krachten’ zijn naar de Brug (of het Anker).

Spanning ambt en maatschappelijk werk

Er zijn in de jaren waarin het maatschappelijk werk goed van de grond kwam, onge-veer vanaf de jaren zeventig, vele publikaties versehenen over de relatie tussen het ambtelijk werk in de gemeente van Christus en de maatschappelijke dienstverlening. Duidelijk is dat het maatschappelijk werk uit het diaconaat is opgekomen. Door sub-sidiëring van de overheid (jaren zeventig) en verdergaande professionalisering is men langzamerhand ook uit elkaar gegroeid. In de Geref. Kerken (Vrijgemaakt) is over deze dingen een stevige discussie gevoerd eind jaren zeventig, begin jaren tachtig. De gedachte leefde daar, dat gemeenteleden slechts via hun ambtsdragers naar de maatschappelijk werker zouden moeten gaan. Dat is vervolgens in deze kring ook weer tegengesproken (A.J. Hendriks, Dienst, febr. 1977).

Ik ben er niet geheel zeker van dat dit in de praktijk ook niet bij ons voor zou kunnen komen. Onlangs stond er in Trouw een interview met mevr. drs. C. Krämer-Terlouw; zij vertelde over een ambtsdrager die tien tot vijftien gesprekken had gevoerd met een gemeentelid, alvorens eindelijk door te verwijzen, met als gevolg dat de zaak meer dan ooit vast zat… (Trouw, dinsdag 1 mei 1990).

Het is niet mijn taak vanmorgen uitgebreid de relatie pastoraat en maatschappelijk werk uit de doeken te doen; dr. (toen nog drs.) A. Noordegraaf heeft bijv. hierover goede dingen geschreven in „Christelijke hulpverlening in een veranderende tijd”, blz. 25-79. En ook de namen van A. Romein en W. Huyzer kunnen met ere worden genoemd. Toch kan er ook onder u die vraag leven, en dan kan hij maar beter boven tafel komen.

Zo’n vraag kan ook te maken hebben met een tweede:

Onvoldoende bekendheid met het werk

In zekere zin is de structuur die wij als kerken met de Vereniging voor Jeugdwelzijn hebben, tamelijk uniek: terwijl de overheid allerwege, in onderwijsinstellingen en in andere maatschappelijke structuren, aandringt op regionalisering, werken wij met een landelijke instelling. Onze wortels liggen in het Kindertehuis en we hebben allemaal onze goede herinneringen daaraan. Daaruit is ook het adviesbureau opgekomen. Maar heeft dat bureau net zo’n duidelijk gezicht als het aloude Kindertehuis?

Het werk aan het Jeugdhuis kan regelmatig voor het voetlicht geplaatst worden: in Dreefnieuws (dat u hopelijk regelmatig leest) kunt u zo nu en dan interviews lezen met één van de bewoners. Het werk aan De Brug speelt zich meer „in het verborgene” af. Kan dat een reden zijn voor te weinig doorverwijzen? Is er een te weinig helder beeld van wat de medewerkers aan het bureau doen?

Bij de voorbereiding van dit verhaal heb ik enkele scripties gelezen van Studenten aan de Hogeschool De Vijverberg, die een studie over de samenwerking tussen diaconieën en maatschappelijk werk hadden gemaakt. Daaruit bleek mij zelfs in een plaats waar het plaatselijk maatschappelijk werk goede betrekkingen onderhoudt met de kerken (i.c. diaconieën), er toch onvoldoende zicht kan zijn op het werk (bijv. M. Sonnenberg en G. Veldhuizen, Diaconaat en maatschappelijke dienstverlening - samenwerking mogelijk en nodig, blz. 44v).

Moet het bureau meer inzicht geven - in algemene zin - van haar werk? Verwijst u als diakenen simpelweg niet door, omdat u niet weet bij wat voor zaken u kunt doorver-wijzen? Komt het daardoor dat er in de praktijk van het werk toch een kloof is tussen het diaconaat en het adviesbureau? En wellicht hebt u dan ook wel ideeën hoe dat veranderd zou kunnen worden.

Goede mogelijkheden in de omgeving

Over de derde mogelijkheid kunnen we erg kort zijn. Wanneer u op verantwoorde wijze in uw eigen omgeving terecht kunt voor hulpverlening waar jongeren in de knoop zitten, zult u niet naar De Brug verwijzen. Daar zal ieder respect voor hebben. Er zijn nog instellingen voor maatschappelijk werk, die principieel verantwoord werken. Het bestuur zal het graag vanmorgen van u horen als hun werk daarom voor u niet nodig is.

Onvoldoende zicht op de problemen die zich in de wijk voordoen

Gezien het aantal aanmeldingen dat zonder tussenkomst van de diakenen in Utrecht binnenkomt, moet echter ook gedacht worden aan een vierde mogelijkheid; deze namelijk, dat diakenen te weinig attent zijn op verstoorde situaties in de gezinnen, waar zij als ambtsdrager verantwoordelijkheid voor dragen.

Hopelijk kunnen wij hier het er allemaal over eens zijn, dat zaken die in de samenleving aan de orde zijn, en die ontwrichtend kunnen werken in de persoonsvorming van de jongeren, aan de kerk van de Here Jezus Christus niet voorbijgaan. Integendeel. Eens per jaar krijg ik cijfers onder ogen van zaken waar schoolpastores mee te maken krijgen van jongeren uit „onze kringen”, de brede gereformeerde gezindte. Het is uit principieel oogpunt bezien schrikbarend om dan te ontdekken dat ook onder ons „alles” voorkomt. De directeur van „De Stuw”, mevr. E. Sonnenberg, vertelde in Trouw onlangs, dat zij moedeloos werd van incest (Trouw, woensdag 28 maart 1990). Ook onder óns doen zich gevallen voor van mishandeling; ook ónze jongeren hebben te maken met depressieve gevoelens, die kunnen leiden tot neiging tot zelfmoord; het gevoel mislukt te zijn, nergens nut voor te zijn… jongeren die in de stroom hebben gezeten van de grote werkloosheid en die gaandeweg merken dat zij tot de generatie behoren die wel niet aan het werk zal komen.

Maar ook jongeren die een beeld hebben opgedaan van God als één voor Wie je bang moet zijn; de prediking over Gods straffende hand over de zonde heeft bij hen zo scheef gewerkt, dat zij er depressief onder geworden zijn. Ik zeg hier niet dat dit altijd een gevolg zou zijn van een onevenwichtige prediking - al dienen we onszelf als predikanten daar altijd op te onderzoeken; er kan ook sprake zijn van een psychisch onevenwichtige structuur. Maar dan nog…!

Op De Brug en De Stuw krijgen de medewerkers Signalen door van jongeren die thuis niet die warmte en gezelligheid vinden die nodig is om hen vast te houden in die zeer belangrijke fase naar de volwassenheid. Zeker, er is sprake van jongeren die „gewoon” zaterdagsavonds de deur uit willen, wát ouders ook doen; er is echter ook sprake van ontvluchten van de kilheid die thuis wordt opgemerkt, van een vlucht uit de stilte die er in feite heerst onder het „oog van de TV”.

Het Reformatorisch Dagblad gaf aandacht aan een onlangs gehouden enquête op de Scholengemeenschap Guido de Brès. Daaruit bleek dat veel jongeren het ouderlijk huis ontvluchten en de gezelligheid in de groep zoeken. Daarbij speelt ook het feit dat in gezinnen meermalen sprake is van een dubbel inkomen, een niet onbelangrijke rol: „Moeder kwam thuis van haar werk en vader stapte op” (RD, vrijdag 23 febr. 1990).

Te denken is verder aan die jongeren die in de knoop komen door gokverslaving, het draaien van 06-nummers e.d. Onze jongelui hebben doorgaans wel wat geld. Onlangs, toen ik in Den Haag in het centrum zocht naar een eenvoudige gelegenheid voor een „warme hap”, stond ik naast een jongen die „even” een biljet van 100 gulden los uit de zak van het spijkerjasje haalde… Of het geld altijd op een verantwoorde wijze wordt besteed? De gevolgen laten zich denken!

Hoe komen diakenen er achter?

Wellicht denkt deze of gene onder u bij het aanhoren van dit verhaal: maar dat zijn toch zaken voor de dominee? Inderdaad is het zo, dat een predikant vaak zaken op het spoor komt - lang niet altijd trouwens. Toch neemt dat de taak en de verantwoor-delijkheid van de diaken niet weg. Eerder zeiden we vanmorgen tegen elkaar dat diaconaat en maatschappelijk werk sterke banden met elkaar hebben. Als diaken hebt u de taak „in noden en moeilijkheden van onderscheiden aard met raad en daad steun te verlenen”. U staat „in de gebrokenheid van de menselijke verhoudingen in dienst van Christus, Die de arme zal redden die om hulp roept, de ellendige en wie geen helper heeft” (bevestigingsformulier voor ouderlingen en diakenen, red. 1974). Wellicht moeten we elkaar eerst opvoeden bij de gedachte dat we in het bezoekwerk in de wijk wel degelijk een taak hebben om deze dingen op te sporen, en zo een stuwende kracht te zijn naar De Brug.

Het is ook goed denkbaar dat u het gevoel hebt met deze gesignaleerde Problemen (en waarom zouden ze zich niet bij u in de wijk voordoen?) niet uit de voeten te kunnen. Hoe kom je er achter?

Allereerst is noodzakelijk een goede band met de leden die in uw wijk aan u zijn toe-vertrouwd. Ook diakenen dienen de wijk in te gaan en hun huisbezoeken af te leggen. Het zou mij niet verbazen wanneer men daar in vele gemeenten nog niet aan gewend is; de diaken kwam vanouds wanneer er financiële Problemen waren. En verder… houden diakenen hun vergaderingen en zitten zij in commissies en diverse organen, al of niet in samenwerking met andere diaconieën. Er is ook een andere geest in de gemeente nodig, wil de diaken in deze tere zaken het vertrouwen krijgen dat hij nodig heeft.

Wat dat betreft is het bepaald verontrustend dat jongeren niet zo snel naar een ambtsdrager gaan met hun Problemen. Uit het eerder genoemde onderzoek aan Guido de Brès bleek dat jongeren ambtsdragers nauwelijks spreken. De predikant nog het meest via de catechisatie, maar ook dan durven veel jongelui de stap naar de pastorie nauwelijks te wagen. De afstand is blijkbaar nog erg groot; is het „bijzondere ambt” in deze tijd, die vol is van gezagsrelativering, in onze kringen nog zo onaangeast dat men de afstand tot de ambtsdrager te groot acht om contact te zoeken?

Via een contact met de jeugdouderling kan de wijkdiaken een bekend gezicht worden bij de jeugd. Een bezoek aan een club of vereniging, een uitnodiging voor een ochtend koffiedrinken na de kerkdienst voor de jongeren die in de wijk wonen: het kan allemaal bijdragen tot een verkleining van de kloof die er blijkbaar is. Want de Problemen zijn er… maar wij komen ze zo moeilijk op het spoor!

En als de diaken eenmaal de problemen op het spoor is…

De ervaring aan De Brug leert dat veel problemen te lang doorzieken. Eerder in deze inleiding werd daarvan reeds een voorbeeld gegeven. Ambtsdragers geven soms moeilijk iets uit handen; het gevolg is dat er voor de deskundigen niet veel anders over blijft dan „puinruimen”. Door mij zal niet de Stelling verdedigd worden dat dit altijd aan de betrokken ambtsdrager ligt. Soms is het betrokken gemeentelid ook bang voor aanmelding bij deskundige hulp. Het is me verschillende keren overkomen dat ik bij het op weg gaan met een gemeentelid inzake problemen als boven geschetst daar duidelijk mijn eigen grenzen moest aangeven; het is verleidelijk om als ambtsdrager toe te geven aan vertrouwen dat men in je stelt. Maar juist het feit dat maatschappelijk werk „wegloopt” uit het diaconaat, moet diakenen - en andere ambtsdragers - eigen grenzen doen kennen en op tijd over laten schakelen op het bureau. Het feit dat de medewerkers aan het bureau voortdurend bezig zijn bij te Scholen (bijv. door een cursus Complex Agogische Situaties) en het feit dat steeds meer onder hen hun opleiding hebben ontvangen aan een opleiding van onverdacht gereformeerde signatuur, moet het diakenen ook des te gemakkelijker maken hun het vertrouwen te geven dat ze verdienen. Niet om daarmee zelf uit het gezicht te verdwijnen. Bepaald niet! Maar wel om des te beter te kunnen helpen en in onderlinge samenwerking tussen diaconaat en De Brug het gemeentelid en het betrokken gezin weer in het rechte spoor te krijgen.

Voorkomen is beter dan genezen…

De bedoelingvan deze inleiding in opdracht van het bestuur van de vereniging is uiteraard niet om de werkers van het bureau De Brug zo veel mogelijk werk te verschaffen om het werk zonder meer. Voorkomen is nog altijd beter dan genezen. Geldt dat reeds als spreekwoord in de volksmond, dan nog meer in de gemeente van Christus, die immers uit het heil zal leven dat God in Christus haar wil geven.

Daarom is er ook niets op tegen wanneer u als diaken bij uw bezoeken de vinger legt bij situaties die uit de hand zouden kunnen lopen in de toekomst (er vanuitgaande dat u een goede verhouding hebt met het betrokken gezinl). Waarom bij dubbele inkomens niet eens een gesprek aangaan over de Problemen die daaruit voort kunnen vloeien? Waarom in situaties van langdurige ziekte of blijvende werkloosheid niet eens praten over de psychische belasting in het gezin en de daaruit voortvloeiende druk op de kinderen? Waarom niet eens een gesprek over de invloed van de media op onze gezinnen, nog voordat er sprake is van een uit de hand gelopen situatie?

Ik realiseer mij daarbij dat we hier - en ook al eerder deze morgen bij gelanceerde ideeën - stuiten op het feit dat het nog niet zo gemakkelijk is om echt samen een gesprek te voeren. Juist bij deze delicate zaken luistert het heel nauw, en ontstaan al snel misverstanden en irritaties. Cursussen gesprekstechniek, wellicht in samenwerking met het bureau ADMA, zouden wel eens niet overbodig kunnen zijn.

We horen het graag van u, als u in die zin een stuk toerusting nodig hebt. Het is geen schande te erkennen dat je nog iets moet leren.

Tenslotte

Ik hoop enigszins voldaan te hebben aan datgene wat van mij gevraagd werd vanmorgen. Ik hoop u als diakenen ook niet al te zeer ontmoedigd te hebben. Veeleer was het de bedoeling niet het werk tot stilstand te brengen, maar wel samen te zien hoe het gestuwd kan worden, met name in de richting van onze Vereniging; opdat diakenen - vanuit het werk van Jezus Christus, die in ons midden was als één die dient, als Diaken dus - met des te meer vrucht hun arbeid zouden kunnen doen. Uiteindelijk dienen zij in de gemeente en in de kerken en hebben zij ook recht op hulp vanuit de gemeenschap die gemeente en kerken willen zijn!

Enkele discussievragen bij het onderwerp „Diakenen: een stuwende kracht naar De Brug”

1. Hebt u vanuit uw ervaring de indruk dat ambtsdragers geneigd zijn te lang te wachten met het inroepen van deskundige hulp bij een gebroken situatie (in een gezin) en dat zij te lang zelf „sleutelen” aan een probleem?

Is er wat dit betreft een spanning tussen het (diaken) ambt en het maatschappelijk werk?

2. Het is merkwaardig dat er wel verscheidene verwijzingen plaatsvinden jaarlijks via ambtsdragers naar bureau Het Anker, maar zeer weinig naar De Brug.

Hebt u een helder beeld van wat zich op De Brug afspeelt? Zo nee, hebt u suggesties hoe daar verandering in gebracht zou kunnen worden?

3. Gaat u als diakenen in uw gemeente ook op bezoek in uw wijk? En bent u dan attent op eventule „verstoorde situaties”? Hebt u de indruk dat u als zodanig welkom bent in de gemeente, zodat u uw werk met vrucht kunt doen?

4. Is er regelmatig contact tussen predikant en diaken of tussen de leden van het wijkteam (diaken, ouderling, evt. andere werkers in een wijk), waarbij u elkaar attent kunt maken op eventuele klemmende situaties?

5. Hebt u het idee voldoende toegerust te zijn voor dat deel van het bezoekwerk, dat vanmorgen de aandacht heeft?

Zo niet, hebt u ideeën hoe daar verbetering in aangebracht kan worden?

6. Tenslotte - wanneer daar tijd voor is - zou u elkaar in de groep kunnen dienen door het uitwisselen van onderlinge ervaringen in het kader van het vandaag aan de orde gestelde probleem.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.