+ Meer informatie

G.O.S. Sydney 1972, bezien door lekebril!

7 minuten leestijd

De redactie vroeg mij „enige indrukken” te geven van de deze zomer in Sydney gehouden vergadering van de Gereformeerde Oecumenische Synode.

Ik moet eerlijk bekennen, dat het voor mij een zware opgave is, na de artikelen die Prof. Versteeg en ik in ons aller „Wekker” hebben gepleegd, nog niet eerder gepubliceerde indrukken te geven en dan speciaal voor onze ouderlingen en diakenen.

Met ouderlingen en diakenen heeft de Synode zich immers niet bijzonder bezig gehouden. Of het moest zijn — maar dat wist U al —, dat de Synode bij herhaling uitsprak, dat het ouderlingenambt alleen voor mannen is gereserveerd. Over de vrouw in het diaconaat was men het niet geheel eens. En wat doe je dan ?

Juist, U hebt het als ervaren kerkelijk vergaderaar al geraden: je verwijst de zaak (opnieuw) naar de studiecommissie, zodat je er D.V. in 1976 weer over kunt gaan praten. De Gereformeerden trekken zich daar dan weinig van aan; die gaan gewoon door met bij de Wereldraad aangesloten te blijven en vrouwen op de preekstoelen en in de dwarsbanken te brengen. En de zendelingen in Polynesië, die geconfronteerd worden met het matriarchaat, waarin de man elk gezag mist, blijven nog even voorttobben. Maar alle anderen, het er intussen over eens zijnde dat de vrouw in het kerkelijk leven een complementaire taak heeft, wachten nog vier jaar op het rapport van een commissie, die er ook wel weer niet zal uitkomen.

Daarmee kom ik dan eigenlijk tot mijn eerste indruk, n.1. dat zo’n Synode in feite onbevredigend functioneert. Dat is een gevolg van de gebrekkige voorbereiding van belangrijke agendapunten en dat is weer een gevolg van de financiële

onmacht van een wereldomspannend lichaam.

Want wat is het geval ? De Synode stelt een studiecommissie in. In die commissie moeten uiteraard verschillende stromingen in de gereformeerde gezindte (aanhangers van de Heidelberger, maar ook belijders van de Westminster Confession) zijn vertegenwoordigd, waarbij bovendien rekening moet worden gehouden met de verschillende benadering van het probleem in de verschillende delen van de wereld (denk eens aan het rassenvraagstuk of aan de kwestie der Christelijke organisatie).

Zo zou elke studiecommissie eigenlijk moeten uiteenvallen In tenminste vier subcommissies: een Europese, een Amerikaanse, een Zuid-Afrikaanse en een Indisch-Australisch-Polynesische. In de praktijk beperkt men zich tot twee of drie. Elke subcommissie krijgt een samenroeper aangewezen en de gezamenlijke samenroepers vormen de rapporteurs van de studiecommissie.

Nu is het al vrijwel onmogelijk — ik spreek uit langjarige ervaring — zo’n subcommissie eens te laten vergaderen. De samenroeper vindt tenslotte een lid bereid, een stuk te produceren, dat wordt rondgezonden, geamendeerd, weer wordt rondgezonden, van een minderheidsnota wordt voorzien en tenslotte dan maar in vredesnaam als rapport van de studiecommissie wordt beschouwd. Dat kost de samenroeper meer tijd aan telefoneren, brieven schrijven en rappelleren dan het de eigenlijke schrijver van het stuk kost om het te produceren.

Enfin, zo worden dan eindelijk evenveel rapporten gebaard als er subcommissies zijn. En nu moeten de samenroepers proberen die rapporten zodanig in elkaar te schuiven, dat het één eindrapport wordt.

Wat in een vergadering van misschien twee dagen zou lukken, kost nu aanmerkelijk meer tijd aan schrijven, rappelleren, corrigeren en amenderen. Wat er tenslotte uitkomt, is voor de geestelijke vaders van de oorspronkelijke stukken vrijwel onherkenbaar geworden. De fijne puntjes zijn er af, een grootst gemene deler is overgebleven en in het (historische !) geval van een bekwame samenroeper verdwenen alle rapporten spoorloos en kwam een geheel nieuw rapport ter tafel, tot aller opperste verbazing voorzien van de namen van alle commissieleden.

Dr nu is een kwalijke werkwijze. Men moet òf eens in de 4 jaren samenkomen, de broederschap beleven en weer naar huis gaan öf tot werkelijke uitspraken geraken, gebaseerd op een goed doorwrocht studierapport, en het geld op tafel brengen om zo’n rapport in een bijeenkomst van alle commissieleden te laten samenstellen.

Ziedaar mijn eerste indruk.

De tweede indruk. En ook die raakt zijdelings de ouderlingen en diakenen.

Onze eigen Synode bestaat uit evenveel predikanten als ouderlingen en daarnaast nog uit enkele diakenen. Dat heeft — ik bekijk het nu gewoon praktisch — het voordeel, dat men voor bedrijfsblindheid wordt behoed, als ik het zo noemen mag. Predikanten zijn theologen, levende van en voor de kerk. Ouderlingen en diakenen staan in het maatschappelijk leven en brengen andere ervaringen in. Zij kunnen soms uitmunten door een verrassende nuchterheid, zij staan wat vrijer in het kerkelijk leven en zij hebben iets meer behoefte aan ook voor een leek duidelijke uitspraken. Als — maar dit is een uiterst gechargeerd voorbeeld

— van de Synode een uitspraak zou moeten worden gevraagd over de zonde, dan zegt de leek: tegen. Maar een theoloog begint met een uitvoerige beschouwing over de vraag, welke zonde bedoeld kan zijn, in welke situatie zij plaats vindt en of zij door berouw wordt gevolgd, alvorens hij zich, in het licht van vroegere synodale uitspraken, waagt aan het begin van een beantwoording.

Nu moet geen dominee boos worden, want ik wilde alleen maar zeggen, dat de G.O.S. een al te eenzijdige samenkomst van theologen dreigt te worden. Op een gezelschap van circa 80 man in Sydney vermocht ik 2 (twee) nietpredikanten te tellen. De ene was een ouderling van de Chr. Ref. Churches in Amerika, de andere was de schrijver van de voorgaande alinea. Daarmee is dan tevens duidelijk gemaakt, waarom juist onze Chr. Geref. dominees niet boos behoefden te worden, want het zijn uitgerekend onze Kerken, die èn in Grand Rapids 1963 èn in Lunteren 1968 èn in Sydney 1972 — dus zolang als we bij de G.O.S. zijn aangesloten — haar twee stemhebbende leden tellende delegatie lieten bestaan uit één theoloog en één niet-theoloog, nog erger: een jurist.

Ik zou vurig wensen, dat dit voorbeeld (waarvan onze Kerken echt geen vaste regel hoeven te maken, want de te behandelen onderwerpen moeten er zich wel voor lenen) door andere Kerken wordt gevolgd en in de G.O.S. een grotere dosis nuchterheid en zakelijkheid werd geïntroduceerd en de onderwerpen nog wat meer raadvlakken met het gewone leven en de dagelijkse problematiek van het gemiddelde kerklid kregen. Dat zou de directheid en duidelijkheicd van de uitspraken ten goede kunnen komen.

En dan nog een laatste indruk, die voor U, kerkelijke vergaderaar, interessant kan zijn.

Als U al eens mocht vinden, dat Uw praeses de vergaderingen te veel beheerst, te veel naar zijn hand zet, er zijn stempel te veel op drukt, U te veel manipuleert — een gevolg van ons Nederlandse vergadersysteem, waar de voorzitter de primus inter pares is —, weest U dan niettemin dankbaar, dat U niet hebt te maken met het Engelse systeem, waarin de voorzitter een volstrekt lijdelijke figuur is, geen eigen mening mag uitspreken, maar alleen de orde handhaaft, een onderwerp zelfs niet in stemming mag brengen als er niet uit de vergadering om stemming wordt gevraagd.

Aanvankelijk overheerste dit Engelse stelsel ook in de vergaderingen van de G.O.S. — ik denk aan 1963 —, maar geleidelijk zijn er wat Nederlandse elementen ingebracht, mede dank zij het feit dat een Nederlander (Prof. Runia) zowel in 1968 als nu optrad als voorzitter. Van een Nederlandse voorzitter moet je geen volstrekte lijdelijkheid verwachten, zij het dat de Amerikanen zich maar nauwelijks met een overigens nog bescheiden wijze van leiding geven kunnen verenigen. Je moet dan wel over de ontwapenende glimlach van een Runia beschikken om geen verzet op te roepen.

Zo zijn er dan toch nog „enige indrukken” op papier gekomen. Het leuke van indrukken is, dat ze vrijblijvend zijn. Ze zijn niet bewijsbaar. Een ander kan met evenveel recht andere indrukken hebben. Daarom geve ik de mijne graag voor beter.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.