+ Meer informatie

Sporen van de oorlog zijn er nog overal

Communistisch Vietnam op weg naar het kapitalisme

16 minuten leestijd

Twintig jaar geleden woedde de oorlog in Vietnam nog in alle hevigheid. Tienduizenden bommen en tonnen ontbladeringmiddelen verwoestten het land. Hoe is het nu in de staat waar het communisme overwon? Sporen van de oorlog zijn er nog volop. Niet alleen in het landschap, maar ook in de ziekenhuizen. Er heerst bittere armoede, maar ook een ontembare handelsgeest. Er is oficieel geen privébezit, maar wel volop particulier initiatief. Er is (nog) communisme, maar je merkt er niets van. Reportage uit een verscheurd land, dat het kapitalisme als de oplossing ziet voor alle problemen.

Als mijn gids en ik de zaklamp uitknippen, lijkt het alsof de stilte in een nog grotere lawine over ons heen rolt. We liggen op onze buik in een van de tunnels van het Cu-Chidistrict in het zuiden van Vietnam. Vanuit deze gangen, eens aangesloten op de legendarische Ho-TsjiMinhroute, die van Laos en Cambodja naar het zuiden liep, bestookte de Vietcong haar Zuidvietnamese en Amerikaanse vijand.

De tunnels waren tijdens de Franse bezetting in 1948 gegraven en tot een netwerk van 250 kilometer uitgebreid. In deze onderwereld van drie, zes en acht meter diepte schoof de Vietcong door de nauwe gangen. Langs valkuilen, waaronder gepunte bamboestokken wachtten, naar slaapruimtes, eetkamers en commandoposten, waar telefoons en typemachines stonden.

De tunnels waren zo goed verstopt dat de Amerikanen nooit begrepen waar de Vietcong zo plotseling opdook en dan weer verdween. Er was zelfs een compleet Amerikaans legerkamp op de tunnels gebouwd, zonder dat men iets in de gaten had.

Ten einde raad werden honden ingezet om de ingangen op te sporen. Maar die werden om de tuin geleid door het strooien van peper of de geur van Amerikaanse zeep, waarmee de Vietcong zich waste.

Geduld
Terwijl het zweet zich op mijn huid vermengt met het rode stof, en het suizen van mijn bloed als een stroomversnelling klinkt, probeer ik mij voor te stellen hoe de Vietcong er ooit in geslaagd is de toenemende druk van de Amerikanen te weerstaan. In deze verstikkende spookwereld van stof, slangen en schorpioenen lag men ineengedoken achter elkaar, terwijl het buiten bliksemde en dreunde en binnen het zand in sluiers omlaag dwarrelde.

Maar de Vietnamezen waren wel wat gewend. Na vele tientallen jaren van bezetting door Chinezen, Fransen, Japanners en nu nog eens Amerikanen, wist men dat men geduld en volharding nodig had. Ho-Tsji-Minh had al tegen de Fransen gezegd: Ook al vermoorden jullie tien van onze mensen tegen één die wij vermoorden, uiteindelijk zullen wij toch winnen. En men wachtte.

In de bergen, in de bossen en in de tunnels van Cu Chi. Gelaten en gedisciplineerd, maar soms op de rand van krankzinnigheid. Tot het door de Amerikanen aangestoken grootste vuurwerk aller tijden van 50.000 bommen eens zou doven en de giftige regen van 70 miljoen liter herbiciden eens zou opdrogen.

Bommen waren niet voldoende. De Amerikanen hadden gebieden in het zuiden tot "witte zone" verklaard, die geheel van bladeren moesten worden ontdaan, om zo de verstopte vijand op te sporen. Maar die wachtte geduldig acht meter onder de grond en kroop voorzichtig naar de oppervlakte toen het weer droog en stil was.

Men opende de door afgevallen bladeren en takken bedekte luiken, klom eruit en zag dat de wereld op was. Waar eens een machtig, dicht tropisch regenwoud had gestaan, was nu het absolute niets. Ontstegen uit de benauwde onderwereld van het rode zand, kwam men terecht in een wereld die nog doder was dan daaronder. Alles was weg. De bomen, de tijgers, de leeuwen en olifanten, de dorpen, de mensen...

Gif zit overal
Het gif drong langzaam door in het water en komt tot aan de dag van vandaag terecht in de lichamen van de Vietnamezen die het geteisterde land weer proberen op te bouwen. Nu wonen er weer mensen in het eens zo ondoordringbare gebied. Ze verbouwen er groente, cassave en maïs, die onbetrouwbaar is.

Ik was naar Vietnam gereisd op zoek naar sporen van de oorlog. Het bleek dat ik daarvoor niet naar de tunnels van Cu Chi hoefde te gaan. Of naar het ziekenhuis van Tu Du. Het hele land was een en al gevolg van de oorlog. En dan heb ik het alleen maar over datgene wat ik zag: de armoede, prostitutie, ziekte, verminkingen.

Maar welke beschadigingen er bìnnen zijn aangericht, heb ik nooit goed kunnen begrijpen. De oorlog werd door een chirurg fijnzinnig weggeglimlacht. Geen tijd voor rancune, het land moest nu worden opgebouwd en de patiënt worden genezen. De oorlog mag dan wel voorbij zijn, het aantal slachtoffers van het "chemisch offensief' neemt nog steeds toe.

Nu nog slachtoffers
In de propvolle zaal van het Te Du ziekenhuis word ik door angstige vrouwen aangestaard. In het ziekenhuis liggen de slachtoffers van de dioxine-oorlog. Nog steeds en in toenemende mate worden er kinderen met misvormingen, afwijkingen en open ruggetjes geboren. Een groeiend aantal vrouwen ligt er voor een vorm van baarmoederhalskanker die alles met dioxine te maken heeft.

De kinderen en vrouwen in dit ziekenhuis komen uit die gebieden die tijdens de oorlog ontbladerd zijn. Zuster Nguyen Thi Kim laat me de kinderen zien. Ze hebben misvormde handen en voeten. Het meisje Dinh, vier maanden, happend naar lucht; Hau en Giang, misvormd; Dúc, uit de hooglanden, in Japan operatief van z'n broertje gesneden.

Dokter Phuong Van Than leidt me rond in de zaal waar de vrouwen en meisjes met baarmoederhalskanker liggen. Ik vraag of ze nog een kans hebben. „Jazeker", knikt Van Than, „als ze medicijnen krijgen." Hij zwijgt en glimlacht en ik begrijp dat het geld er niet is. Het is niet alleen de oorlogserfenis of de weinig buigzame regering, die hier schuld aan is.

Het land lijdt onder een door de VS georganiseerde economische boycot. De enige Amerikaanse bezoekers zijn geen arts, verpleger of sociaal werker. Het zijn ambtenaren, op zoek naar de stoffelijke resten van 1800 vermiste Amerikaanse soldaten.

Ontbladeringsmiddel
Tijdens de Vietnamees-Amerikaanse oorlog is meer dan 23.000 vierkante kilometer bos vernietigd door "Agent Orange", "Agent White" en andere ontbladeringsmiddelen. Dat was twintig jaar geleden. Nu ligt het rode zand bloot en groeien er hier en daar voorzichtig weer wat bamboebosjes en acacia's.

Jonge tropische aanplant verbrandt steeds weer in de hete zon. Maar er zijn dipterocarpussoorten en ook mangrovebossen die weer terugkeren, aldus Truong Dau, boswachter in HoTsji-Minhstad, het vroegere Saigon. Onder een beschermend kronendak van acacia's en eucalyptus komen sommige bomen voorzichtig weer tot bloei.

In dit schemerige ecosysteem van schimmels en vochtigheid wordt het micromilieu nagebootst en komen de sprietjes en stompjes van toekomstige woudreuzen weer tot wasdom.

En zo komt ook Vietnam weer uit de ellende te voorschijn. De taaie overwinnaars uit het noorden installeerden een socialistisch-communistische regering, die aanvankelijk weinig goeds beloofde. In het Westen verschenen verhalen over honger, dwangarbeid en werkkampen, vertrouwde bestanddelen van een autoritaircommunistisch regime.

Maar wanneer ik door het land reis, is er haast niets wat me doet herinneren aan de starre staatsideologie van bij voorbeeld Cuba of de voormalige DDR. Het hele zuiden is omgetoverd in een grote vrijmarkt van groente, vlees, fruit en rijst. Overal wordt gehandeld en vervoerd. Lopend, met paard en wagen, op de fiets of in oude, krappe bestelbusjes. Van communisme geen spoor, maar de armoede zal me geen moment meer alleen laten...

Visum
Aanvankelijk leek het er op dat een reis naar Vietnam met de gebruikelijke bureaucratische heisa gepaard zou gaan. Ik had een visum nodig (duur, lang wachten) en een reisvergunning en moest me binnen 24 uur melden. In een reisbureau had men mij al omslachtig en met zwaaiende vingertjes gewaarschuwd: Ik mocht niet alleen door Vietnam. Ga maar met een groep, want anders krijg je straf.

Al vrij snel kwam ik erachter dat deze aanbeveling een financiële achtergrond had (groepsreizen zijn duur) en dat je met een reisvergunning zonder problemen het land op eigen houtje zou kunnen doorkruisen. Ik werd gewaarschuwd voor overijverige agenten, die, eenmaal in het bezit van je papieren, problemen zouden kunnen maken en een 'boete' zouden kunnen uitschrijven.

Nu is het inderdaad voorgekomen dat individuele reizigers door een politiefunctionaris werden aangehouden en pas na het betalen van honderd dollar weer konden vertrekken. Ik had er geen last van, hoewel ik enkele malen werd aangehouden en het gevoel had dat de agent een poging in het werk stelde om z'n maandsalaris wat aan te vullen. In zo'n geval zei ik dat al mijn papieren veilig in het hotel waren opgeborgen, zodat hij geen machtsinstrument in handen kreeg en een beetje voor aap bleef staan.

Overal sporen
Sporen van de oorlog zijn niet alleen zichtbaar in het ontboste landschap vol kraters. Die sporen zijn het leven om me heen. Anders gezegd: Waar word ik in Vietnam niet aan de oorlog herinnerd? Aan het strand van Nhatrang misschien, waar het geruis van neerklaterende golven en het suizen van palmtakken in niets verschillen met de rest van Azië.

Maar als ik die gammele vissersbootjes zie, herinner ik me de wanhopige exodus van honderdduizenden, die de armoede probeerden te ontvluchten. In de steden klampen bedelaars me aan en staat men op straat reclame te maken om een restaurantje of café te bezoeken. Doorlopend word ik aangestaard en aangesproken. „Monsieur", „You", "Hello."

De fietstaxibestuurders, de sigarettenverkopers en 's nachts de meisjes, die overal opduiken. Aangezet door familie worden ze in fietstaxi's naar de dure hotelbuurten gereden, waar ze op straathoeken in lange jurk of minirok met witbepoederde gezichten op klandizie wachten. In restaurants spelen ze voor nog geen dollar "gezelschapsdame" en stoppen je eten in je mond of zingen een liedje.

Of ze dit niet leuker vinden dan werken in de fabriek? Ik vraag dit enkele keren en steeds is het antwoord: „In de fabriek mag ik dan wel vier keer minder verdienen, maar als er daar werk zou zijn, zou ik dat doen. Hier verlies ik mijn gezicht."

Portretten
In Vietnam is geen honger, zegt men, maar dan moet er wel gewerkt worden. Van de vroege ochtend tot diep in de nacht. En ik zie ze, de duizenden fietstaxirijders, die overdag doelloos rondrijden en 's nachts in hun rijwiel overnachten. De honderdduizenden verkopers van zeepjes, snoepjes, sleutelhangers of wat dan ook. De zwervers tussen het vuil, de werkzoekenden.

Volgens het Vietnamese overheidsblad "Vietnam News" is de werkloosheid van de jaren tachtig toegenomen van 1 miljoen mensen tot 1½ miljoen in 1991. Alleen Ho-Tsji-Minhstad telt al 125.000 werklozen op een bevolking van drie miljoen. Het gevolg van de oorlog is de alledaagse realiteit, waarbij de communistische regering heeft getracht deze sporen weg te poetsen.

Dat is niet gelukt, maar van het communisme is trouwens ook niets te merken. Of het moeten de getekende portretten van Ho-Tsji-Minh zijn, die in elk gebouw opduiken. Of de borden waarin gewaarschuwd wordt voor overmatig drankgebruik of kaartspelen.

Staatsmonopolie
Boeren worden opgeroepen hun belastingen te betalen en de bevolking van Ho-Tsji-Minhstad wordt nog steeds aangespoord zich tegen de Amerikanen te verzetten. Maar waar is die regelzucht, de bureaucratie, werkkampen of gratis gezondheidszorg?

Op goed geluk stap ik binnen bij het ministerie van informatie en cultuur in
Ho-Tsji-Minhstad en vraag of er iemand Engels of Frans spreekt. Er wordt gezocht en na een halfuur verschijnt zowaar Dang Dac Chung, de chef van het bureau "externe relaties". En niemand die vraagt naar paspoort, vergunningen, visa.

Sterker nog: Ik mag vragen wat ik wil en confronteer Chung meteen met de vraag wat er nu eigenlijk zo communistisch is aan Vietnam. De grijze chef gaat rustig zitten, schenkt voor ons een kopje groene thee in en antwoordt dat er in Vietnam meer staatscontrole is. De staat houdt haar monopolie in de zware industrie, de handel en de energiebedrijven.

Maar hoe zit het met gezondheidszorg en onderwijs? In landen als Cuba en de voormalige DDR is en was dat gratis. In Vietnam moetje sinds kort stevig betalen als je ziek bent of wilt leren.
Chung erkent die problemen (ook al zo merkwaardig, in de heilsstaat is er immers niets aan de hand). „Er is niet genoeg geld voor gezondheid en onderwijs. Daarom moeten de staat en het volk "samenwerken" en moet iedereen een bijdrage leveren."

Maar hoe onderscheidt Vietnam zich nu van een kapitalistisch land als bij voorbeeld Thailand?
„Vietnam kent geen privébezit."

Wat hebben mensen in sloppenwijken daar nu aan als ze moeten wijken voor de hoogbouw van hotels?
„Elke staat die zich ontwikkelt, gaat dezelfde weg. Grote gebouwen kunnen alleen daar gebouwd worden, waar nu sloppenwijken staan. Een ieder die daar weg moet, krijgt trouwens schadevergoeding."

Bedelaars passen ook niet in het straatbeeld. Ik zag vannacht hoe ze werden opgepakt en in een vrachtauto gestopt.
„Bedelaars zijn een groot probleem. Voor elk land. Ze zijn overal, zelfs in de Verenigde Staten." Wat gebeurt er met ze ? „Misschien komen ze in een opvangcentrum terecht of in een trainingskamp, waar ze worden begeleid."

Deuk
Veel mensen verlaten Vietnam illegaal. Wat gebeurt er als ze bij voorbeeld door Nederland worden teruggestuurd? Volgens de wet krijgen ze dan drie tot vijf jaar gevangenisstraf.
„Dat klopt formeel. Men wordt dan van landverraad beschuldigd. Maar sinds de Doi Moi (de Vietnamese perestrojka, MvE) is deze wet niet meer van kracht. Zij die het land verlaten en terugkeren, worden met open armen ontvangen."

Maar ik hoor ook verhalen dat ze in werkkampen worden gestopt.
„Ze worden opgevangen in kampen voor de noodzakelijke formaliteiten om ze opnieuw te integreren in de Vietnamese samenleving." Eindelijk dan wat verbloemende, wazige, politieke taal (waar niet alleen totalitaire regimes patent op hebben), maar het blijft hier een beetje bij.

De socialistische propagandamachine van dogmatiek en gelijkhebberigheid komt niet echt uit de verf. Als ik Dang Dac Chun vraag naar de invloed van de omwentelingen in Oost-Europa, twijfelt hij zelfs. „Aan de ene kant kreeg ons geloof, ons vertrouwen in het socialisme een enorme deuk. Ook ik schrok enorm.

Maar aan de andere kant versterkte de ondergang van het socialisme in Oost-Europa ons in de mening dat wij op het rechte spoor zitten. Wij zijn immers niet ten onder gegaan, integendeel, ons bruto nationaal inkomen is alleen maar gestegen."

Maar de armoede ook.
„Armoede is onvermijdelijk als je op weg bent naar een kapitalistisch model. Waar meer rijkdom komt, neemt met de groeiende kloof ook de armoede toe."

En de honger? Is er honger in Vietnam?
„Ja, maar niet altijd en overal. Het komt voor in gebieden in het noorden, die door natuurrampen als orkanen en overstromingen zijn getroffen. De laatste hongersnood had in 1945 plaats, toen Vietnam door Japan was bezet. Boeren werden toen gedwongen om hun rijst te verbranden en over te schakelen naar industriële produkten als jute. In een jaar tijd zijn toen meer dan twee miljoen mensen gestorven."

Geen keus
Vietnam verschuift van een centralistisch geregeerd land naar een vrije-markteconomie, erkent Chung. „Want we hebben geen keus..." Het geronk van het gemotoriseerde verkeer in de Dong Khoistraat onderstreept de woorden van de chef. De straten van Ho-Tsji-Minhstad worden in toenemende mate verziekt door duizenden dure brommers en motoren, tekenen van de nieuwe tijd. Hier regeert de vrije markt.

Wie z'n fiets of brommer ergens kwijt wil, komt onvermijdelijk terecht in een van de honderden particuliere 'fietsenstallingen', waar het vervoermiddel in een rijtje wordt geschoven. Zo 'koopt' men stukjes trottoir op, legt er een laagje cement op en bewaakt dan het vervoermiddel door er een touw omheen te spannen en er een bewaker neer te zetten. Voor een paar centen wordt daar dan op je fiets gepast. De overheid ontvangt een percentage van de 'eigenaar'.

Veel huizen veranderen in een café of een winkel, waar snoep naast toiletpapier of waspoeder wordt verkocht. Het 's avonds in een café omgebouwde huis wordt voorzien van verschillende meisjes, die bij de klant aanschuiven en een drankje of 'overige diensten' proberen te slijten.

Aan het strand van Nhatrang word ik door meisjes de bosjes ingetrokken om maar plaats te nemen op een te verhuren strandstoel. En of ik een drankje wil, of een kom vissoep, kokosnoten, een levende krab, een zwaardvis. Van honger in het zuiden geen spoor. Overal voedsel, overal wordt gekookt en gehandeld. Elke dag rijden honderden vrachtwagens vol met rijst naar het noorden en Hanoi.

Restauratiewagon
In de trein van Ho-Tsji-Minhstad naar Nhatrang vraag ik onnozel naar de restauratiewagon. Er wordt hard gelachen en uitgelegd dat de hele trein restauratiewagon is. En inderdaad, kort daarna worden mij een kom rijst, mie, kokosnoot en groene thee onder de neus geschoven.

Nieuwsgierig naar de herkomst zie ik even later overal in de trein walmende, stenen oventjes op de zwartgeblakerde en gescheurde vloeren van de treinwagons. Particulier initiatief heeft de overheid ingehaald, lijkt het. Als ik op het station van Dalat informeer naar het treinstel op het perron, legt men uit dat men wel wil rijden als er per persoon 30.000 dong (nog geen drie dollar) wordt betaald.

Even later ben ik de enige passagier op weg naar Trai Mat, zeven kilometer verderop. Met een machinist, een conducteur en een storingsmonteur, die in Trai Mat ook nog even voor gids speelt.

Politie handelt mee
Iedereen zet z'n handel op straat. De kapper, de orenpoetser, de olieverkoper, een meisje met romans en nieuwjaarswensen. En de politie, de overheid? Die handelt gewoon mee. Zo deed een kennis onlangs aangifte van een gestolen fiets. Een week later was de fiets nog niet gevonden, maar stond er wel een andere. Kreeg hij die gewoon mee.

En ja, toeristen, of reizigers zijn het voornaamste mikpunt, want die hebben geld. Zo probeerde ik eens zelfstandig een fiets te huren, hetgeen mij door de hoteleigenaar werd ontraden. „Verboden door de politie", zei hij en wees me naar een paar vrienden van hem, die me -tegen vergoeding natuurlijk- wel ter bestemming wilden brengen.

Maar na wat zoeken vond ik voor nog geen dollar ergens een fiets voor een dag te huur en cirkelde provocerend langs een paar agenten om te zien of er nog wat zou gebeuren. Niets dus.

Een rood aangelopen Zwitser vertelde me in Dalat, hoe hij zich bekocht voelde, nadat hij fors in z'n geldbuidel had moeten tasten voor een tochtje naar de "Vallei der Liefde", een gebied dat je vanwege de naam al zou moeten wantrouwen. Hij moest niet alleen voor de reis achterop de brommer betalen, maar ook het 'parkeergeld', een toegangskaartje, alsmede een toegift voor 'verzekeringen', wat ik toch wel aardig bedacht vond.

Vluchtelingen
Volgens diplomaten uit Oost-Europa lijkt Vietnam aan de vooravond te staan van een spectaculaire ontwikkeling, te vergelijken met die van Hong Kong, Taiwan en Zuid-Korea. De oorlog wordt weggewerkt, de socialistische propagandaborden worden onder de toonbank geschoven en het westerse bedrijfsleven wordt binnengehaald.

Maar velen geloven er nog niet in. Zij prefereren een hongerstaking in Nederland boven terugkeer naar eigen land of wachten met ongeduld tot ze het land weer uit kunnen. Elke maand verlaten 10.000 Vietnamezen de republiek. Naar de VS, Canada of een ander land van hun dromen. De achterblijvers bouwen verbeten op de puinhopen van de geschiedenis. Improviserend, onophoudelijk en met de kracht die het volk deze eeuw zo ten toon heeft gespreid...

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.