+ Meer informatie

JONGEREN EN DE KERK

12 minuten leestijd

Eerst maak ik enkele opmerkingen bij de titel. Het overige van mijn bijdrage bestaat uit drie gedeelten:

1. De kerk heeft toekomst. De kerk blijft en jongeren blijven bij de kerk.

2. Het huidige beeld van de CGK.

3. Het noodzakelijke geestelijke klimaat.

Bij de titel

Omdat het vandaag over jongeren gaat, is het een voor de hand liggende, begrijpelijke titel. Maar welbeschouwd is de titel niet juist. Moeten dan de woorden in de titel worden omgedraaid? Dat zou juister zijn, want de kerk is belangrijker dan welke groep mensen ook. Toch is er ook dan commentaar op de titel te maken, want bij de kerk zijn de jongeren inbegrepen. Zij zijn een deel van de kerk. Om die jongeren gaat het vandaag. Over hen wordt veel gesproken en geschreven. Dat is een teken dat er iets aan de hand is.

1. De kerk heeft toekomst

Er is in de kerken bezorgdheid over de jeugd. Alle kerken hebben te maken met kerkverlating (van jongeren), vragen zich af hoe dat komt en hoe we dat kunnen keren. Hoe houden we in dit huidige, geseculariseerde, tijdsgewricht jongeren bij de kerk? Hoe kunnen we de randkerkelijke jongeren bereiken? Wat onze eigen kerken betreft komt daarbij de bezorgdheid over verleden, heden en toekomst van het (verdeelde) georganiseerde jeugdwerk.

Die vragen en zorgen houden ons soms zo bezig dat we (dreigen te) vergeten dat vele jongeren blijven, ook in onze kerken. Volgens de enquête is 70% van onze jongeren meelevend. Dat is een reden om dankbaar voor te zijn en bij stil te staan. Het is ook goed om na te gaan wat voor jongeren redenen zijn om te blijven. Minstens een viertal redenen kan worden genoemd:

a. Er zijn meelopers. Zij gaan omdat ze van thuis moeten; omdat ze het van huis uit gewend zijn. Er is voor hen (nog) geen reden om met die gewoonte te breken.

Het is niet zo’n heel goede reden. Toch kunnen jongeren beter meelopers dan weglopers zijn. De kans dat ze door het Evangelie gegrepen worden is groter.

b. Andere jongeren hebben relaties met leeftijdgenoten, waardoor zij blijven. Daardoor hebben zij een zekere betrokkenheid bij de gemeente. Ook dat is niet een heel sterke reden, maar toch mogen we blij zijn dat ze blijven. Zeker wanneer hun leeftijdgenoten positief zijn of worden, mogen we hopen en bidden dat daarvan een goede invloed uitgaat.

c. Er zijn jongeren op zoek naar de zin van het leven; op zoek naar God. Zij blijven omdat zij hopen dat zij die zin, dat zij God in de kerk zullen vinden. Daar is inderdaad de Here te vinden, maar zeker met het oog op deze jongeren is het heel belangrijk hoe het geestelijk klimaat in de gemeente is.

d. Er zijn jongeren die door de Here gevonden zijn; die Hem gevonden hebben; die een persoonlijke, levende relatie met God kennen.

Om die relatie gaat het voor jong en oud. Omdat die relatie door God gelegd en onderhouden wordt, mogen we zeker weten dat de kerk toekomst heeft. De kerkblijver heeft toekomst, want de Here houdt Zijn kerk in stand, al is zij soms zeer klein. In de NGB wordt in art. 27 herinnerd aan de tijd van koning Achab toen er slechts 7000 waren die de knie niet voor Baäl hadden gebogen. De belijdenis duidt dat kleine getal positief. Zovelen heeft de Here er voor Zich behouden. Voorts wordt in hetzelfde artikel beleden wat de kerk is. De kerk is een heilige vergadering van de waarlijk gelovige christenen die al hun heil verwachten van Jezus Christus, gewassen zijn door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest.

Dit (belijden van ons) geloof moet onze visie op Gods werk en kerk bepalen en niet onze zorgen. Van hieruit moeten en kunnen wij over onze zorgen spreken. Dan moet het niet alleen en in de eerste plaats over de jongeren gaan en onze zorg over hen, maar over de (ouderen in) de kerk en hoe onze kerk momenteel is en met haar jeugd omgaat.

2. Het huidige beeld van de CGK

Is onze kerk zo, als art. 27 belijdt? Is uw gemeente zo? En bent u van die gemeente een levend lidmaat? Velen zeggen dat niet zo na, althans niet zo stellig en doorleefd. En zij die dat wel kunnen en doen, vertonen lang niet altijd het beeld dat daarbij hoort. Velen in onze tijd en kerken zoeken Christus als Helper en Trooster, maar kennen nauwelijks of geen navolging van Hem. Dogmatisch gezegd: Ze leven wel uit de rechtvaardiging, maar niet in de heiliging. Ondogmatisch gezegd: Veel christenen zijn halve heidenen. Ze zijn aardig voor eigen gezin en vrienden. Vaak zijn ze dat niet eens. Die gerichtheid op eigen groep en zichzelf wordt gevoed door het moderne individualisme en de versnippering van de samenleving. Er is veel a-sociaal gedrag. Men is bezig met zichzelf, met status en inkomen.

Het geloof is een randversiering, voor de eerste dag van de week en voor een moment aan het begin of het einde van de dag. Het is een verzekering tegen de dood. In de kerk moet het prettig en gezellig zijn. Daar moeten we wat warmte, troost en bemoediging meekrijgen. Als dat, voor ons gevoel, er niet te halen is, worden we steeds kritischer. Die kritiek blijft doorgaans niet beperkt tot de kerkdienst, maar is er ook op anderen in de kerk.

Onze jongeren onderkennen onze kritische houding. Ze merken het als we vooral bij de kerk zijn om te halen, niet om te brengen. Ze merken het dat gemeenschap wordt gezocht in uiterlijke, secondaire (traditionele of moderne) kenmerken, met veroordeling van (de mening van) anderen.

Heel het kerkelijk leven lijdt onder deze wereldse gezindheid, waarbij de mens in het centrum staat. Het is geen wonder als jongeren daarmee niets meer te maken willen hebben. Als ze de kerk niet aantrekkelijk vinden. Als ze in de identificatie van die kerk met het geloof en het Evangelie ook die laatstgenoemden niet meer aantrekkelijk vinden. Het is geen wonder als ze dit alles van geen (levens)belang vinden.

Een andere mogelijkheid is dat ze zelf ook niet verder komen dan bezig zijn op secondair niveau; dat ze druk bezig zijn met bijzaken en met de vormen. De vormen zijn niet onbelangrijk, maar het gaat om de inhoud. Het gaat erom dat de onveranderlijke inhoud een eigentijdse vormgeving krijgt.

Natuurlijk zijn er van onze kerken ook andere, positieve dingen te zeggen. In zo’n kort bestek kan echter niet alles gezegd. Bovendien heb ik terwille van de duidelijkheid expres één kant (over)belicht. Deze eenzijdigheden zijn naar mijn mening helaas wel werkelijkheid; een werkelijkheid die soms zo domineert dat het positieve op de achtergrond komt. Het is een werkelijkheid die zeker ook door veel jongeren scherp gezien wordt.

Daarom is het nodig nu iets te zeggen over het noodzakelijke geestelijke klimaat.

3. Het noodzakelijke geestelijke klimaat

In de gemeente moeten de Here en Zijn woord centraal staan. Het gaat om een hartelijke relatie met de Here. Om de gezindheid van Christus. Het gaat om een leven uit genade, in ootmoed en barmhartigheid. Het gaat om de gemeente als een liefdesgemeenschap, waarin jong en oud leven met en voor elkaar (en voor anderen). Ze doen dat niet omdat ze elkaar zo aardig vinden. Dat mag natuurlijk wel. Dat is zelfs goed. Maar primair gaat het erom dat de Here ons aan elkaar gegeven heeft.

Als dit geestelijk klimaat (te zeer) ontbreekt, moeten we niet opkijken van kerkverlating door jongeren, en ouderen. Dan is het een wonder dat er nog zoveel mensen blijven. Tevens moeten we er mee rekenen dat er in de kerk sprake is van Godsverlating. Daarmee bedoel ik dat mensen (nog) wel bij de kerk zijn en blijven, maar dat ze geen band met de Here hebben. Hij is een vreemde voor hen. Ze hebben er ook geen behoefte aan. In hun hart hebben ze Hem verlaten, losgelaten. Hierbij moet ik denken aan een beeld dat Kierkegaard gebruikt als hij schrijft over de kerk. Het lijkt net een trein die losgekoppeld is van de locomotief. De locomotief heeft de trein op snelheid gebracht. Losgekoppeld zit de vaart er voorlopig nog in. Zo zit er in de kerk heel wat beweging, maar los van de Here stelt het niets voor en komt er op termijn een einde aan.

Er is - begrijpelijk - veel aandacht voor kerkverlating door jongeren. Er zou echter net zoveel, zo niet meer aandacht moeten zijn voor jongerenverlating door de kerk. Dat is naar mijn mening een van de belangrijkste redenen van de kerkverlating; een kerk die zich intens met bijkomstigheden bezighoudt, waarin het bovengeschetste geestelijke klimaat (tezeer) ontbreekt.

In zo’n situatie kun je doen wat je wilt om jongeren bij de kerk te houden, als ouders, catecheet, (jeugd)ouderling of jeugdleider. Het haalt niet veel uit. Je kunt boekjes en artikelen schrijven, op synodaal niveau erover praten en brochures uitgeven, conferenties beleggen en klagen over de geest van de tijd, maar telkens zal blijken dat het meer van hetzelfde is, zonder dat het iets uitwerkt.

Van groot belang is positieve betrokkenheid van de ouders op de dienst van de Here en zijn gemeente. Van even groot belang is ook positieve betrokkenheid van de ouderen in de gemeente op de jeugd. Al te vaak is dat niet het geval. Dikwijls is er alleen of een teveel aan negatieve betrokkenheid. Daarmee bedoel ik dat de jeugd alleen iets van de ouderen merkt of van de kerkenraad hoort als er iets verkeerd (b)lijkt te gaan. Dan wordt er afstandelijke kritiek geleverd.

Natuurlijk kan er een goede reden voor kritiek zijn. Die kritiek moet dan worden gegeven. Maar als dat niet gebeurt vanuit een positieve betrokkenheid slaan we zeker de plank mis. Het is goed om te bedenken dat jongeren soms het gevoel hebben dat er voor hen geen of niet voldoende ruimte is in de gemeente.

In principe is die ruimte er voor ieder in de kerk en in het verbond. Als ouderen zullen we ook graag die ruimte aan jongeren willen geven. Maar in werkelijkheid wordt het niet altijd zo beleefd; wordt het ook niet altijd zo in praktijk gebracht. Vandaar dat dit zo onder uw aandacht wordt gebracht. Jongeren moeten het gevoel hebben dat ze zichzelf kunnen zijn; dat er echte aandacht voor hen en hun vragen is. Ze moeten hun plaats vinden in de gemeente waartoe zij behoren.

Vanuit bovenstaande schets eindig ik met negen punten van toepassing.

1. In de gemeente moet er bereidheid zijn om sámen te luisteren naar en zich te laten gezeggen door Gods Woord. In die gezindheid leert men weten waarop het aankomt.

2. In kerkdienst en prediking moet er aandacht zijn voor (de vragen van) jongeren.

3. Identificatiefiguren zijn van groot belang; mensen bij wie zichtbaar is wat het, voor het héle leven, betekent om de Here te kennen.

4. Probeer (ook) jongeren bij gemeentelijke activiteiten in te schakelen. Kijk daarbij vooral ook naar de gaven in de gemeente. Het is het beste om vanuit de mogelijkheden die er in de gemeente zijn activiteiten op te zetten.

5. Laat er van de kant van ouderen en kerkenraad aandacht zijn voor het werk van de verenigingen en clubs, voor het georganiseerde jeugdwerk.

6. Er dient ook oog te zijn voor hen die daaraan niet deelnemen. Het is belangrijk om te weten waarom dat zo is; om te zoeken naar wegen om hen bij het gemeentelijk leven te betrekken. Overwogen kan worden om voor contacten met jongeren andere jongeren in te schakelen.

7. Samenhang tussen de activiteiten in de gemeente (voor de jeugd) is zeer gewenst. De CGJO heeft de gedachte aan een jeugdbureau gelanceerd en de deputaten aan een leer- en opvoedingsplan. Dat zijn ambitieuze plannen, of nog niet meer dan gedachten. U moet daar niet op wachten. Als zoiets er zou komen, kan het zeker zijn nut hebben. Maar u moet er niet teveel van verwachten. Want elke gemeente is anders. De jeugd van elke gemeente is anders. En telkens verandert de gemeente en haar jeugd. Daarom is en blijft een stuk bezinning in elke gemeente noodzakelijk. Die bezinning moet uitgaan van de kerkenraad en moet plaatsvinden in samenspel met ouders en leiding van verenigingen. Naar mijn gedachte gebeurt dat niet (veel). Werken met en voor jongeren wordt doorgaans gedaan door goedwillende, enthousiaste of gedeprimeerde jongeren en ouderen.

8. Door de kerkenraad is het meestal uitbesteed aan de jeugdouderling die in de meeste gevallen zonder veel resultaat heel veel tijd en energie steekt in randkerkelijke jongeren. In zijn eentje moddert hij wat voort, ondanks een mooie instructie van deputaten. Wie er een jeugdouderling op nahoudt, heeft als kerkenraad de plicht om hem een duidelijke instructie tot een geïntegreerde aanpak te geven. Dat hoeft niet die van deputaten te zijn. Wel kan die dienen als hulpmiddel of model. Aanvankelijk wilde ik zeggen dat wie voor zijn jeugdouderling geen instructie heeft deze functie beter kan opheffen. Ik heb dat niet gezegd omdat jeugdouderlingen zonder instructie wellicht toch goed werk doen. Maar ik schrijf het hier wel, omdat ik van mening ben dat de kerkenraad de betreffende broeder én de jeugd geen recht doet als hij geen welomschreven taak heeft. Tot de geïntegreerde aanpak behoort ook dat het jeugdwerk op de kerkenraadsvergadering geregeld aan de orde wordt gesteld. Niet alleen veel aandacht voor de groep van 16+ is nodig, maar ook voor groep van 12-16 jaar en voor de kleine kinderen.

9. De kerkenraad heeft de roeping om tot opbouw van de gemeente bezig te zijn, om de gemeente toe te rusten tot dienstbetoon. Bovendien mogen we geloven dat de Heiland in het midden is als één die dient. Het is nodig dat wij bediend worden uit zijn volheid. Dan worden we zelf dienaren van het Woord (niet alleen de broeders die zo genoemd worden). Dan worden we mensen (die samen) de Here zoeken te dienen én elkaar in de gezindheid van Christus. Alleen als die gezindheid er is, valt er heil te verwachten voor de kerk(jeugd). Die gezindheid is een gave van de Geest. Maar het is ook een opgave. Deze opgave wordt primair volbracht in de weg van ootmoed en gebed.

Drs. D. Visser is predikant te Broeksterwoude (Petrus-gemeente).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.