+ Meer informatie

‘DAN GA IK NAAR DE CLASSIS!’

10 minuten leestijd

In bepaalde oververhitte situaties in het kerkelijk leven kan men de uitroep die in de titel is geformuleerd, een enkele keer vernemen. Het schijnt overigens zo te zijn - zo gaat een gerucht - dat predikanten, wanhopig geworden na vruchteloze gesprekken met gemeenten over het beleid van hun plaatselijke kerkenraad, het ook wel eens uitroepen, enigszins gewijzigd: ‘Dan gaat u maar naar de classis!’

Bedoeld is in beide gevallen dat men zich beroept op art. 31 van onze kerkorde. Men gaat, zo heet het met een duur woord, ‘in appèl’. Dat kan echter minder vaak en minder gemakkelijk dan men uit de hierboven geciteerde uitspraken zou vermoeden. Ook treedt er nog wel eens verwarring op met de gang van zaken in de samenleving. Daar is sprake van ‘hoger beroep’, en zelfs ‘cassatie’, wanneer men het met de uitspraak van een rechter niet eens is. Al werkende in de kerken ontdekt men dat velen denken dat de gang van zaken bij het kerkelijk recht hetzelfde is als bij het zogeheten burgerlijk recht. Dat nu is niet geheel het geval. Dit artikel is bedoeld om enkele zaken (er is nog meer over te zeggen) rond art. 31 KO voor het voetlicht te brengen, en wie weet…: enkele misverstanden uit de weg te ruimen.

De achtergrond van art. 31

Art. 31 van onze kerkorde is ongetwijfeld een heel belangrijk artikel. Het is niet voor niets dat een bepaalde kerkelijke denominatie het achter haar naam had staan: na de scheuring die in 1944 in de Gereformeerde Kerken optrad, noemde het deel dat zich verongelijkt voelde, zich: ‘Gereformeerde Kerken in Nederland, onderhoudende artikel 31 KO’. Daarmee werd aangeduid waar het kerkordelijk naar hun overtuiging scheef was gegaan.

In de nieuwe versie (vastgesteld door onze generale synode 2001) luidt het begin van art. 31:

‘De besluiten van de vergaderingen worden genomen na gemeenschappelijk overleg en zo mogelijk met eenparige stemmen. Wat bij meerderheid van stemmen uitgesproken is, zal voor vast en bondig worden gehouden tenzij bewezen wordt, dat dit in strijd is met het Woord van God, de belijdenis of de kerkorde’.

Hieruit volgen een paar zaken van belang. Allereerst dit, dat iedere kerkelijke vergadering zich ervoor zal inspannen (ook al kost dit wat extra vergadertijd) om zoveel mogelijk in eensgezindheid én in eenstemmigheid te beraadslagen en te besluiten. In de tijd van de Reformatie werd dat zelfs zo in praktijk gebracht, dat er bij een bepaalde zaak eerst een peiling onder de broeders werd gehouden. De mening die zich daarop aftekende als één waarin de meerderheid zich kon vinden, werd vervolgens ter besluitvorming voorgedragen, en de hele vergadering schaarde zich er vervolgens onder. Zo werden besluiten altijd met algemene stemmen genomen. En dat is mooi, juist in kerkelijke vergaderingen, waar het immers niet gaat om het doorzetten van eigen mening, en het zoeken van een eigen belang, maar om het regeren van de Koning van de Kerk, Jezus Christus. Een enkele keer heb ik als voorzitter op de vergadering van de kerkenraad, bij een ingrijpende kwestie, expliciet volgens deze lijn gehandeld. Dergelijke besluiten hebben ook de meeste kracht naar de gemeente toe; ze kunnen met kracht waar nodig worden toegelicht en op deze wijze doet de betrokken kerkelijke vergadering er álles aan om te voorkomen dat mensen moeten grijpen naar art. 31, omdat ze menen dat aan Schrift, belijdenis of kerkorde tekort is gedaan.

Maar niet altijd is het mogelijk om een beroep op een meerdere vergadering te voorkomen. Hoe gaat dat dan in zijn werk?

De praktijk van art. 31

In het hierboven aangehaalde gedeelte van de tekst blijkt al: men kan lang niet altijd in beroep gaan op een door een bepaalde kerkelijke vergadering genomen beslissing. Dat kan alleen maar wanneer er klaarblijkelijk gehandeld is in strijd met de Schrift, de belijdenis of de kerkorde (de bekende drieslag, die niet nevenschikkend, maar onderschikkend bedoeld is).

Een flauw voorbeeld, dat niettemin aangeeft hoe de zaken liggen: wanneer de kerkenraad op een gegeven moment, na allerlei adviesorganen zoals de commissie van beheer te hebben geraadpleegd, tot de conclusie komt dat de kerkzaal nodig moet worden opgeknapt, en dat daarbij o.a. het plafond rood geverfd zal worden, dan kan de halve gemeente dat niet fraai vinden, maar… een beroep op de classis is hierbij niet mogelijk. Hetzelfde geldt van besluiten als ritmisch zingen, een collecte voor of na het dankgebed enz. Men kan er persoonlijke gedachten over hebben, en er zelfs heel veel moeite mee hebben… maar dat is nog geen reden om in appèl te gaan. Dan moet het echt over principieel zwaarwichtige zaken gaan.

In het vervolg van de tekst van art. 31 wordt dat duidelijk. Daar staat:

‘Wanneer iemand van mening is, dat hij (of zij, DQ) door het besluit van een mindere vergadering bezwaard is, kan hij zich op een meerdere vergadering beroepen. Hij dient dan te bewijzen dat het bedoelde besluit in strijd is met de Heilige Schrift, de belijdenis van de kerk en/of de aanvaarde kerkorde.’

‘Bezwaard’, zo staat er. In de oude weergave staat: ‘verongelijkt’. Daar staat dan ook nog bij dat iemand zich daarover ‘beklaagt’. Krachtige woorden, die aangeven wat er aan de hand moet zijn voordat men de pen grijpt en zich op een bredere vergadering beroept.

Want het kán gebeuren: een kerkelijke vergadering kan zich nog zo gewetensvol met een bepaalde zaak bezighouden, en nog zoveel gebeden hebben om de leiding van de Heilige Geest… op een gegeven moment kan men toch mistasten in de besluitvorming, principieel mistasten (tussen haakjes: daarom alleen al verdient het sterke aanbeveling om kerkelijke vergaderingen niet tot zeer laat in de avond te laten duren; dat is vragen om moeilijkheden).

Het is een veeg teken wanneer in een bepaalde kerk vaak naar het middel van art. 31 KO wordt gegrepen. Onze kerken zijn in het algemeen gesproken redelijk rustig (incidentele ‘branden’ daargelaten). Maar soms merkt men het ineens, dwars door het land heen: er is een stukje onrust, vergaderingen van classes en/of particuliere synoden worden verlengd. En dan weet men het wel: meestal is er dan ‘iets aan de hand’. We mogen ons gelukkig prijzen dat het (nog?) niet noodzakelijk is om over te gaan tot permanente organen waar appèlzaken voor besluitvorming door de betrokken kerkelijke vergadering worden voorbereid.

De bewijslast

Van belang is verder de vraag waar de bewijslast ligt rond de zaak waarvoor een ‘ver-ongelijkte’ broeder of zuster de aandacht vraagt. Die ligt - de tekst hierboven is duidelijk - bij degene die klaagt. Hij/zij zal in de brief aan de meerdere kerkelijke vergadering duidelijk maken waarom het beklag plaats vindt. Men is verplicht aan te wijzen, op grond van welke gedeelten uit de Schrift, de belijdenis en/of de kerkorde een genomen besluit niet staande kan blijven. Men kan dus niet de zaak zomaar op de tafel van de meerdere vergadering neerleggen met het verzoek het daar fundamenteel uit te zoeken! Natuurlijk houden kerkelijke vergaderingen bij de beoordeling van een bezwaarschrift rekening met de vraag van wie het afkomstig is. Van een kerkenraad mag een preciezere redenering gevraagd worden, dan van een gemeentelid dat misschien voor het eerst (en hopelijk voor het laatst) ermee te maken krijgt. Maar het principe moet helder zijn: de kláger dient te bewijzen!

Een misverstand

De gang van zaken in het burgerlijk recht levert soms misverstanden op in de kerk. Bij het burgerlijk recht is het immers zo dat, wanneer men in hoger beroep gaat, de rechter de hele zaak weer opnieuw bekijkt en tot een nieuwe uitspraak komt. Daarmee wordt de eerste uitspraak vernietigd verklaard.

Soms verzoeken appellanten in kerkelijke appèlzaken dat ook. Dat is echter niet mogelijk. Direct vóór art. 31 staat immers een ander artikel (30 uiteraard), waarin staat (ik geef het nu even in eigen bewoordingen weer) dat iedere kerkelijke vergadering zijn/haar eigen zaken dient af te handelen. Alleen die zaken die de mogelijkheden van een vergadering te boven gaan, zullen behandeld worden door de meerdere vergadering. Dat is een belangrijk principe; daardoor blijven de agenda’s van classis en synode per definitie beperkt van omvang.

Maar het heeft ook gevolgen voor het kerkelijk procesrecht: wanneer een meerdere vergadering tot de conclusie komt dat een klager (appellant) gelijk heeft met zijn klacht, geeft hij daarvan bericht aan de oorspronkelijke kerkelijke vergadering die het gewraakte besluit had genomen (concreet: als een kerkenraad een besluit neemt, waar een zuster der gemeente echt niet mee kan leven, dan beroept zij zich dus op de classis; geeft deze haar gelijk, dan komt de zaak weer bij de kerkenraad terug). Deze zet het opnieuw op de agenda en stelt het eerdere besluit bij. Tenzij… die vergadering nu op zijn/haar beurt verongelijkt is. Dan is er de mogelijkheid om zich op de volgende meerdere vergadering te beroepen (in het hierboven genoemde voorbeeld: de kerkenraad is het principieel oneens met de uitspraak van de classis en beroept zich dus op de particuliere synode). Definitieve besluiten worden dus altijd op het niveau genomen, waar het oorspronkelijk ook gebeurd was; dat volgt rechtstreeks uit art. 30 KO. En een gemeentelid dat het oneens is met de kerkenraad en in beroep gaat bij de classis, is daarmee dus niet van de kerkenraad af; het komt daar te allen tijde, op enig moment, weer bij terug. En dat is maar goed ook: het gaat immers om een zaak die naar Schrift, belijdenis en/of kerkorde wordt aangevochten? Dat kan in de geestelijke verhoudingen tevens moeite geven. En er moet dus het uiterste aan gedaan worden dat die geestelijke moeite weggenomen wordt. Men moet elkaar, ook bij kerkelijke conflicten, oprecht in de ogen kunnen blijven kijken; men moet samen onder het Woord kunnen blijven verkeren en samen kunnen blijven bidden. En bij verstoring daarvan (zoals bij conflicten meermalen voorkomt) dient de gang in de kerk zó te zijn dat herstel plaatsvindt. Dat vind ik persoonlijk altijd het mooiste en het moeilijkste: kerkelijke vergaderingen kunnen uitspraken doen, kunnen kerkelijk recht spreken… maar daarmee zijn de harten van de betrokkenen nog niet naar elkaar teruggebogen…

Hoor en wederhoor

De laatste tijd (als gevolg van een zaak die onze kerken beroerde) is er veel gesproken over het toepassen van ‘hoor en wederhoor’. Wat wordt daarmee bedoeld?

Soms kan men zich, bij de beoordeling van een appèlzaak, beperken tot bestudering van de schriftelijke stukken, die worden aangereikt, of worden opgevraagd. Soms echter is het ook noodzakelijk om bij betrokken personen of kerkenraden navraag te doen: dingen zijn niet helder, verslagen van commissies of gesprekken sporen niet met elkaar, zaken zijn niet voldoende toegespitst om tot een eerlijk oordeel te komen enz. In dat geval zullen de ‘klager’ en de ‘aangeklaagde’ kerkelijke vergadering beide in de gelegenheid worden gesteld om gehoord te worden. Deze procedure noemt men ‘hoor en wederhoor’. Zoveel mogelijk moeten verschillende oordelen of overtuigingen immers bij elkaar gebracht worden (men zie Spr. 18:17, Joh. 7:51). En dan kan men tenslotte nog eens terug moeten naar de eerste persoon (afhankelijk van de bevindingen). Dat kan tijdrovend zijn, maar gelukkig liggen niet alle zaken zo ingewikkeld. Het moet gaan om het vinden van de waarheid, het houden van het kerkelijk (en goddelijk!) recht.

De bespreking ter vergadering

Tot slot van deze kleine bloemlezing wil ik wijzen op het belang van de wijze van behandeling van een appèlzaak op de vergadering waar deze dient. Daarbij dienen namelijk de vertegenwoordigers van de aangeklaagde kerkelijke vergadering absoluut te zwijgen (slechts mogen zij wijzen op eventuele objectief vast te stellen vergissingen of fouten). En de voorzitter dient daar strikt de hand aan te houden. In het hierboven genoemde voorbeeld zwijgt de kerkenraad dus op de vergadering van de classis. Alle schijn van bevoordeling van elkaar dient voorkomen te worden. Onlangs pleitte mevr. A.H. Santing-Wubs in haar proefschrift Kerken in geding (besproken in Ambtelijk Contact, april 2003) voor het zich terugtrekken uit de vergadering. Dat is vergaand, maar laten we iedere schijn van bevoordelen vermijden. Terecht zou immers de klager anders kunnen verlangen aanwezig te mogen zijn bij de behandeling van zijn/haar zaak, let wel: om te spreken! Dat is kerkelijk geheel ongebruikelijk, maar er zal juist daarom zuiver gehandeld dienen te worden. Het luistert nauw.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.