+ Meer informatie

Jezus en de Samaritaanse vrouw

4 minuten leestijd

Komt, ziet een mens, die mij gezegd heeft alles, wat ik gedaan heb; is deze niet de Christus. (joh. 4-29)

Welk een alvermogende kracht ligt er in de genade van Christus, zoals deze zich openbaart in de toebrenging van een zedeloze vrouw als deze Samaritaanse. Hoe eenvoudig begint Hij met haar te handelen en haar te bearbeiden, opdat zij komen zou tot een waar schuldbesef. Iloe bewees Christus, dat Hij leerde als machthebbende. Hoe eenvoudig was het aanknopingspunt om haar te vragen om een dronk water. Maar hoe gewoon ook die vraag was, het was een middel om haar in te winnen, om te komen tot het schuldbesef. Wat ligt daarin een les verborgen. Wij beginnen soms zo hoog, zo onbegrijpelijk, ver boven veler bevatting, ook wanneer het gaat over de dingen der eeuwigheid, juist het eenvoudige en het liefelijke moet ons aantrekken. Duidelijk betoonde de Zaligmaker dat haar schandelijk verleden voor Hem geen geheim was. Zeer krachtig werd zij overtuigd door de bediening van de Heilige Geest, zodat zij erkende, dat Hij, die met haar sprak een Profeet was. Ziet eens hoe de, in de zaligmakende overtuiging van zonde en schuld, profetische bediening tot openbaring komt. Zij verbloemt haar schuld niet, maar komt alles saam te vatten zeggende: „Ziet een Mens Die mij gezegd heeft alles, wat ik gedaan heb! Is deze niet de Christus? " Dat was het getuigenis ener zondares die terug ging naar de stad om dat tot de inwoners te zeggen. Zij kwam onder de macht der genade in belijdenis van schuld en zonden, en dat voor God en mensen.

Deze vrouw wist volgens vers 26 dat de Messias komen zou, maar met die wetenschap had zij geen behoefte aan Hem. Maar nu zij in haai schuldbesef diep was ingeleid is het anders voor haar geworden. En hoe groot zal het voor haar geweest zijn dat Hij zeide: „Ik ben het, Die met U spreekt." Die dierbare Jezus, die gekomen was om zondaren zalig te maken.

Zie eens, een arme onwaardige zondares en een volkomen Zaligmaker, wat passen die bij elkaar. Is het wonder dat zij haar watervat verlaat en heen gaat naar haar stad, om haar bekenden toe te roepen; Komt en ziet! Dat vriendelijke en ernstige woord vindt weerklank bij meer zondaren. Wat voor haar onmisbaar geworden was, was ook voor anderen nodig. En zie eens, hoe op het woord van een zwakke vrouw, die sprak van schuld en genade de inwoners dier stad tot Christus uitgingen.

En als Zijn discipelen terug kwamen met spijze, en hun Meester tot eten aanzetten, zegt Hij tot hen: „Ik heb een spijze om te eten, die gij niet weet. Maar omdat zij dat niét verstaan zeggen zij tot elkander; Heeft Hem iemand eten gebracht? Jezus, dat horende, zegt tot hen: Mijn spijze is, dat ik doe de wil Desgenen. Die Mij gezonden heeft, en Zijn werk volbrenge. Hoe blijkt hier de knechtelijke gestalte van Christus, en daarom MOEST Hij door Samaria gaan. Dat heilig MOETEN, wat tegelijk een allergenegenst willen was. Hoe ondoorgrondelijk groot is de opzoekende liefde Gods in het zoeken en zalig maken van verloren schepselen. En dat nu dat werk van Jezus nog door gaat! Wat is dan het voorrecht nog groot om te leven in de genadetijd.

Mijn geliefde lezer, staat er eens bij stil. Zie eens hoe die ViouvV haar watervat verlaat, en mochten wij zo door Gods genade de wereld en de zonde leren verlaten. O kwamen wij eens aan de weet wat die vrouw leerde kennen. Het is waar, dat wij het soms met onze belijdenis beamen dat wij zondaren en zondaressen zijn. Maar zijn wij het ooit in waarheid voor de Heere geworden! Hebben wij ook onze schuldbrief thuis gekregen als deze vrouw? Zijn wij gew aar geworden dat wij tegen al de geboden Gods zwaarlijk gezondigd hebben en geen derzelve gehouden hebben? Jk hoor u zeggen: „ja maar, zulk een goddeloos leven als die vrouw heb ik niet geleefd!" Maar bedenk dan eens, dat wij alle in zonden ontvangen en geboren zijn, dus met al onze vermeende gerechtigheden verdoemelijk voor God zijn. Is het toch niet dringend nodig om dat te leren kennen, bevindelijk en onderwerpelijk? Och, leert toch de tijd nog uitkopen, daar de dagen zo boos zijn. Want zonder die kennis zal er toch in Uw leven nooit geen behoefte aan die enige Zaligmaker zijn. Wat zijn zij toch gelukkig, die daar geen vreemdeling van blijven, en door de bediening van des Heeren Geest daartoe bearbeid worden.

Voor hen alleen wordt Jezus dierbaar, en zij zullen niet kunnen rusten voor en aleer Zijn vergevende genade ook in hun leven verheerlijkt wordt. Dan prijzen zij ook Hem aan anderen aan, en zullen met die Samaritaanse vrouw instemmen en betuigen: „Ziet een mens, die mij alles gezegd heeft wat ik gedaan heb; " maar dan vinden zij in Hem oneindig veel meer: een Zaligmaker en Verlosser.

Ds. A. VERHAGEN.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.