+ Meer informatie

Vurige kolen op het hoofd

De Heere regeert

5 minuten leestijd

Het feest van de Bataks was dus mislukt en Nommensen had de overwinng behaald. Nu moeten we echter niet denken, dat de vruchten de zendeling in de schoot vallen. In genen dele. Slechts enkelen durven tot hem te komen of met ziekte of met moeilijkheden. Anderen trachten de blanke het leven ondragelijk te maken. Ze zullen nogmaals beproeven om de gehate man weg te plagen.

Zo gebeurde op een morgen, dat een vijftal Bataks zich vervoegde bij Nommensen. Onbeschaamd treden ze op. Ze vallen de man op alle mogelijke manieren lastig. Ze kauwen op hun onafscheidelijke sirihpruim en spuwen op de grond en waar ze maar willen. Nommensen zegt er niets van. Dan weer komen ze met heel domme vragen aan, waar de zendeling geen antwoord op kan geven. Tot middernacht blijven ze en ze denken, dat Witoog nu wel zijn geduld zal verliezen. Wanneer de „gastheer" denkt te gaan slapen, zeggen ze onbeschoft „Wij blijven hier ook slapen". Heel kalm wijst de zendeling de plaats waar ze kunnen rusten. Voor hem zelf blijft er nauwelijks een plaats over

We kunnen begrijpen dat Nommensen niet veel slapen kon. De mannen ook niet zo erg goed, ziet de zendeling. Ze zijn zo onrustig en ze liggen maar te woelen. „Ze zullen kou hebben, " denkt de blanke, en wat doet hij? Stil staat hij op en dekt de Bataks toe met een deken. Hij hoopt vurige kolen op hun hoofd, naar het bevel van de gote Meester

Nu had je de volgende morgen eens moeten zien! De mannen durven elkander niet aan te kijken en de zendeling durven ze helemaal niet in de ogen te zien. Van brutaliteit is geen sprake meer. Het is een ogenblik angstig stil „Toewan, " verbreekt één die stilte, „is heel uw leven zoals gisteren? "

„Als je dat graag wilt weten, dan moet je bij me blijven en dan kun je het zien."

Nu beginnen de anderen ook te spreken. Ze zeggen: „Waarom doet u zo, toewan? Waarom smeet u ons de deur niet uit? We hadden het toch wel verdiend? "

„Vrienden, " is het antwoord van Nommensen, „ik heb de Bataks lief en omdat ik ze lief heb, wil ik de harten winnen. Daarom heeft Jezus me gezonden naar het Silindoenk-dal."

Na anderhalf jaar van worstelen, breekt in Augustus 1S65 een blijde dag aan voor zendeling Nommensen. Dan worden vier mannen, vier vrouwen en vijf kinderen gedoopt, de eerstelingen van een christengemeente. Wat komt er echter na die plechtigheid veel kijken! Die eerste christenen worden op alle manieren het leven zuur gemaakt. Die mensen hadden het oude geloof van de Bataks verlaten en dat wordt als verraad beschouwd. Zij mogen nu niets meer hebben van de opbrengsten van de akkers; ze moeten uit het dorp verdreven; hun bezittingen worden verdeeld. Wat moeten die arme mensen beginnen? Er blijft niets anders over dan naar hun meester, de blanke man, te gaan. Daar worden ze vriendelijk onthaald. Huisjes worden gebouwd in de onmiddellijke omgeving van het huis van de zendeling. Van lieverlee wordt het een klein dorpje. Nommensen geeft het een naam: Hoeta Dame (Vrededoq)).

Deze nederzetting van de „afvalligen" is de Bataks een doorn in het oog. Hoe graag zouden ze het hele boeltje in de as hebben gelegd! Maar wie zal durven beginnen? Ze hebben toch wel ontzag voor die blanke man. Als de hoofden van de verschillende stammen zich er eens voor spanden! Ze zullen het beproeven; wie weet. En werkelijk, de toebereidselen worden gemaakt. Met een grote macht zal opgetrokken worden tegen Hoeta Dame.

Dan zal het er gaan spannen in de kleine nederzetting. Dat begrijpt Nommensen heel goed. Hij ziet de toekomst donker in, zó zelfs, dat hij afscheidsbrieven gaat schrijven naar het vaderland.

Hoe moeilijk is het dan om te betrouwen op God. Geloven in het donker gaat niet zo gemakkelijk. En toch laat de Heere het water vaak tot de lippen komen om de redding des te wonderlijker te doen zijn. Zou het hier ook zo gaan? Hoe zou de Heere hier redding kunnen schenken? Moeten we vragen: hoe? Bij de Heere zijn duizenden middelen. De situatie kan voor God nooit te moeilijk zijn, al zien wij er geen licht in.

De stammen van de machtige priester-koning Singa-Magaradja rukken op, ten strijde tegen het nietige Vrededorp. Van dat dorpje blijft niets meer over.

Maar de stammen komen niet bij Hoeta Dame. Ze kunnen niet en de koning durft niet. Hij is zeer verschrikt geworden. Want wat is hier gebeurd? De vreselijke pokziekte is onder de soldaten uitgebroken. Ver buiten de nederzetting moeten ze halt houden. De Heere heeft gezegd: tot hier toe en niet verder

Toch krijgt Nommensen nog bezoek van soldaten. Ja, maar die komen om genezing te vinden tegen cle gevreesde ziekte. Hoe zijn cle rollen omgekeerd: komen om te doden en nu verzoeken 0111 middellijk in het leven te mogen blijven! „De Heere regeert, dat cle volken beven!"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.