+ Meer informatie

Geroepen naar Gods voornemen

5 minuten leestijd

5.

Uitverkiezing en roeping bij Calvijn

Wij zagen reeds dat het Calvijn in het spreken over de roeping Gods erom gaat de schriftuurlijke lijnen te laten zien. Over de éne lijn hebben we al geschreven, nml. dat in de prediking de algemene roeping klinkt. Zonder omwegen spreekt hij die roeping tot allen, verkorenen en verworpenen. Het is zelfs opvallend hoe vaak of’ de reformator van Geneve getuigt, dat de boodschap van het Evangelie ook aan de verworpenen gepredikt wordt. Als hij trouwens ergens voor vreesde, dan was het voor de verachting van het gehoor van het Woord Gods. Zo kan hij ergens schrijven: „Want als het gehoor des Woords ons niet voldoende is om te geloven, verdienen wij niet dat God met ons iets te doen nebbe, daar wij Hem dan beroven van Zijn eer”. (Commentaar op Genesis 50 : 24).

Niemand kan dus met Calvijn in de hand afzien in de prediking van wat hij noemt de algemene roeping of in dode lijdelijkheid zich beroepen op de noodzaak van het werk van de Heilige Geest /onder acht te geven op het Woord van God. Zo iemand heeft Calvijn niet mee, wat erger is: Gods Woord niet mee. Want /onder te beweren dat hij in alles Gods Woord heelt nagesproken, staat hel voor mij vast, dat hij hierin de Heilige Schrift aan zijn zijde gehad heelt. Dit geldt ook de andere lijn, die hij met niet minder overtuiging en kracht naar voren brengt nml. het onlosmakelijk verband tussen Gods eeuwige verkiezing en de roeping tot zaligheid.

Waar gaat het hier om? Wil Calvijn op een beschouwende manier spreken over verkiezing en roeping? Wie dat aanneemt, kent hem niet. Zo spreekt hij niet. De Hecre had hem begiftigd met een scherp verstand, maar dat heelt leren buigen voor wal God zegt en telkens de verheerlijking van Gods genade op het oog heeft. Feitelijk is hel spreken van Calvijn over de krachtdadige roeping niet anders dan één lofzang op de genade Gods. Wat hij schrijft aan het einde van het eerste gedeelte van hoofdstuk 24 in het 3de boek van de Institutie: „wat doen ook de Proleten anders dan dat /e de genadige en onverdiende roeping Gods zonder ophouden roemen en verkondigen„, is ook zijn eigen begeerte: God grootmaken in de genadige roeping!

Hoe weet hij te spreken van de toestand van het natuurlijk hart. Het Woord van God doet hij niets tekort, maar handelend over het geloof en het Woord ziet hij dat natuurlijk hart in zijn vijandschap: „En dit naakt en uitwendig betoog en bewijs van Gods Woord behoorde ten volle genoeg te zijn om ons te doen geloven, indien onze blindheid en hardnekkigheid zulks niet verhinderden.

Ons verstand is zozeer genegen tot ijdelheid, dat het Gods waarheid nimmermeer kan aanhangen; en zo bot en stomp, dat het Gods licht niet kan aanschouwen. Derhalve wordt er door het Woord zonder de verlichting des Heiligen Gecstes niel met al uitgericht”. (Institutie III 2.33).

Dat er vandaag bij velen zo weinig of niets doorklinkt van deze genadige roeping in de prediking, zou het niet zijn oorzaak mede daarin vinden; dat het natuurlijk hart in zijn blindheid en vijandschap niet gekend wordt? Calvijn heeft daarin juist ook de noodzaak van het werk des Heiligen Gecstes gezien en beleden. Later kunnen we dan ook van hem horen dat God betuigt „dat wij geen oren hebben om te horen en geen ogen om te zien. anders dan die Hij gemaakt heeft”.

Zo belijdt hij, die het hart van de mens kent, het verband lussen verkiezing en roeping. „De verkiezing, die God in Zichzelf verborgen heeft, wordt van Hem ten laatste niet zonder onderscheid geopenbaard door de roeping, die men daarom eigenlijk noemen mag de betuiging en bekendmaking der verkiezing. Want die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren verordincerd dat ze het beeld van Zijn Zoon zouden gelijkvormig worden: en die Hij tevoren verordincerd heeft, die heeft Hij ook geroepen…… Al hoewel de Heere reeds door de verkiezing de Zijnen tot kinderen aangenomen heeft, zo zien we nochtans dat zij niet komen tot het bezit van zo'n groot goed, dan op die tijd, als ze geroepen worden. Wederom zien we dat zij geroepen zijnde, nu enigszins genieten de vrucht en kennis van hun verkiezing.”

Hoe duidelijk spreekt hier de andere lijn bij Calvijn, die hij inzake de roeping naar de Schrift aanwijst. De bijzondere roeping is voor hem: de betuiging en bekendmaking van Gods verkiezing. Naar die genadige verkiezing roept God. „God leert derhalve Zijn uitverkorenen krachtig, opdat Hij hen tot het geloof brengt”.

Dit alles kunt u lezen in het 24ste hoofdstuk van het 3de bock van Calvijns Institutie. Het ware te wensen dat dit werk eens meer onder ons gelezen werd. Want hier zien we ook duidelijk dat niemand met Calvijn in de hand een prediking kan voorstaan, die de krachtdadige roeping overslaat.

En ook hierin spreekt de praktijk der godzaligheid bij Calvijn. Hij noemt deze roeping een pand der zaligheid. In de roeping komt de verkiezing openbaar om dan ook daarin kennis en zekerheid van de verkiezing te ontvangen. „Laat ons dan dit houden voor de rechte en enige weg en het middel om van onze verkiezing kennis en zekerheid te ontvangen, te weten dat wij van de roeping Gods beginnen en dat wij daarin ook eindigen: dewijl God daardoor als door een merk en teken ons zoveel wil bevestigen, als men van Zijn Raad behoort te weten”. Wat een onderwijs voor bestredenen!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.