+ Meer informatie

L.W.C. Keuchenius (9)

11 minuten leestijd

Duidelijk i.s al geworden dat Keuchenius een geheel eigen plaats innam onder de toenmalige anti-revolutionairen. Hij was een echte 'Einzelganger' die moeilijk van zijn cjngelijk te overtuigen was. Dat kon ertoe leiden dat hij in de Kamer alleen stond, zonder dat er altijd

echt principiële kwesties in het geding waren. Het volgende voorbeeld kan dat illustreren.

Regentes Emma

Aan het einde van de vorige eeuw leek het erop dat het voortbestaan van het Oranjehuis aan een zijden draad hing. In 1879 was prins Willem overleden, gevolgd door prins Alexander in 1884. Prinses Wilhelmina was toen nog maar 4 jaar oud. Zou koning Willem III komen te overlijden, dan zou dat tot moeilijkheden leiden. Zo zou de al in voorbereiding zijnde algemene grondwetsherziening voor jaren onmogelijk worden. Vandaar dat in de Kamer o.a. door Lohman aangedrongen werd op een onmiddellijke wettelijke regeling van het regentschap, wat ook gebeurde. Koningin Emma werd in augustus 1884 bij wet tot regentes benoemd voor de periode van de minderjarigheid van Wilhelmina, als deze haar vader moest opvolgen. Een overgrote meerderheid stemde voor de wet: 97 voor en 3 tegen. Onder de tegenstemmers was ook Keuchenius. Naar zijn mening kon een vrouw geen regentes zijn. Bovendien betoogde hij dat een moeder geen trouw kon zweren aan haar kind: "Een moeder moet tucht uitoefenen, geen eed van trouw zweren". Hij werd daarin bestreden door Schaepman. Deze stelde dat -zeker gezien de omstandigheden die tot deze regeling noopten- de eedsaflegging van Emma niet tot uitgangspunt van het betoog genomen moest worden. "Het komt mij voor, dat het op dit oogenbiik niet het juiste oogenblik was om aldus van dezen eed te gewagen. En ik wilde den heer Keuchenius, wiens beginselen ik tot eene zekere hoogte deel en dien ik hoogacht, in overweging geven, of eene dergelijke bestrijding van de revolutie op hem, den anti-revolutionair, niet het woord zou kunnen dcjen toepassen: les extremes se toitchent."

Herziening art. 198

Naast deze wet op het regentschap moe-st ook art. 198 van de Grondwet -vooruitlopend op de algehele herziening van de Grondwet- herzien worden om die grondwetsherziening veilig te stellen. Het gewijzigde art. 198 zou gaan luiden: "Gedurende een regentschap kan in de troonopvolging geen verandering worden gebracht". Grondwetswijziging die andere punten betrof, zou dus wel mogelijk zijn.

Ook hiertegen bracht Keuchenius zijn bezwaren in. Hier was sprake van grondwetsschennis zolang het getal van de Tweede-Kamerleden niet in overeenstemming was gebracht met de sinds 1878 toegenomen bevolking. Van Houten daarover: "De geest van Keuchenius zag alles door den bril van zijn eigenaardig geloof en was een bijzonder onzuivere weegschaal voor het gewicht van argumenten. Hij had ons juist in den strijd om de grondwetsherziening een treffend voorbeeld hiervan gegeven door zijn telkens en telkens weder herhaald be­ toog, dat geen grondwetsherziening mocht worden aangenomen, dan door een Tweede Kamer die voldeed aan het voorschrift der Grondwet van 1848, dat haar aantal bepaalde naar de bevolking, voor iedere 45000 één." Keuchenius bleef gedurende de hele periode van de grondwetsherziening op dit aambeeld hameren; hij diende daartoe een paar maal een motie in. Hij geloofde dan ook stellig in wat hij zei. Met als gevolg dat hij doorsloeg. Toen het herzieningstrajekt bijna afgerond was, herhaalde hij zijn bezwaren nog eens in de richting van minister Heemskerk onder wiens leiding de herziening plaatsvond. Keuchenius kwam er toen zelfs toe te eisen dat minister Heemskerk in staat van beschuldiging werd gesteld wegens ambtsmisdrijf. Hij was in dergelijke omstandigheden niet voor rede vatbaar.

Ondanks alles, toch minister

Het volharden van Keuchenius in zijn persoonlijke overtuiging bracht hem in een geïsoleerde positie. Het is dan ook verwonderiijk dat juist hij in 1888 minister werd in het ministerie-Mackay, het eerste christelijke kabinet.

Vanzelfsprekend was het in ieder geval niet. Denk maar aan zijn opvatting over de verhouding tussen de anti-revolutionairen en rooms-katholieken. Zcjals we de vorige keer zagen, was hij een "verklaard tegenstander" van de coalitie.

Het is opvallend dat het juist Lohman is geweest die Keuchenius kandideerde. Uit een persoonlijk verslag dat Lohman van de formatie van het kabinet-Mackay maakte, blijkt dat Lohman op de benoeming van Keuchenius tot ministervan Koloniën heeft aangestuurd. Nog voordat Mackay de formatieopdracht had gekregen, vierde Lohman zijn zilveren huwelijksjubileum. Tijdens dat jubileum -waarbij ook Keuchenius aanwezig was- polste Lohman Keuchenius voor Koloniën: "Ik zeide hem dat hij m.i. daarvoor de man was; hij had daar wel ooren naar".

De dag daarna -29 maart 1888- kreeg Mackay de formatieopdracht van de koning. Bij de formatie waren vooral Mackay, Lohman en Schaepman betrokken. Later kwam ook Kuyper daar bij. Tijdens een vergadering waarbij Kuyper niet aanwezig was, stelde Lohman Keuchenius voor: "Ik noemde Keuchenius en na eenige beschouwingen, waarin werd gewezen op diens zaakkennis en zijn lastige, onaangename manier als hij in de oppositie is, vereenigde ook JVIackay zich met dit voorstel. Schaepman vond het zelfs goed, en meende dat zijne vrienden het ook zouden goedkeuren". Schaepman had wel een eigen kandidaat op het oog gehad, die door Lohman echter "zachtkens afgeweerd" werd.

Lohman bleef zelf in de Kamer. Daar vond hij zich meer op zijn plaats: "In geen geval treed ik zelf op, ik moet de aangename post blijven bezetten van vechtersbaas".

Toen het moment daar was, was Keuchenius niet meer zo zeker van zijn zaak. Eerst had hij er wel oren naar gehad, maar begin april schreef hij aan Lohman: "Mackay heeft mij gisteren aangeboden in zijn ministerie zitting te nemen, en met dit aanbod mij voor een vraag gesteld, die ik moeite heb te beantwoorden". Keuchenius had twijfels over zijn persoon en over de motieven die tot zijn voordracht hadden geleid. Hij schreef -met een vooruitziende blik- in diezelfde brief bovendien: "Toch is het den moeite waardig, dat gij eens nadenkt over de vraag, of het niet juist mijne persoon een bezwaar tegen den vorming of tegen den duur en den kracht van het nieuwe ministerie" is. In dat geval zou het beter zijn -in het belang van het land en van de partij- om buiten het kabinet te blijven. Wel zou hij zijn bezwaren terzijde stellen wanneer als gevolg van zijn bedanken afgezien werd van de formatieopdracht. "Maar overigens zijn er tien redenen tegen ééne dcjor mij aan te voeren om op 65 jarigen leeftijd, met een gezicht, een karakter en een klein talent als het mijne, de eer mij toegebracht af te wijzen". Lohman deelde hem echter mee dat hij het "bepaald noodzakelijk" vond dat Keuchenius de aangeboden post aanvaardde.

'De onmogelijkste man'

Niet iedereen begroette Keuchenius' komst met gejuich. Dat bleek al uit de diverse reakties in de pers. "Keuchenius is ontegenzeglijk een zeer kundig, radicaal en doortastend staatsman. Maar als Kamerlid heeft hij zóó weinig getoond de deugd der zelfbeheersching te bezitten, dat men niet zonder bezorgdheid hem kan begroeten als drager van een der gewichtigste portefeuilles, " zo omschreef het Algemeen Handelsblad zijn kfjmst. De NRC was nog negatiever: "De man die met zijne eindeloo.se predication de Kamer tot wanhoop brengt; die alleen meer dan alle andere leden te zamen tot de orde moet worden geroepen (...). De man, wiens geest de wonderbaarlijkste sprongen maakt; die motiën ineenzet, waarvoor het gewone menschenverstand stilstaat. Die tegen ieder en allen in oorlog is (...). De onmogelijkste man die er ooit in onze Kamer eenen zetel heeft gehad; een man, die den verwonderlijken schat zijner kennis, zijn zeldzaam vernuft, en den prachtigsten stijl niet beter weet te gebruiken dan om af te breken (...). Hoe is het mogelijk ... dat dien man het lot van Insulinde in handen wordt gesteld? ". Door Keuchenius te aanvaarden als minister van Koloniën heeft Mackay -volgens dezelfde krant- in zijn ministerie 'de kiem der ontbinding gelegd, en zijnen naam als staatsman verspeeld". ­

'Een lichtende star'

Hoe anders Kuyper in zijn De Standaard: "Keuchenius de banierdrager van de richting die komt. (...) En zie, dat nu zulk een man ... toch ten leste optreedt als Minister van Koloniën, daarin ligt een teeken van wondere bemoediging. Vooral wie met Keuchenius om des beginsels wille leed, een lichtende star te midden der duisternis".

Positief ook was de rooms-katholieke De Maasbode: zelfs Cremer en Fransen van de Putte zouden Keuchenius niet kunnen evenaren. En dat Keuchenius dan wel eens uitgevaren was tegen het rooms-katholicisme? De Maasbode nam graag een verzoenende houding aan: "... wij zijn er van overtuigd, dat mr. Keuchenius niet gaarne dit onbehouwen gezegde zou herhalen, ja zou willen dat hij het niet gesproken had".

De Tijd, een andere rooms-katholieke krant, was echter sceptischer. Zij was het nog niet vergeten dat juist deze man in 1866 die beruchte, revolutionaire motie had ingediend. De krant twijfelde niet aan de bekwaamheid, eruditie, parlementaire ervaring en schranderheid, maar toch erkende ze dat "de benoeming van dezen minister bij ons een gevoel opwekte, dat niet geheel vrij is van zekere bezorgdheid. Meer wenschen wij er niet van te zeggen. Een andere persoon is, kan zijn althans, de afgevaardigde Keuchenius, een andere de minister. Daarenboven sprak de afgevaardigde voor zich alleen, terwijl de minister rekening zal hebben te houden met het gevoelen van zijn ambtgenooten".

Adreswijziging

Onze partijsecretaris, diir A. de Boer, is verhuisd naar: H(5- \elincklaan 4, 9351 TL in Leek, teLnr. Ü594-S18919 (pag 2), De artikel-11 forrnulieren (u hebt het toch al opgestuurd? ) hebben een flink aantal mutaties opgeleverd. We hopen die in de volgende Hanier te vermelden.

Adressenbestanden

De secretarissen \'an alle PKVen zijn benaderd met het verzoek het adressenbestand van hun vereniging aan ons op te sturen. Een vvc: )ord van dank aan degenen die snel reageerden, is zeker op zn plaats. Degenen die nog niet zover gekomen zijn, willen wij graag langs deze weg nog een keer opwekken om er werk van te maken. U zult begrijpen dat het aanleggen van een adressenbestand van 24-duizend leden plus enkele duizenden donateurs, geen sinecure is. Ook al worden de gegevens van meerdere verenigingen op diskette aangeleverd.

Op het partijbureau willen we proberen om daarvoor zoveel mogelijk de wat rListige zomerperiode te benutten. Daai"voor is uw medewerking onontbeerlijk.

Jubilea

In de \'orige Banier stond PKV Papendrecht vermeld bij de jubilerende kiesverenigingen. Daar i.s nog een persoonlijk jubileum aan toe te voegen. In de jubileum-uitgave van het kontaktblad, waarvan wij een exemplaar ontvingen, stond het ook vermeld. De heer L.P.van Dalen is vanaf 19S6 bestuurslid van deze vereniging. Een periode van 4ü jaar dus. Vanaf 1960 tot op dit moment is hij penningmeester. En ook dat is het vermelden èn een felicitatie zeker waard.

Van een andere jubilerende kiesvereniging, de PKV Oud-Alblas. kregen we -mèt de gevraagde adressenlijst, een briefje van de secretaris. Hij schreef allereerst dat zijn adressenlijst wel niet de eerste zou zijn, maar zijn collega-secretarissen een Ideetje kennende, ook niet de laatste. V hebt uit het bovenstaande al begrepen dat die inschatting juist was. Ons kent ons. Maar daar bleef het niet bij. Vermeldenswaard is niet minder, dat de GKV Graafstroom, waar PKV Oud-Alblas onder ressorteert, zo'n anderhalf jaar geleden een 'commissie ledenwerving' in het leven heeft geroepen. Voor Oud-Alblas heeft daarin zitting de heer Swijnenburg. Omstreeks die tijd kwam ook het 50-jarig jubileum een beetje in zicht. En Swijnenburg kreeg de bc: )odschap mee dat het mooiste cadeau zou zijn als de PKV bij het vijftigjarig jubileum ook 50 leden zou hebben. Ga er maar aan staan! Het waren er toen niet meer dan ruim dertig!

Maar de in.spanning werd beloond. Op 6 jimi j.l. werd het jubileum herdacht met een tijdvv(X)rd van onze voorzitter ds Budding, en op 4 juni daaraan voorafgaand kwam Swijnenburg zijn laatste 2 leden 'afleveren'. Dat is allereerst een woord van dank waard aan deze ledenweiver. Daarnaast zou het anderen kimnen stimuleren. Ledenwei-ven is nog steeds de moeite waard.

Abonnementsgeld

De volgende Banier zal D.V. venschijnen over 3 weken. Dat heeft te maken met het

feit dat in de zomermaanden de frecjuentie van verschijnen iets lager ligt. Voor het eerste nummer van juli zal de acceptgirokaart voor het abonnementsgeld van het tweede halfjaar van 1996 als adresdrager gebruikt worden. Daarbij ingesloten treft u een tvicede acceptgirokaart aan. Deze kimt u gebrtiiken voor een overbetaling. Het verhaaltje waarv(X)r dat nodig is, kent u natuurlijk al hoog en breed, want dat staat tweemaal per jaar in De Banier en op de bijsluiter. Toch zijn we zo hardnekkig het ook hier nog een keer te noemen. Dankzij uw vrijwillige bijdrage houden we het abonnementsgeld op hetzelfde, beslist lage, niveau. Verhoging van de abonnementsprijs levert mogelijk C50k weer opzeggingen op, vooral van oudere mensen die toch al zo veel dingen duurder zien v\'orden. Uw bijdrage mag dus ook geplaatst in het kader van 'Draagt elkanders lasten'.

DN

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.