+ Meer informatie

DE DIENST DER GENEZING (slotwoord)

7 minuten leestijd

We hebben sterk het gevoel dat lang niet alle vragen rondom dit onderwerp vandaag aan de orde zijn geweest. Laat staan dat ze alle zouden zijn beantwoord en we er helemaal „uit” zouden zijn gekomen.

We hadden niet anders verwacht. Trouwens, we hebben dat vaker met onze conferenties meegemaakt. Maar toch kunnen we ons, meen ik, vandaag minder gemakkelijk dan anders bij deze niet-opgeloste vragen neerleggen. Het ging vandaag immers niet over zaken die we nog eens zonder haast nader kunnen bezien en bespreken. Zelf moet ik, zodra ik van deze conferentie thuis gekomen ben, naar een ziekenhuis om een stervende patiënte te bezoeken. Wat ga ik daar doen? Zij zelf vraagt niet meer om genezing; zij is volkomen klaar om heen te gaan. Ook haar familie bidt er niet meer om. Wat doe ik als predikant?

En ook u, ouderlingen en diakenen, kunnen bij zieken worden geroepen. Vandaag konden we ons bezig houden met de vraag: hoe staan we tegenover de verschillende opvattingen over de dienst der genezing? Maar zodra we thuis zijn gekomen, komt de vraag op ons af: hoe gaan wij tot deze dienst in?

Beide referenten hebben gesproken vanuit de Heilige Schrift. Dat is heel belangrijk. Want niet de charismatische beweging of enkele wereldvermaarde gebedsgenezers plaatsen ons voor vragen, maar de Bijbel doet dit.

Daarom zegt het zo weinig als over genezingen op het gebed of door oplegging met handen allerlei verhalen worden verteld. Sommige verhalen gewagen van wonderen die als klare bewijzen moeten dienen dat er bij anderen veel geschiedt wat ons onbekend is, en waarop wij jaloers mogen zijn. Er zijn ook vandaag weer tegen-verhalen verteld over teleurstellingen en zelfs afknappers aan die zijde, en daarmee zouden wij ons dan moeten troosten. Maar naar onze belijdenis hebben we ons niet aan het verschil tussen ons en anderen te toetsen, maar naar de regel van Gods Woord. De vraag of wij niet al te gemakkelijk de uitspraken van de Schrift laten liggen of eromheen praten, is gesteld en deze vraag is onontkoombaar. Om ons gewetens wil moeten die vragen branden. Ik herhaal hier graag het dilemma dat de eerste referent in het begin stelde: is er bij ons sprake van kleingeloof, als wij niet handelen zoals Petrus en Johannes bij de Schone Poort (Handelingen 3), of is er sprake van overmoed bij hen die dit de apostelen menen te mogen nadoen?

Nauwkeurig luisteren naar de Schrift is geboden. Want die ons oordeelt is geen mens, maar de Heere! Dit oordeel gaat ook over ons ambtelijk handelen.

Daarom is het goed dat er vandaag veel naar de Schrift is geluisterd. En zonder nu te menen in dit korte slotwoord al het gesprokene even te kunnen aanvullen en afronden (hoe zou ik!), wil ik toch nog eens met u luisteren naar de Schrift.

Natuurlijk kon ik verwachten dat vandaag Jacobus 5 zou worden geciteerd. Echt geen gemakkelijk Schriftgedeelte. Mag ik uw aandacht vragen voor uitspraken in dit hoofdstuk die vandaag niet zijn genoemd? Het gaat er over Elia, die eerst bad om droogte, en de Heere gaf droogte; die vervolgens bad om regen, en de Heere gaf regen. Het Oude Testament verhaalt ons van het eerste gebed niets. Hoe Jacobus aan deze kennis is gekomen, weet ik niet. Maar het is duidelijk dat het in deze gebeden van Elia maar niet ging om iets wat de profeet voor zichzelf vurig begeerde. Elia was de strijder voor de Heere in de tijd toen Israël de heidense Baäl ging dienen onder leiding van Izebel. Wie zou er God in Israël zijn, de Heere of Baäl? Baäl zorgde voor vruchtbaarheid, voor regen en zon op zijn tijd. En om de beschaming van Baäl gaat het in de worsteling van Elia. Daarom dat vreemde geroep om droogte, n.b. door iemand die zelf van het boerenland kwam. Noemt Jacobus daarom Elia een „rechtvaardige”, omdat hij bad om de zaak des Heeren? Als dezelfde profeet een poosje later een ander gebed bidt, nl. om maar te mogen sterven, dan wordt dat gebed niet verhoord. Niet omdat het minder vurig, minder ernstig zou zijn geweest dan zijn eerdere gebeden, maar duidelijk omdat Elia daar het opgeeft om nog verder zich voor ’s Heeren zaak in te zetten. Ik wil maar zeggen: we moeten inderdaad gelovig bidden, maar een echt geloof kan niet maar alles bidden! Straks zullen we zingen: Nooit kan ’t geloof teveel verwachten. Ja, maar vergeet de tweede regel daarbij niet: Des Heilands woorden zijn gewis. Geloof en gebed blijven gebonden aan het Woord. Het gelovig bidden leidt er niet toe dat de Heere mij mijn zin geeft, maar integendeel: dat God Zijn zin krijgt en ik biddend en dienend Zijn zin doe. Heel terecht zei ds. De Boer: In het „Uw wil geschiede” gaat het niet om Gods verborgen, maar om zijn geopenbaarde wil; we vragen of we Gods wil mogen doen! Zo bidt onze Heiland ook in Gethsemané: niet om berusting in wat toch niet anders kan, maar om trouwe dienst aan de opdracht!

Zo gezien is er geen tegenstelling tussen Elia, wiens gebeden werden verhoord, en b.v. Paulus, wiens bede om verlossing van de doorn in zijn vlees niet werd verhoord. In beider leven ging het om de zaak des Heeren. Er kwam droogte om de Heere een plaats te geven in het geloof van zijn volk. En de doorn van Paulus bleef opdat de kracht des Heeren des te duidelijker zou worden geopenbaard. Hier is geen tegenstelling, b.v. alsof Jacobus de „regel” zou aangeven, en Paulus een privé-uitzondering zou ervaren.

We lazen zo juist 2 Koningen 2 : 13–14. Daar zien we Elisa, nog beduusd van de hemelvaart van zijn geëerde meester, de „wagen Israël en zijn ruiters”. Loodzwaar drukt zijn nieuwe taak op zijn schouders. Hij is Elia toch niet! Dat voelt hij duidelijk als hij bij de Jordaan staat. Elia sloeg met de mantel, zonder te spreken. Is het geloof, om nu zonder meer de „techniek” van Elia over te nemen? En gaat het dan vanzelf goed? Elisa weet wel beter.

Hij staat daar met de mantel van Elia. Die was hem eens in Abel-Mehola op de schouders geworpen. Daarmee werd zijn leven betrokken in die worsteling om de zaak des Heeren. En hij had begrepen: niet God stond achter Elia’s zaak, maar Elia stond achter en in Gods zaak. Nu is Elia er niet meer. De zaak Gods echter rust op hem. En dus roept Elisa de Heere aan: Waar is de God van Elia?

De belemmering van het moment, die Jordaan, staat Gods werk in de weg. Wat doet God er mee? Elisa bidt niet om een „stunt” van zijn kracht, van zijn geloof. Hij plaatst de Heere voor Zijn eigen zaak!

Als bij Paulus de zaak des Heeren duidelijk wordt, houdt hij op met zijn gebed om verlossing van de doorn. Het zou ongeloof, verzet zijn geweest daarmee voort te gaan na Gods antwoord. Paulus is er voor God, in leven en sterven, in gezondheid en in ziek-zijn. Niet omgekeerd.

Daarom maakt het geloof ootmoedig en bescheiden.

Spreken we daarom vandaag over: de dienst der genezing? Het gaat niet om de kracht ertoe, om de successen ermee. Maar om de zin ervan voor God de Heere.

Dienst der genezing. Dat heeft twee betekenissen:

a. kunnen, mogen wij ook in onze tijd nog ermee dienen, of is die dienst voorbij? Wie zou niet willen? Vooral als in deze tijd onze onmacht ons aangrijnst;

b. dient de genezing, waarom we bezig zijn, ook werkelijk de Heere, of alleen maar de zieke, de genezer? Waarom we bidden, moet toch voor Gods Naam en zaak de moeite waard zijn? Als we zo ons eigen leven bezien, waarom zou God ons geven wat we bidden?

Ja, waar is de God van Elia? Die Elia tot Elia maakte en toen hij wegliep, hem terugriep tot de trouwe dienst? En voor Wie het niets uitmaakte of Hij nu Elia, de beproefde, of Elisa, de beginneling, voor Zich had?

Ja, waar is de God van Elia?

Laten we veel aan Hem denken, als we tot onze diensten ingaan!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.