+ Meer informatie

SUBSIDIËRING VAN DE KERKENBOUW

13 minuten leestijd

Academisch proefschrift.

Het is in feite overbodige moeite de auteur van het proefschrift „Subsidiëring van de kerkenbouw” bij de lezers van ons blad te introduceren, bekend als hij is als de man van de toetsen en het toetsen, die met elan schrijfmachine en orgel bespeelt en niet aflaat schertsend en scherp, speels en spits zijn mening kenbaar te maken, zowel ten aanzien van politieke als van kerkelijke zaken: Cornelis Jansen Verplanke. Als schrijver van vele artikelen in onze kerkelijke pers, als lid van enkele deputaatschappen en laatstelijk als afgevaardigde naar de in Grand-Rapids gehouden gereformeerde oecumenische synode, heeft de burgemeester van ’s-Gravendeel een bekende naam onder ons. Gaarne willen we in ons blad aandacht wijden aan het proefschrift waarop hij 5 juli jl. aan de Vrije Universiteit promoveerde. Overeenkomstig zijn reeds uit vele publicaties gebleken interesse beweegt deze dissertatie zich op staatkundig-kerkelijk terrein, een terrein dat uiteraard ons als ambtsdragers evenzeer interesseert, voorzover wij met „kerkenbouw” te maken hebben in zeer directe zin, maar ook alsdat niet het geval is, hebben wij met de verhouding kerk — staat, c.q. overheid in velerlei opzicht te maken en is een nadere bezinning op een materie als de onderhavige van grote betekenis.

In het eerste hoofdstuk geeft dr. Verplanke „Verantwoording” van het door hem ter hand genomen onderwerp. De relatie tussen kerk en staat is de eeuwen door in het geding geweest. Niet zeiden betwistten beide elkaar de voorrang, ja zelfs de oppermacht. Met name in ons land dat zijn staatkundige zelfstandigheid te danken heeft aan een vrijheidsstrijd die mede door religieuze factoren in sterke mate werd bepaald, is de verhouding tussen kerk en staat steeds weer aan de orde gesteld. Na de tweede wereldoorlog heeft deze zaak praktische betekenis gekregen door de toen sterk opgang gekomen subsidiëring van de kerkenbouw die geleid heeft tot de bekende Wet Premie Kerkenbouw van 29 november 1962.

Tegen deze subsidiëring is van verschillende kanten bezwaar ingebracht, o.a. heeft men de vraag opgeworpen of deze grondwettelijk toelaatbaar was gelet op de „scheiding van kerk en staat”. Dr. Verplanke wijst er dan op dat in ons land dit begrip niet zó moet worden opgevat als zouden de kerkgenootschappen met particuliere verenigingen op één lijn gesteld worden, wel echter in die zin dat er geen sprake is van een staatskerk of bevoorrechte kerk, waarbij de bijzondere positie van de kerk wordt erkend en zelfs geldelijke steun niet is uitgesloten, hetzij indirect, hetzij rechtstreeks.

Indirecte steun kan genoemd worden de subsidiëring van kerkelijke sociale arbeid (jeugdwerk, onderwijs, gezinswerk, maatschappelijk werk enz.), het verlenen van verschillende fiscale faciliteiten (aftrek van kerkelijke bijdragen) en de armenzorg die voor een steeds groter deel wordt gefinancierd door de overheid, zulks ten faveure van de diaconale budgetten, waarbij het in dit verband principieel geen verschil maakt, of het overheidsgeld rechtstreeks door de overheid dan wel via het diaconale apparaat in handen van de onderstand-behoevenden komt.1)

Rechtstreekse steun biedt de overheid in ons land aan de kerkelijke arbeid in engere zin t.a.v. traktementen van „bedienaars van de godsdienst” en t.a.v. de kerkenbouw. Uiteraard gaat het dr. Verplanke in dit boek voornamelijk om de laatste vorm van rechtstreekse steun.

Het tweede hoofdstuk verschaft een duidelijk inzicht in de rechtstreekse overheidssteun aan kerken namelijk in het ontstaan en de betekenis van de rijks-steun voor het onderhoud van de bedienaren van de godsdienst krachtens de grondwet alsmede die voor kerkenbouw. Vóór de reformatie bezat de kerk uitgestrekte bezittingen.2) die tijdens de tachtigjarige oorlog in handen kwamen van de overheid, waaruit deze de kosten van de heersende kerk in de tijd van de republiek betaalde. De Franse revolutie bracht losmaking van de „zilveren koorde” wat met name voor de kerk i.e. de hervormde de grootste moeilijkheden opleverde, gewend als deze was tegen de overheid aan te leunen. Weer werden haar fondsen genationaliseerd. Zelf moest zij nu voor het onderhoud van haar eredienst zorgen. Maar krachtens haar mede door de overheid bepaalde voorgeschiedenis was het haar niet mogelijk op eigen benen te staan. Vandaar dat overheidssteun toen het uur van de bevrijding van de Franse overheersing sloeg, alleszins begrijpelijk èn te verdedigen was — althans als overgangsmaatregel naar volledige financiële zelfstandigheid. Dat ook de andere toen bestaande kerkgenootschappen wier fondsen eveneens waren geseculariseerd overeenkomstig de dan heersende opvatting van gelijke bescherming en gelijke rechten voor allen, op gelijke voet met de hervormde kerk werden gesteund is niet onredelijk te achten. Pogingen om deze steun te beëindigen, zijn tot nu toe mislukt. De betekenis van de gegeven steun is door geldontwaarding trouwens voortdurend verminderd (1815: f 1.224.000.— rijkstraklementen op de begroting; 1872: f 1.777.000,—: 1873 f 1.947.000,—). Het totale aantal rijkstraktementen is zelfs sinds 1815 iets verminderd.

Wat de kerkenbouw betrefl is de rijkssteun sinds 1884 een pro memorie post op de begroting nadat daarvóór bedragen waren uitgetrokken variërend van f 1100.— tot f 30.000, (en profijte van de hervormden, roomsen en israëlieten. Wel heeft het staatsmijnbedrijf in de loop der jaren belangrijke bedragen beschikbaar gesteld in navolging van het particuliere bedrijf, sinds 1914 zelfs in toenemende mate (f 3.188.—, in 1963 f 450.000.—), waartegen vooral van de zijde van de S.D.A.P. verzet werd aangetekend. Maar in dit geval steunde de overheid niet qualitate qua maar als ondernemer. Datzelfde kan, hoewel niet op gelijk niveau, betoogd worden ten aanzien van de rijkssteun voor kerkenbouw in de IJsselmeerpolders. Deze steun heeft echter in tegenstelling tot die van het staatsmijnbedrijf een aflopend karakter. Ter sprake komt dan nog de rijkssteun als gevolg van oorlogs- en watersnoodschade. Deze schadevergoeding heeft evenwel een geheel ander karakter dan de rijkssteun voor kerkenbouw bedoeld in de onderhavige wet.

De financiële steun die door gemeenten en provincies aan de kerken wordt verstrekt, wordt vervolgens door dr. Verplanke aan de orde gesteld. Behalve in Limburg waar incidenteel subsidies voor kerkenbouw werden verstrekt tot dat de Wet Premie Kerkenbouw, werd aangenomen zijn in de andere provincies praktisch geen subsidies verleend. Waren er in 1815 een drietal gemeenten die na de reformatie de kerkelijke goederen in eigen beheer hadden gehouden, verplicht subsidies te verlenen, sindsdien zijn er talrijke gemeenten die vrijwillig rechtstreekse financiële steun bieden aan de kerkgenootschappen. Afgedacht van de situatie die na de tweede Wereldoorlog ontstond, waren het met name gemeenten in Limburg, in mindere mate in Noord-Brabant en een enkele maal in Gelderland die deze steun boden. Buiten deze provincies slechts bij uitzondering. Wel werd tegen deze steunverlening verzet aangetekend, maar de regering wenste de gemeentelijke autonomie niet aan te tasten en beoordeelde alleen de vraag of de vermogenspositie van de gemeente het verlenen van de subsidie toestond. Verschillende voorbeelden worden genoemd, ook van de subsidiëring van kerkenbouw voor de burgerlijke gemeente. Dit laatste nam na de tweede Wereldoorlog hand over hand toe. Uitvoerig wordt de beslissende „test-case’ in dezen (Nijmegen) behandeld. Ook toen (1954) besliste de Kroon dat de gemeente zelf moét uitmaken wat haar belang is, wel werden de vermogensbelangen in de beoordeling betrokken, terwijl er in het onderhavige geval geen sprake is van strijd met de wet volgens de regering. Vele gemeenten volgden sindsdien met meestal incidentele subsidiebesluiten naai gevarieerde maatstaven, nu eens werd een bepaald percentage van de stichtingskosten gesubsidieerd, dan weer een bepaald bedrag per vaste zitplaats, terwijl geen andere voorwaarden werden gesteld dan de zekerheid dat de gelden voor het beoogde doel zouden worden besteed en de bestemming een blijvende zou zijn. Gemeentelijke subsidiebesluiten betreffende het onderhoud van de bedienaren van de godsdienst, reeds lang incidenteel in Limburg bekend, zijn na de tweede Wereldoorlog ook elders genomen, hoewel niet in zulk een omvang als inzake de kerkenbouw.

Een afzonderlijke paragraaf wijdt dr. Verplanke aan de houding van de Afgescheidenen tegenover geldelijke overheidssteun. Immers de rijkssteun die krachtens de Grondwet wordt gegeven, beperkt zich tot de in 1815 bestaande kerkgenootschappen. De nadien ontstane kerken zijn van deze steunverlening verstoken gebleven — afgedacht van de steun door het staatsmijnbedrijf enz. Als grootste der na 1815 ontstane kerkformaties voor wie dus het aanvaarden van overheidssteun geen vertrouwde zaak was, was de onderhavige subsidiëring iets dat met name de Afgescheidenen moeite gaf. Dr. Verplanke releveert de gang van zaken op de verschillende synoden. Aanvankelijk heeft het laten varen van de aanspraak op de goederen, naam en rechten van de hervormde kerk nogal enige moeite veroorzaakt („kruisgemeenten’). Herhaaldelijk komt deze zaak aan de orde waarbij de restitutie-gedachte een grote rol speelde (gemeenten hebben vrijheid om toelage uit de schatkist te verzoeken, daar de burgerlijke regering billijk en rechtvaardig jegens allen moet handelen — 1849). Onder invloed van afgevaardigden uit Schotland komt er echter langzamerhand een kentering, zodat de synode van 1872 het nieuwe standpunt duidelijk formuleerde: geen restitutie, geen rechten op de goederen van de oude gereformeerde kerk, geen subsidie, want elke ondersteunnng is in strijd met Gods Woord, de geschiedenis en het beginsel van scheiding van kerk en staat. Tien jaar later wordt dit nogmaals onderstreept: de staat mag geen enkel kerkgenootschap subsidie of restitutie toekennen. Helaas laat de schrijver na aan te tonen waarom het juist de Schotten zijn geweest die de Afgescheidenen tot andere gedachten hebben gebracht, althans op synodaal niveau. De hun min of meer afgeperste erkenning — om vrijheid van godsdienstoefening te krijgen — dat zij geen rechten zouden laten gelden die volgens de toenmalige overheid exclusief de hervormde kerk en de andere in 1815 bestaande kerkformaties toekwamen, heeft de afgescheidenen niet gemakkelijk gezeten. De eerste synoden zijn zich sterk bewust van deze rechten. Min of meer aarzelend geven ze zich gewonnen aan het Schotse standpunt. Waarom sprak dit hen toen aan? Van welk klimaat uit is dit standpunt te verklaren.

In een laatste paragraaf „conclusies’ wijst dr. Verplanke erop dat van een financiële scheiding tussen kerk en staat in Nederland nimmer sprake is geweest; dat de subsidiëring die de hervormde kerk geniet aanvankelijk als overgangsmaatregel bedoeld, wel is gehandhaafd, maar beperkt gebleven tot de in 1815 uitgekeerde bedragen en, krachtens het beginsel van de gelijkheid van de kerkgenootschappen, uitgebreid tot andere toen bestaande kerken; dat uitbreiding tot na 1815 ontstane kerkformaties wel gepoogd is, maar eerst stuitte op verzet van de regering die vreesde daardoor de kerkelijke verdeeldheid te zullen aanwakkeren, later op afwijzing van de betrokkenen zelf; dat gemeentelijke subsidiëring inzake traktementen enz. zich naar alle waarschijnlijkheid zal uitbreiden, te meer daar deze inzake de kerkenbouw niet meer mogelijk is; en dat, aangezien het verschil tussen eenmalige en permanente subsidiëring niet van wezenlijke betekenis is, ook de subsidiëring in andere kosten van uitoefening van de eredienst door de gereformeerde kerken zal aanvaard worden zoals plaatselijk hier en daar reeds het geval is, zodra deze steunverlening een algemeen karakter krijgt.

Het derde hoofdstuk handelt over aard en positie der kerken. Dr. Verplanke betoogt in dit hoofdstuk dat de overheid in haar optreden de eigen aard van de niet-statelijke samenlevingsverbanden niet mag aantasten en dat zij zich behoort af te vragen of haar maatregelen zich verdragen met de eigen aard in casu van de kerk. De positie der kerken in het Nederlandse recht is in de Grondwet vastgelegd, waarin de vrijheid van eredienst en gelijke bescherming aan alle kerkgenootschappen wordt gewaarborgd. De theologische en juridische moeilijkheden die zich in dezen voordoen, worden in den brede geschetst. Het blijkt onmogelijk juridisch onderscheid te maken tussen kerken en religieuze bezinningsgenootschappen. Doch dit ontslaat de overheid niet van de plicht de kerken te behandelen in overeenstemming met haar wezen. De Nederlandse overheid rekent metterdaad met de juridische eigengeaardheid van de kerken; als lichamen sui generis zijn zij onderscheiden van de privaatrechtelijke verenigingen in engeie zin, en bezitten zij rechtspersoonlijkheid — ook hun onderdelen — jure suo. Deze is met hun bestaan gegeven. De wet onderscheidt niet tussen door de regering erkende en niet erkende, maar tussen bij de regering bekende en niet bekende kerkgenootschappen. Bij ministeriële missive wordt geconstateerd dat een kerk mededeling van haar bestaan heeft gedaan, waarin tevens wordt vermeld onder welk nummer het betreffende kerkgenootschap op de ten departemente van justitie in chronologische volgorde bijgehouden lijst is ingeschreven. Dit systeem is enkele jaren geleden losgelaten voor het dossierstelsel. De inboeking in de departementale dossiers geschiedt echter volkomen lijdelijk. Noch de voldoening aan de mededelingsplicht, noch de afgifte van een ontvangstbewijs hebben enig rechtsgevolg met betrekking tot de erkenning van een kerkgenootschap. Ook al is het begrip kerkgenootschap in geen enkele wet nader omschreven de positie der kerkgenootschappen als rechtspersoonlijkheid bezittende lichamen staat duidelijk vast, maar in deze erkenning delen ook lichamen die zich kerk noemen en geen kerk zijn.

Op een niet-kerkelijk genootschap op geestelijke grondslag, dat perse niet als kerk wil worden beschouwd, hoewel het hartstochtelijk streeft naar gelijkstelling met kerkgenootschappen in de wettelijke zin des woords, gaat dr. Verplanke in het vierde hoofdstuk uitvoeriger in, als hij aard en positie van het Humanistisch verband behandelt. Hoewel dit hoofdstuk zeer interessant is — achtereenvolgens wordt gesproken over: de niet-kerkelijke genootschappen op geestelijke grondslag; grondslag en doel van het Humanistisch verbond; de positie van het Humanistisch verbond — meen ik een brede bespreking van dit hoofdstuk achterwege te mogen laten, gelet op de aard van ons blad. In zijn conclusies wijst dr. Verplanke er terecht op dat uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de strijd om het verkrijgen van gelijke rechten en behandeling als de kerken uitsluitend is gevoerd door en ten bate van het Humanistisch verbond. Waarschijnlijk zou deze strijd geheel anders en ook met andere uitslag zijn gevoerd indien bijv. de Jehovagetuigen — ook een „niet-kerkelijk genootschap op geestelijke grondslag”, numeriek zelfs sterker dan het Humanistisch verbond, — in het geding waren geweest. De persoonlijke overtuiging van de bewindslieden is hier uiteraard debet aan, hoewel het initiatief nimmer van de regering is uitgegaan, maar van de tweede kamer, met name van de fractie van de P.v.d.A. gesteund door heel de linkerzijde en meestal ook door de K.V.P. In dit verband komt mede ter sprake de geestelijke verzorging van de tewerkgestelden, de strijdkrachten en de gedetineerden. Dr. Verplanke is van oordeel dat de overheid deze verzorging moet mogelijk maken, maar niet moet honoreren: „De overheid heeft zich te onthouden van het verschaffen van steun aan het uitdragen van welke godsdienstige of levensbeschouwelijke boodschap ook”.

Het voorlaatste hoofdstuk behandelt de „Wet Premie Kerkenbouw”. Breed wordt de voorgeschiedenis (commissie-Sassen), structuur, considerans, institulé en citeertitel van deze wet behandeld, alsmede de begripsomschrijvingen in deze wet gegeven. Voorts wordt gehandeld over de rechthebbenden, de toepasselijkheid, de premieregeling, stichtingskosten, beroepsmogelijkheden, bevoegdheden en verplichtingen van provinciën en gemeenten, commissies van advies, Bij al deze onderdelen wordt door de schrijver volle aandacht geschonken aan de parlementaire behandeling. Niet alleen voor hen die belangstellen in de zaak zelf, maar ook voor hen die wel eens willen weten hoe het toegaat in ons parlement bij de tot standkoming van de wetten, een interessant gedeelte, dat echter m.i. in ons blad minder ter zake doet.

Belangrijker is de beoordeling waartoe dr. Verplanke zich in het laatste hoofdstuk zet. In een volgend artikel hopen wij u hierover nader in te lichten.

Amsterdam.

1) De betekenis van het woord „verband” in dit citaat is niet geheel duidelijk, mede in verband met een rapport dat o.a. ook door de auteur van dit citaat is ondertekend betreffende verhouding diaconie-overheid — Acta gen. synode 1959, blz. 221 — zie conclusie 6.

2) In de provincie Groningen bijv. meer dan 25000 H.A.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.