+ Meer informatie

Onze 31ste Zomerconferentie

16 minuten leestijd

Oproep tot diakonale opbouw van de Gemeente

Heeft iedere konferentie van onze Federatie in het verleden gehouden een eigen karakter, een eigen stempel gehad? Voor zo ver onze ervaring reikt, zijn wij geneigd deze vraag bevestigend te beantwoorden. Wat onze 31ste zomerkonferentie aangaat, die op 26 en 27 juni 1958 op „Woudschoten” is gehouden, deze heeft naar onze mening ontegenzeggelijk gestaan in het teken van de diakonale gemeente-opbouw. Hoe een konferentie zal verlopen, hoe ze zal zijn, is niet van te voren te bepalen. Vanzelfsprekend wordt getracht de voorbereiding zo doeltreffend mogeeijk te doen zijn. Er is vooroverleg in het Federatiebestuur, vooral in het Dagelijks Bestuur. Maar hoe goed de voorbereidingen mogen zijn getroffen, ook hier geldt het: van ons de arbeid, van God de zegen. Wat stemt het dan dankbaar, wanneer na afloop van de konferentie getuigd mag worden, dat die zegen van God werd ervaren.

Weloverwogen en weldoordacht was een bepaald thema voor deze 31ste zomerkonferentie gekozen:

Plaats en taak van de vrijwilliger.

Hoe treft het ons, nu wij op de konferentie terugzien, dat dit thema o.i. in elk opzicht de leidende gedachte is geweest van elke inleiding, die gehouden is. Spreeksters en sprekers hebben elkaar aangevuld op oen wijze, waarover wij blij verwonderd zijn. Sanienvattend menen wij te mogen zeggen, dat de Zomerkonferentie 1958 gekarakteriseerd kan worden als: één. oproep tot diakonale opbouw van de gemeente.

Dankbaarheid en lofprijzing.

Het openingswoord van voorzitter A. J. Rotteveel zette het begin van de konferentie in het teken van de dankbaarheid en de lofprijzing. Persoonlijke dankbaarheid werd door de heer Rotteveel geuit voor het feit, dat het hem gegeven werd na zeven maanden uitgeschakeld te zijn geweest en in die tijd twee ernstige hoofdoperaties te hebben ondergaan, deze konferentie als voorzitter van onze Federatie te mogen leiden. Ps. 68 : 10 was het lied van de lofprijzing, waarmede de konferentie werd geopend en waar alle aanwezigen mee instemden. Voorgelezen werd Matth. 9 : 35–38,• het Bijbelgedeelte waar boven staat „De aard van Jezus’ werk” en waarin de discipelen worden opgewekt de Heer van de oogst te bidden, dat Hij arbeiders in zijn oogst uitzende. Hier klonk reeds het praeludium op het thema, dat zijn stempel op de konferentie zou zetten.

De heer Rotteveel gewaagde in zijn openingswoord ervan, dat de belangstelling voor de kerk en haar werk aan het afnemen is en zag als oorzaken daarvan: te weinig zorg voor de personen, te weinig ambtsdragers en in de gemeente te weinig gemeenschap. De lichtzijde van deze noodtoestand is, dat wij erdoor gedrongen worden zoveel mogelijk vrijwilligers te werven.

Referaat van Ds. K. O. Finkensieper.

Kan het woord vrijwilliger in zijn algemeenheid in het maatschappelijk bestel gebruikt worden, in de kerk en in de gemeente is dit onjuist en onbruikbaar. Hier kan geen sprake van vrijwilligheid zijn. Vrijwilligheid veronderstelt, dat iemand vrijheid heeft iets al of niet te doen. Zo ligt het niet in de kerk. Binnen de gemeente van Jezus Christus is ieder geroepen tot de dienst aan de naaste, tot de diakonia. Het niet voldoen aan deze roeping is ongehoorzaamheid.

Reeds eerder had Ds. Finkensieper in een artikel in „Diakonia” erop gewezen, dat het woord vrijwilliger in de kerk niet kan en mag worden gebruikt. In zijn toespraak op de konferentie legde hij hier nog eens volle nadruk op. Zijn onderwerp was:

De gemeente in al haar leden geroepen …

Met intense aandacht en bij de ontwikkeling van de gedachten met stijgende spanning werd dit woord gevolgd. Van menig konferentieganger werd hier een behoorlijk stuk denkarbeid gevraagd. Indien al de gedachtengang van Ds. Finkensieper niet door iedereen gevolgd is kunnen worden, niet één van de aanwezigen heeft niet gevoeld, dat hetgeen hij betoogde van centraal belang was voor de gemeente en haar diakonaat, voor ons diakenen en die met ons in de arbeid staan in het bijzonder.

Het oerbeeld.

Raadplegen wij onze aantekeningen dan brengen deze ons in herinnering, hoe Ds. Finkensieper ons een zeer persoonlijke vraag stelde:

„Wanneer u nadenkt over uw werk, over uw leven, vraagt u dan werkelijk om licht van de Bijbel? Het is de moeite waard bij de Bijbel aan te kloppen.” Onze aandacht werd erop gevestigd, dat erin de Bijbel „oerbeelden” zijn, vóór-beeldig voor alle tijden, voor verschillende generaties en in verschillende omstandigheden. Zulk een oerbeeld was voor de kerkvader Augustinus de Civitas Deï, de Stad Gods; voor Franciscus van Assisië de armoede, voor Luther de rechtvaardiging uit het geloof. Een oerbeeld van vóór-beeldig gebeuren is in de Bijbel bijzonder het zitten aan de maaltijd en het ertoe uitgenodigd worden. Denken wij o.a. aan de spijziging van de vijfduizend door de Heer. En vooral aan de instelling van het Heilig Avondmaal als spiegeling van het feestmaal van Gods toekomst.

De gemeente heeft voorrang.

Het diakonaat is begonnen een eigen gestalte te krijgen aan de tafel des Heren. Toen de apostelen bang waren, dat het apostolaat en het pastoraat onder de tafel zouden geraken (letterlijk, men leze Hand. 6 erop na) werden er diakenen aangesteld. De dienst van de gemeente heeft behoefte gehad aan de diaken, maar de dienst wàs er in de gemeente. Het Bijbels oerbeeld van de maaltijd is van geweldige waarde als wij bedenken, wat één geregelde maaltijd per dag betekent voor tweederde van de wereldbevolking, die nooit meer dan één maaltijd per dag kent. De oerchristelijke gemeente vierde het liefdemaal, de agape, en het Heilig Avondmaal, de eucharistie, en beleefde dit dagelijks samenzijn in het verbonden zijn met de Heer, die komt, als een feestmaal. Die wat hadden brachten mee wat zij missen konden. Die niets hadden brachten hun honger mee en wijsheid van het lijden.

De gemeenteleden bedreven de diakonia aan elkaar, zo zeide Ds. Finkensieper. Maar zij brachten ook buitenstaanders mee. Dat alles goed en met orde zou gaan, daarvoor werd de diaken aangesteld.

De dienst der gemeente is een dienst aan eigen leden en aan de wereld.

Ordinantie voor het diakonaat.

De aandacht van ons, diakenen, is, wij zouden zeggen uiteraard, meestal gericht op de inhoud van het 2e lid van artikel 1 van Ordinantie 15 van onze Kerkorde en minder bij het 1ste lid. Het 2e lid van art. 1 bevat de taakomschrijving van het diakonaat, maar het 1ste lid van ditzelfde artikel bepaalt de geméénte bij haar róeping tot de dienst der barmhartigheid: „De gemeente in al haar leden geroepen …”

Bij dit gedeelte van zijn toespraak is door Ds. Finkensieper bijzonder het akcent gelegd op het feit, dat er nù sterke aandacht aan art. 2 geschonken moet worden en zo op de taak van de diaken om door zijn voorbeeld, voorlichting en leiding de gemeenteleden hun roeping recht te doen verstaan (art. 2, 1ste en 2e lid van Ord. 15). Dit geschiedde met zulk een nadruk en zo klemmend, dat in het vervolg van de konferentie daarop, telkenmale werd teruggegrepen, waardoor heel sterk de 173 boodschap van deze zomerkonferentie is geworden: diaken, zie uw taak in de diakonale opbouw van de gemeente! Het ligt ook voor uw verantwoording de gemeente geméénte te doen zijn. In de kerk is geen plaats voor de vrijwilliger. Allen zijn dienstknechten van Jezus Christus. Het gaat om geloofsgehoorzaamheid. De roeping houdt in een vrolijk moeten, maar geen vrijwilligheid.

Uitvoerige diskussie.

Ter behandeling in gespreksgroepen waren er enige vragen in verband met het onderwerp geformuleerd. De deelnemers aan de konferentie willen we nogeens het dringend verzoek van de heer Diesbergen in herinnering brengen hem antwoorden op de gestelde vragen toch vooral alsnog te doen toekomen.

Het referaat en de vragen daarover gaven dermate stof tot bespreking, dat de twaalf diskussiegroepen in tijdnood kwamen en de belangrijke vraag over „diakonie en maatschappelijk werk”, waarover naar wij menen Ds. Finkensieper een eigen visie heeft (de diaken is betrokken met de gemeente op het Koninkrijk Gods — het maatschappelijk werk op de aanpassing aan de vormen van déze wereld) niet of bijna niet in behandeling kwam. Over enkele „lossere opmerkingen” zouden wij ook nadere bespreking erg gewenst gevonden hebben met name hetgeen Ds. Finkensieper zei over het artikel van Dr. H. Berkhof „De roeping der Kerk om te getuigen en te dienen” (zie „Diakonia” meinummer 1958). Wij moeten hier even het advies inlassen dit artikel van Dr. Berkhof te lezen en te hèrlezen, te bestuderen! Laten wij onze predikanten vragen bij ons, diakenen, aan de tafel te komen zitten en het met ons voorlichtend en toelichtend te bespreken.

Maaltijd en film.

Neen, wij bedoelen niet chronologisch te gaan mededelen, dat we na de middagbesprekingen de maaltijd kregen (als altijd uitstekend verzorgd) en dat er daarna een filmvoorstelling werd gegeven. Het gaat ons om iets anders, iets dat ons zeer heeft getroffen.

Ds. Geels, die een belangrijk aandeel in de voorbereidende werkzaamheden heeft gehad, deelde mede, dat er een voorfilm gegeven zou worden eer de aangekondigde film „De vallende ster” vertoond zou worden. Deze voorfilm was nog maar enkele dagen in ons land. Onze konferentie mocht er de première van beleven. De film zou een beeld geven van de arbeid van de Wereldraad van Kerken onder vluchtelingen uit Hongarije, het Midden-Oosten, Korea en Hongkong, maar hoe de film eigenlijk was, daarover kon Ds. Geels niets meedelen.

En nu komt het opmerkenswaardige: deze film is één illustratie geweest van het woord door Ds. Finkensieper gesproken over het Bijbels oerbeeld van de maaltijd „een beeld van geweldige waarde als wij aan de betekenis denken van één geregelde maaltijd per dag voor tweederde deel van de wereldbevolking, dat niet eens altijd één maaltijd per dag kent”.

Beeld na beeld zagen wij op het doek de ellende van de Hongaarse vluchtelingen, van de mensen in Hongkong en het Midden-Oosten en onder hen veel kinderen uitgehongerd en ziek. In naam van Christus werden zij gespijzigd en verzorgd. In stille aandacht lieten wij de beelden op ons inwerken, zo nu en dan het Engels woord, dat toelichting gaf, opvangend en begrijpend met name de woorden van Matth. 25 : 35 v.v.: „want Ik heb honger geleden en gij hebt Mij te eten gegeven …”

Wij, volken van het Westen, levend in overvloed! Zij, volkeren van het Oosten, levend in zulk een gebrek! Dat wij toch onze verantwoordelijkheid zullen verstaan ten opzichte van de internationale hulpverlening. Hoe is het mogelijk, dat er gemeenten en diakonieën zijn, die de oproep van de Sektie Internationale Hulpverlening van de A.D.R. om één kollecte af te staan voor hongerende volken niet hebben beantwoord. Maar, er zijn en komen nieuwe gelegenheden, o.a. ook weer in februari 1959. Inmiddels moge deze film over het praktische werk van de Wereldraad van Kerken in vele gemeenten van ons land in de a.s. winter worden vertoond. Een goede keuze bleek te zijn geweest de konferentiegangers de film te laten zien „De vallende ster” van de duitse regisseur Harald Braun van wie eerder bekend is de film „Die Nachtwache”.

Ds. Ponsteen, die de volgende dag in de morgenwijding voorging, maakte de opmerking: de naam Christus werd in deze film niet genoemd, maar Zijn gelaatstrekken waren telkens zichtbaar.

Avondsluiting en morgenwijding.

In ons tweedaags verblijf op „Woudschoten” viel een dagsluiting en een morgenwijding. Het samenzijn in de kapel van het konferentie-oord geeft steeds goede ogenblikken. Dan is dáár het vragen om licht van de Bijbel bij het nadenken over ons werk en ons leven.

Weet u wat ook goede ogenblikken zijn? Het persoonlijk gesprek van twee vrienden, elkaar op de konferentie ontmoetend, samen staande in de moeiten en zorgen van eigen leven en dan dankbaar getuigend van de zegen, die God daarin juist schenkt en van de kracht tot dragen, die er iedere nieuwe dag weer is. Zouden wij als diaken de zorgen van anderen zó kunnen verstaan, als wijzelf deze ervaringen niet kenden ?

De Hervormde Vrouwendienst.

Het is een verschil, dat wel even opvalt als je inplaats van ’s morgens achter je lessenaar te gaan zitten je op de konferentie schikt om te gaan luisteren naar het onderwerp, dat dan aan de orde is gesteld. Dat was:

„Ook de vrouwelijke gemeenteleden…”

Dit onderwerp werd ingeleid door Mejuffrouw Dr. W. Timmermans, landelijk sekretaresse van de Hervormde Vrouwen Dienst.

Naar Mejuffrouw Timmermans is te luisteren! Dat zal ieder, die haar heeft gehoord, gaarne beamen. En weer mogen wij erop wijzen hoe op deze tweede dag van de konferentie de lijn werd doorgetrokken, de oproep tot opbouw van de gemeente. Met Mevrouw K. Beversluis-v. d. Burg, presidente van de H.V.D. heeft mejuffrouw Timmermans de gehele konferentie bijgewoond en zij beluisterde dan ook de toespraak van Ds. Finkensieper. Ook Mejuffrouw Timmermans greep terug op oerbeelden uit de Bijbel en haar rede sloot zó bijzonder aan bij die van Ds. Finkensieper, dat de spreekster even de opmerking moest maken, dat er tussen hem en haar toch geen direct, voorafgaand overleg was geweest.

Mejuffrouw Timmermans maakte de opmerking, dat voor haar en voor de H.V.D. een geliefkoosd beeld uit de Bijbel is de rank aan de wijnstok, beeld van de persoonlijke verhouding tot God. Het gaat echter niet om het éne rankje, zodat we de plant uit het oog verliezen. Het gaat om de plant als geheel met àl de takken, die sámen vrucht dragen. „Hoe intens hebben wij het gebed nodig om ons ten dienste van de Heilige Geest te stellen.” Het gaat om het realiseren van de gemeenschap. Willen wij weten, wat gemeenschap betekent, laat ons dan kijken naar de gemeente. Het oerbeeld mag weer levend worden. Als de gemeente echt gemeenschap zal zijn, behoren ook de vrouwen daarbij. Het gaat om het geheel van het kerkewerk, om het sámen kerk- om het Sámen gemeente zijn.

Heel het betoog van Mejuffrouw Timmermans was één oproep tot opbouw van de gemeente om sámen, man èn vrouw, als levende stenen samengevoegd te worden tot een levende tempel in de Heer, een ander Bijbels oerbeeld.

Stemmen uit de praktijk.

Dat war en de stemmen van een maatschappelijk werkster en van een voorzitter van een kollege van diakenen.

Over het onderwerp: „De vrijwillige kracht aan het werk”, sprak Mejuffrouw

G. Kloosterman, provinciaal maatschappelijk werkadviseuze van de Provinciale Dia-konale Kommissie in Zeeland. Liggen er zóveel mogelijkheden om leden van de gemeente bij de dienst der barmhartigheid te betrekken en hen hun roeping te doen verstaan? Zo hebben wij ons afgevraagd onder het luisteren naar Mejuffrouw Kloosterman.

Gaf deze in haar lezing min of meer een schema van werkzaamheden, de heer

H. H. Th. Stienstra, voorzitter van de diakonie van de Hervormde Gemeente Ede liet uit een rijke diakonale ervaring praktische voorbeelden spreken. Beiden, Mejuffrouw Kloosterman en de heer Stienstra, hadden de aandacht van de vergadering. Maar het wil ons voorkomen, dat wanneer hier tussen maatschappelijk werkster en diaken voorafgaand overleg was mogelijk geweest, het woord van de een was onderstreept met voorbeelden van de ander en omgekeerd en het onderwerp indringender behandeld had kunnen worden. Ook zou hier b.v. een zogenaamd rollenspel heel instruktief zijn geweest?

Van het woord van de heer Stienstra is ons in de gedachten gebleven zijn vraag: waar ervaren wij in de gemeente de gemeenschap der heiligen? Het is een vraag, die onderstreept wat eerder op de konferentie werd gesproken door Mejuffrouw Timmermans en Ds. Finkensieper over de noodzakelijkheid van de diakonale opbouw van de gemeente, opdat de gemeenschap der heiligen ervaren, méér ervaren, kan worden. Was niet het kenmerk van de eerste christengemeente, het oerbeeld vóór-beeldig voor ons, dat zij te zamen aten met verheuging des harten, volhardende in de gebeden en in de breking des broods ?

Ontmoeting en opdracht.

Wij zijn met het thema, dat de konferentie tot onderwerp had „Plaats en taak van de vrijwilliger”, niet klaar gekomen. Tot het vastleggen van een resultaat van de besprekingen is het niet gekomen. Bij ieder die de konferentie bijwoonde zal echter de gedachte heel sterk leven: hier móet meer op volgen. Het was onze algemeen- sekretaris, de heer Diesbergen, die het bij herhaling uitsprak: mensen, hier móet wat uit voortkomen en hij deed de toezegging, dat het Federatiebestuur ernstig zou overwegen op welke wijze dit zou kunnen geschieden.

Wij waren te zamen op „Woudschoten” met 175 deelnemers, vertegenwoordigende 78 diakonieën en diakonale instanties. Allen zijn wij opnieuw gesteld voor onze ver-antwoordelijkheid. Een woord, dat wij eens hoorden of ergens lazen, komt ons ook nu weer in de gedachte: iedere ontmoeting met God houdt een opdracht in.

We hebben op de konferentie te zamen gebeden en naar Zijn woord geluisterd. Toen is er de ontmoeting geweest en was er tegelijk de opdracht. Gezien in dit licht, wat is het dan weer opmerkelijk, dat de heer Rotteveel bij de sluiting van de konferentie onze aandacht bepaalde bij Matth. 28 : 16–20, het Zendingsbevel.

Hebben wij de opdracht aanvaard, de opdracht tot diakonale opbouw van de gemeente ?

De oproep daartoe is op deze 31ste Zomerkonferentie van onze Federatie heel duidelijk tot ons gekomen.


A. HOFMAN

Velen met ons zullen met ontroering het bericht vernomen hebben van het plotseling overlijden van de directeur-secretaris der Stichting Raad voor Gereformeerde Sociale Arbeid, de heer A. Hofman.

Met hem is aan de Gereformeerde Kerken, met name aan haar diakonaat, een gewaardeerde en bekwame medewerker ontvallen, die zich met de volle inzet van zijn persoonlijkheid aan dit werk gaf.

Wij hebben de heer Hofman jarenlang gekend en hem ontmoet in talrijke samenkomsten op kerkelijk en meer algemeen terrein. Er waren vele bindingen met het Hervormde diakonaat, die hun hoogtepunt bereikten in gemeenschappelijke arbeid tijdens de jaren der bezetting maar ook daarna op allerlei gebied gehandhaafd bleven. En zo is een leegte ontstaan, die ook wij sterk zullen gevoelen.

De vreugden, evenals de zorgen van het diakonaat van beide kerken zijn voor een groot deel dezelfde.

Wij verheugden ons over de bredere visie op het werk, over de nieuwe wegen, die de laatste jaren zijn ingeslagen. Maar bij onderkenning van wanbegrip en misverstand bij diakenen, andere ambtsdragers en gemeenteleden, werd het ons soms bang te moede. Ook bij bezinning in eigen kring op de vraag of wij altijd nieuw werk ter hand namen, omdat dit ontwijfelbaar tot onze taak behoort of omdat het ons door anderen wordt opgedrongen.

In het Juninummer van het Diakonaal Correspondentieblad is nog opgenomen een artikel — wellicht het laatste — van de hand van de heer Hofman over moeilijkheden inzake hulpverlening tussen gemeentelijke sociale diensten en diakonieën enerzijds en tussen laatstgenoemde en de „meerdere” vergaderingen der kerk anderzijds. Deze bijdrage draagt tot opschrift: „Moet het nu zo?” en al lezende kwam de gedachte bij ons op, dat dit stuk even goed geschreven had kunnen zijn voor onze Hervormde diakenen.

Wij zullen geen opsomming geven van de vele functies welke de heer Hofman bekleed heeft, het zij voldoende te vermelden dat hij, namens de Gereformeerde Kerken, het diakonaat op waardige wijze heeft vertegenwoordigd. Daarom zal in de geschiedenis van het diakonaat zijn naam nog dikwijls met liefde en eerbied worden genoemd.

Ook zal zijn naam, om zijns werks wille, in vele harten, in het bijzonder van misdeelden, verdrevenen en verdrukten, geschreven staan.

Maar het schoonste is, dat zijn naam, naar wij mogen geloven, geschreven staat in het boek des levens van het Lam.

In dat licht gezien is er bij dit heengaan, naast verdriet, ook plaats voor dankbaarheid. Al treuren de harten, het geloof juicht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.