+ Meer informatie

Een voorbeeldige vertedering bij het doorgaan van een zo veel betekenende nacht

JAARWISSELING

9 minuten leestijd

Ik ben geringer dan al deze weldadigheden, en dan al deze trouw, die Gij aan Uw knecht gedaan hebt. Genesis 32 : 10a

Slechts een enkele dag rest ons en wij zullen, zo de Heere ons spaart, weer een jaarwis\seling doormaken. Een jaar van veel betekenis, van lief en leed, van vreugde en smart, zal dan worden 'beëindigd, en een nieuw jaar zullen wij dan weer ingaan, waarvan wij in liet minst niet weten wat dit ons brengen zal.

Zeer idomkere tijden zijn het, waarin wij leven, vanwege onze zonden en ongerecihtigiheden, en waarin de sprake van Ck»ds heUiig ongenoegen over de verOieffiag van de mens in zijn eigen gekozen wegen, aJl verder van God af, over heel de wereld zowel als over ons volk al duidelijker merkbaar is, en wat zal ©ns in het nieuwe jaar nog te wachten staan?

Hoe gelukkig Is het, bij het voortdraven op onze weg eens stil te worden gezet en gedrongen te worden terug te zien op wat al zo plaats greep in het afgelopen jaar, en op te zien tot de Heere, in Wiens hand ons lot en ons leven is, en van Wie wij in alles toch zo afhankelijk zijn, en daarbij in te zien wie wij daarbij geweest zijn en behoorden te zijn. Wanneer wij bij alle vrees, die ons zo beklemmen kan bij het overdenken wat mogelijk plaats grijpen zal in het komende jaar, in ware vertedering des harten voor God mogen bukken in liet stof en het buiten Hem niet stellen kunnen.

Zie, daar had Jakob iets van In de bange omstandiigheden van zijn leven, die hij doorgaan moest en waarbij hij zeer vreesde voor hetgeen, dat mogelijk komen zou. Voort moest hij, en toch kon hij niet; ja, allerlei smart en mogelijk zelfs de dood stond hem en de zijnen vlak voor ogen.

Temidden van de grote nood, waarin hij door de komst van Ezau met vierhonderd gewapende mannen verkeerde, en waartegen hij Immers met al zijn kracht nooit op kon, wordt het hem echter vergund eens terug te blikken in zijn veelbewogen leven, waarin al zo veel had plaats gegrepen. Daarbij te mogen opmerken wie de Heere alle tijden door voor hem geweest was, terwijl hij daartoe toch niet de minste redenen in zichzelf bezat.

In al zijn vrees en benauwdheden is er bij hem dan ook geen opstand of murmurering tegen de Heere, doch daar 'tegenover wel een bukken in het stof der verootmnoediglng voor God. Hoe kwam hij daarbij in zijn onwaardigheid terecht. Hoor maar zijn uitroep: „Ik ben geringer dan al deze weldadigheid en dan al deze trouw, die Gij aan Uw knecht gedaan hebt". Hoe groot waren immers de trouw en weldadigheid des Heeren in Jakobs leven, doch hoe groot zijn deze ook in ieders leven, wanneer het oog en hart daarvoor maar geopend worden bij de overdenking van al hetgeen achter ons ligt, hetzij in de weg van algemene, of in die van bijzondere genade Gods,

Wanneer Mozes deze overdenkt, roept hij uit: „Heere, Gij zijt ons geweest een toevlucht van geslacht tot geslacht". Psalm 90 : 1. En David moet zeggen: „Wie ben ik, Heere, en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht 'hebt? " 2 Sam. 7 : 18.

Jakob wist heel goed, dat hij in zichzelf geen redenen had, dat de Heere hem zo beweldadigd had.

Hoe menigmaal was alles op zijn ondergang aangelegd, doch telkens had de Heere hem wonderlijk bewaard en verlost,  uit al zijn benauwdheden, en in Zijn grote goedgunstigheid en genade tem'idden van alle smarten doen delen. Wanneer hij slechts dadht hoe de Heere hem hewaatfde toen hij vluchten moest voor Ezau, die hem wilde doden. Aan Bethel, hoe de Heere Zich ais zijn getrouwe Verbondsgod aan hem openbaarde en de venbondsbelofte in soeverein ontfermen hem schonk.

Hoe de Heere hem in al zijn wederwaardigheden en smarten zegende hij Laban, ondanks alle tegenstand, ja met een engelenbescherming rondom zijn leger te Mahanaim betoonde hem te willen beveiligen m alle nood en smart, terwijl hij daartoe niets immers in zichzelf vinden kon. Hoe groot werden toen al die weldadigheden des Heeren, en welk een waarde kreeg toen de Heere steeds meer bij Jakob, in Zijn onverdiende trouw en soevereine weldadigheid.

Hoe gelukkig is het wanneer wij Godskennis en zelfkennis mogen krijgen, en inleven wie de Heere voor zulke alles verbeurd hebbende schepselen wil zijn.

Hoe klein in ware verootmoediging maakt ons dat voor God. Deed dit Asaf niet uitroepen, dat hij onvernuftig was en niets wist, ja, „ik was een groot beest bij U"? Onzerzijds zijn immers alle weldaden des Heeren verbeurd, krachtens onze hondsbreuk in Adam. Hoevele redenen geven wij daarbij nog door onze dagelijkse afmakingen, dat de Heere in allerlei smarten en ellenden ons zou overgeven en doen vergaan.

Hoe gelukkig (is het daarom dit in waarheid in verootmoediging voor de Heere in te leven en te bekennen, en niet te kunnen rusten voordat wij de verzoening van onze zonden door het dierbaar bloed des Lams ervaren mogen. Hoe moest Jakob anderzijds ook leren, dat hij met de weleer verkregen weldaden, hoe groot die ook waren, uit de smart en benauwdheden, waarin hij zich bevond, zichzelf niet redden kon. Dat het zo noodzakelijk was, dat de Heere er telkens weer opnieuw aan te pas moest komen en betonen hem in al zijn nood te kennen, en in soevereine ontfermingen Zijn gedurige tehulpkoming en verlossing te doen ervaren. Dat nu deed hem zich aan de Heere vastklemmen en met erkenning van Zijn weldadigheden Zijn verlossing benodigen. Wat zijn dezulken echter gelukkig. Want al moest Jakob straks nog een bange doch profijtelijke les aan de Jabbok doormaken, nooit zullen dezulken, die het buiten de Heere niet kunnen stellen, worden beschaamd. Zegt de dichter ter bemoediging van dezulken niet:

Hij is, al treft u 't felst verdriet,
uw Wachter, Die uw voet
voor wankelen behoedt.

En elders:

Hij is nabij de ziel, die tot Hem zucht;
Hij troost het hart, dat schreiend tot Hem vlucht;
dat ongeveinsd, in 't midden der ellenden,
zich naar Gods troon met zijn gebeên blijft wenden.

Zulken mogen met Jakob ervaren, dat Hij wel beproeft, doch niet beschaamt, en de uitkomst, hoe onmogelijk het aan hun zijde ook is, zekerlijk schenken zal.

Hoe profijtelijk is het voor ons daar iets van te ervaren met de wisseling des jaars. Welk een sprake gaat hiervan tot ons allen immers uit. Een jaar is bijna weer ten einde en predikt ons dat er eens, en wie weet hoe spoedig, een tijd zal komen, dat er geen tijd meer zijn zal; dat de eeuwigheld met een eeuwig wel of eeuwig wee voor ons aanbreken zal.

Hoe vele roepstemmen zijn In het afgelopen jaar tot ons gekomen. Hoe velen zijn er, die met ons het jaar wel begonnen, doch niet hebben beëindigd. Hoe velen zijn er in diepe rouw en smart gedompeld over de liefste panden, die ze moesten overgeven door de dood, terwijl wij er nog mogen zijn.

Hoe menigeen heeft het jaar doorgebracht In druk en smart. Hoe velen zijn in omstandigheden gebracht, die ze tevoren zich nooit konden indenken die te doormaken, terwijl anderen In allerlei andere tegenspoeden hun dagen zagen voorbijgaan.

In het jaaroverzicht kimt ge ook bemerken hoe vele achtbare ambtsdragers de gemeenten en hun geliefden ontvielen.

In het bijzonder denken wij aan onze onvergetelijke vriend en broeder Ds. M. Blok, die na een betrekkelijk langdurige ziekte, in het vroege voorjaar van dit jaar nog betrekkelijk onverwacht ons en al zijn geliefden ontviel terwijl hij nog slechts 51 jaar oud was, daar de Heere hem toen reeds in Zijn heerlljkheld opnam. Hoe droevig is het in ons vaderland, ja zelfs In heel de wereld gesteld. Hoe weinig is er nodig, of alles zal in zulk een brand ontvlammen, zó zelfs, dat men mag zeggen: wie zal die brand ooit kunnen blussen? Wat zal er dan nog overblijven?

Het ergste is daarbij, dat er ondanks de ernst der tijden een algemeen voorthollen is op eigen gekozen wegen, die niet anders zijn dan wegen des verderfs.

Hoe verscheurd ligt Nêerlands kerk, waarbij ieder loopt voor eigen huls en eer. Waar vinden wij nog dat zoeken van het wezenlijk heil van Sion, met verloochening van zichzelf, en het beogen daarbij boven alles van de eer Gods? Hoe groot worden echter daarbij de weldadigheid en trouw des Heeren, nog in zo veel ons geschonken, te meer wanneer wij deze bemerken ook in het afgelopen jaar tegenover zoveel zonden en schuld.

De Heere wilde immers door dat alles ons, nog toeroepen, dat Hij nog geen lust had In onze dood, doch daarin, dat wij ons zouden bekeren en leven. Hoe arbeidde de Heere aan ons ook in het bijzonder van zondag tot zondag door Zijn Woord.

Hoe vele weldaden schonk Hij om nog, zo persoonlijk als huiselijk, maatschappelijk als kerkelijk. Ondanks alle smarten, ook door het verliezen van dierbare panden en het doorma=ken van allerlei tegenheden, spaarde Hij nog en wilde Hij Zijn goedgunstigheden temidden daarvan ons niet geheel onthouden.

Hoe profijtelijk zou het daarom zijn wanneer wij bij de wisseling des jaars het bulten de Heere niet konden stellen, en wij zoeken zouden met Jakob ons aan Hem te mogen vastklemmen, en zonder Zijn genade en verzoenende ontferming het nieuwe jaar niet durfden Ingaan. Dat Hij in soevereine ontfermingen ons betonen zou ook onze God te willen zijn. Die in Zijn genade, die in Christus is, ons voor Zijn rekening naar ziel en lichaam wilde nemen.

Voor Gods volk, dat hiervan geen vreemdeling is, 'kan de jaarwisseling wel eens bemoedigend zijn. Eens zal Immers voor dezulken de tijd aanbreken, dat ze van alle zanden, vrees en smart, ja van alle vijanden en ook van zichzelf verlost, de strijd voor altijd zullen te boven zijn, om dan üi de gemeenschap van hun Heere en Koning, Borg en Zaligmaker, Die ze gekocht heeft met Zijn dierhaar bloed, eeuwig te verkeren, om God drieënig dan volmaakt toe te brengen alle eer, lof, aanbidding en dankzegging tot In alle eeuwigheid.

Rotterdam-W

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.