+ Meer informatie

Ouderlingenconferentie

11 minuten leestijd

Mannen broeders,

De maand October spoedt ten einde en der gewoonte getrouw zijn wij op één der laatste dagen van deze maand weer samengekomen.

Namens het comité dat deze dagen voorbereidt, heet ik U allen hartelijk welkom op onze jaarlijkse conferentie, die wij, dank zij de medewerking van de kerkeraad van Amersfoort, ook nu weer in deze, voor ons zo vertrouwde omgeving kunnen houden.

Enkele jaren geleden heb ik U er op gewezen, dat dit conferentie-werk in 1929 een aanvang nam.

Het is bijzonder jammer dat ons van die begintijd zo weinig gegevens ter beschikking staan.

Mocht er onder ons iemand zijn, die daar wel over beschikt, dan zullen wij dat graag vernemen.

De Handelingen vanaf het jaar 1948 doorbladerend, viel het mij opnieuw op, dat in de loop der jaren toch wel aan een groot aantal facetten van ons ambtelijk werk aandacht is geschonken.

Wat een werk is er besteed aan al die onderwerpen, door verschillende referenten en wat een leerzame besprekingen zijn daar vaak het gevolg van geweest. Dit alles heeft mogen meewerken aan de toerusting van ambtsdragers en naar wij mogen geloven ook aan een betere waardering van de ambten.

Veel voorlichting en ook studie-materiaal is daarbij verstrekt door middel van Diaconaal- en later Ambtelijk Contact. De 12e jaargang van A.C. loopt nu bijna ten einde en we mogen dankbaar constateren, dat ons maandblad de belangstelling heeft van een groot aantal ambtsdragers in onze kerken, alsook van belangstellende lezers/abonnees daar buiten. Onze eind-redacteur, prof. dr. W. H. Velema en de redactieraad zijn we veel dank verschuldigd voor het geregeld doen verschijnen van ons blad. dat naar vorm en inhoud met ere een plaats inneemt onder de kerkelijke periodieken. Niet minder danken wij de vele medewerkers, die steeds weer zorgen voor een verscheidenheid van artikelen.

Eén van de opmerkelijke verschijnselen op onze conferenties is, dat altijd weer uit zoveel verschillende plaatsen de broeders samenkomen. Dat er nog steeds kerkeraden zijn die niet de minste belangstelling tonen en zelfs geen abonnement hebben op Ambtelijk Contact betreurt het comité natuurlijk zeer.

Zij die regelmatig de conferenties bezoeken weten, dat ernstige meningsverschillen zich nog nimmer hebben voorgedaan. Wèl lokte het ene onderwerp soms meer bespreking uit dan het andere. Ik meen dan ook te mogen zeggen, dat door het conferentie-werk begrip en waardering voor eikaars opvattingen zijn toegenomen, ook al denkt men niet allemaal gelijk.

Het zal u duidelijk zijn broeders, waarom ik begonnen ben met eens even òm te zien. Via de uitnodiging is U meegedeeld, dat uw voorzitter vandaag zal aftreden. Zeventien jaar lang mocht ik deze vergaderingen leiden en ik deed dat met vreugde.

Vanaf 1947 heb ik deel mogen uitmaken van het comité, dat deze conferenties organiseert.

Duidelijk is in die jaren komen vast te staan, dat er in onze kerken plaats is voor dit werk en ik hoop van harte, dat de belangstelling hiervoor nog zal toenemen.

’t Zal niet altijd even gemakkelijk zijn om tijd vrij te maken. Er is zoveel dat de aandacht vraagt. Denk slechts aan de vele zaterdagse samenkomsten van de laatste weken. Maar niettemin heb ik het volste vertrouwen, dat zowel de ouderlingen- als de diakenenconferentie de belangstelling der ambtsdragers zal blijven behouden.

In dit verband wil ik, hoewel begrip hebbend voor de goede bedoelingen, toch wel waarschuwen voor een te ver doorgevoerde splitsing of specialisering het werk der ouderlingen betreffende.

Ik zeg dit niet uit angst voor concurrentie, al zou het natuurlijk jammer zijn wanneer de ene conferentie in verschillende delen uiteen zou vallen.

Maar het komt mij voor, dat wij dáár juist voor moeten oppassen want het gevaar is m.i. niet denkbeeldig dat we, door het aanstellen van ouderlingen voor bepaalde taken, specialisten dus, het ambt van ouderling gaan „uithollen”.

’t Zal U duidelijk zijn, dat ik met grote belangstelling het werk volg van o.a. het deputaatschap voor „Contact met de kerkjeugd” en daarom ook de laatstgehouden conferentie voor jeugdouderlingen bezocht. Een conferentie waar naar mijn gedachten U allemaal bij had kunnen zijn, daar deze zich in vrijwel niets onderscheidde van de vergaderingen zoals wij die steeds houden. Vanwege het niet zo grote aantal aanwezigen was het mogelijk in gespreksgroepen het onderwerp te bespreken en dàt is natuurlijk wel aan te bevelen.

Wat mij in een gesprek met enkele broeders echter opviel was, dat zij, weliswaar speciaal aandacht schonken aan de jeugd van hun gemeente, maar dat zij toch niet graag hun „gewone wijkwerk” zouden willen missen. Ik stel mij voor dat b.v. evangelisatie- of bejaarden-ouderlingen hetzelfde zouden kunnen zeggen. Immers de roeping tot en de bevestiging in het ambt is voor allen gelijk en we dienen er, dacht ik. voor te waken, dat er ouderlingen komen, die geen belangstelling voor de jeugd tonen vanwege het feit, dat zij geen jeugdouderling zijn of zich daar achter verschuilen. Ook niet dat men zich van het evangelisatie-werk distantieert omdat er een evangelisatie-ouderling is.

Natuurlijk zal ons comité zich moeten wachten voor eenzijdigheid bij het kiezen van onderwerpen, maar daar zijn gelukkig nog nooit klachten over gekomen. Hetzelfde geldt ook voor de inhoud van Ambtelijk Contact.

Geen klachten, maar óók geen suggesties en voor de laatste staan we ook graag open.

Brs., we hebben ons ambtswerk te verrichten in een spannende en ook boeiende tijd.

Ongetwijfeld zullen velen van U mij gelijk geven, als ik zeg, dat het vrijwel onmogelijk is om, naast het normale dagelijkse werk, dat ons soms geheel opeist (lees hierover nog maar eens het artikel van br. A. L. de Bruijne in „de Wekker” van 14 sept.) de ambtelijke arbeid in de gemeente zo goed en getrouw mogelijk te verrichten. Laat staan, dat er dan nog gelegenheid is om kennis te nemen van alles wat zich op het terrein van kerk en theologie aan ons voor doet en dat temeer naarmate meningen of meningsverschillen toenemen. Ik ga daar nu niet nader op in, maar wil U wel aanraden nog eens te herlezen en waar mogelijk in gespreksgroepen te bespreken, hetgeen ds. J. H. Velema ons vorig jaar heeft gezegd, toen hij sprak over „Kerkelijke verhoudingen en perspectieven”. Me dunkt, dat dit vandaag nóg actueel is. In het bijzonder zou ik daarbij willen onderstrepen het advies om contact tussen de gereformeerde gezindte te zoeken en te bevorderen.

Over een aantal praktische punten zouden wij vandaag van gedachten kunnen wisselen want er is veel in eigen kerkelijk leven en daarbuiten, waar wij als ambtsdragers over moeten nadenken en aandacht aan moeten schenken.

Ik voel het persoonlijk altijd als een gemis, dat wij niet twee dagen samen kunnen zijn. Er zou gelegenheid moeten zijn voor meer onderling contact, gesprekken in kleinere kring, enz. Agenda’s van classes en particuliere synode zijn als regel zo vol, dat er een hele dag en dan soms ook nog een zeer lànge dag mee gemoeid is, waardoor voor persoonlijk contact tussen broeders van verschillende plaatsen geen gelegenheid is. Ook vandaag moeten wij ons beperken omdat een zeer belangrijk onderwerp onze aandacht vraagt, waarop, naar ik hoop, een ruime bespreking zal volgen.

Een enkel punt dus:

We gaan weer, zo de Here wil, een synodejaar tegemoet en er zullen hier broeders zijn, die zich daar straks op moeten voorbereiden. Om dat goed te kunnen doen, zal men moeten weten wat een vorige synode aan opdrachten heeft verstrekt en wat b.v. van deputaatschappen wordt verwacht.

’t Is daarom te hopen, dat de Acta van de vorige synode nu spoedig zullen verschijnen, zodat de afgevaardigden zich op hun taak kunnen voorbereiden.

Als ik het goed bijgehouden heb, is er over de agenda nog niet zoveel te zeggen nl. of er veel of weinig belangrijke zaken aan de orde zullen komen. Zogenaamde „grote stukken” zijn er, dacht ik, nog niet aangekondigd, doch dat kan natuurlijk nog komen.

Het samenkomen van een generale synode is een zaak die de hele kerk raakt, en zéker zullen ambtsdragers daarvoor de nodige belangstelling moeten tonen. Mag ik U vandaag reeds daartoe opwekken ?

Ik heb nl. wel eens de indruk, dat men meent (uitgezonderd bij bepaalde onderwerpen), dat die 52 afgevaardigden het maar moeten uitzoeken en oplossen, maar dan wordt vergeten, dat de agenda in feite wordt samengesteld door de plaatselijke kerken. De arbeid van een synode bestaat immers voor een groot deel in het nemen van beslissingen en/ of het zoeken van oplossingen voor zaken, waar een zgn. mindere vergadering niet toe in staat bleek te zijn.

Niet altijd blijkt eer. besluit of de redactie daarvan, bij kerkeraden of classes goed over te komen en dan worden opnieuw vragen gesteld.

Nu is het mij al meermalen opgevallen, dat adviezen vragen aan b.v. de hoogleraar in de dogmatiek of in één der andere vakken, vrijwel niet voorkomt, althans niet door kerkelijke vergaderingen, maar het advies van de hoogleraar in het kerkrecht blijkt meermalen nodig te zijn.

Kennelijk wordt deze materie voor velen dan pas belangrijk als er moeilijkheden zijn. De discussie wordt dan aan de brs. predikanten overgelaten, want die zijn immers in dit vak opgeleid ?

In hoeverre dat in de praktijk altijd merkbaar is laat ik graag in het midden, maar het is m.i. wèl zo, dat ook ouderlingen enigermate met de bepalingen, door de kerken zelf opgesteld, bekend dienen te zijn. U hebt immers mee te waken voor een geordend kerkelijk leven ?

Die bepalingen zullen we nooit mogen zien als een last en we zullen ze ook niet mogen gebruiken als het ons zo eens uitkomt.

Als kerken is men a.h.w. een overeenkomst aangegaan, dus er zijn afspraken gemaakt, en nu is het gevaar niet denkbeeldig dat, wanneer men zich om één of andere reden niet aan die bepalingen houdt, òf ze door onkunde op een verkeerde wijze uitlegt, men wellicht ongewild toch bezig is met ontbinding van het kerkverband, het kerkelijke leven dus.

In dit verband wil ik U dringend adviseren het referaat nog eens te lezen, dat prof. dr. W. v. ’t Spijker heeft gehouden op onze conferentie in 1962, nl. „Kerkrecht en Kerkregering”. U kunt dat vinden in het A.C. van december 1962 en januari 1963.

Natuurlijk is het zo, dat men de K.O. niet moet onderschatten. „Deze is toch maar door mensen opgesteld” zegt men dan, alsof het er niet op aan komt hoe men die gebruikt. Maar ik mag dan nog wel herhalen, wat prof. Van ’t Spijker in hetzelfde referaat heeft gezegd nl.: „de K.O. valt in vier delen uiteen en wel: de diensten of ambten, de samenkomsten, de leer der sacramenten en ceremoniën en de Christelijke tucht, en al deze punten wijzen er op dat het Geref. kerkrecht, onze kerkorde, geen ander doel heeft dan de leer van het H. Evangelie van onze Here Jezus Christus wèl te bewaren”.

Ook ds. J. H. Velema wijst op de waarde daarvan als hij zegt in eerder genoemd referaat: „ … de kerkelijke verhoudingen dienen beheerst en voor zover dat niet het geval is, gesaneerd te worden door Schrift, belijdenis en kerkorde …” en verder: het kerkelijke leven willen we inrichten volgens de Dordtse Kerkorde, document van Christocratie (A.C., no. 11, 1972, pag. 147). Hij herinnert daarbij (aantek. 45) aan een uitspraak van prof. J. Hovius in: Het verband tussen onze belijdenis en onze kerkorde, pag. 20, waar deze zegt: „welnu, de functie van de K.O. is in wezen niets anders dan om deze Christocratie, of wil men, deze alleenheerschappij van het Woord Gods, voor zover het aan de kerk zelve ligt, te verwerkelijken en te bewaren, te realiseren en te conserveren”.

En als iemand nu zou vragen: dreigen er zulke grote gevaren of zijn er zoveel mistoestanden, dat U vanmorgen op deze zaken zo nadrukkelijk ingaat ? dan zou ik daar niet zonder meer bevestigend op willen antwoorden.

Symptomen zijn er echter wel en bovendien ben ik er van overtuigd, dat er minder fouten zouden worden gemaakt en veel verdrietelijkheden voorkomen hadden kunnen worden wanneer men de K.O. beter had gekend en gebruikt.

Als het waar is, dat wij in een tijd leven waarin verlies van normbesef en wetteloosheid toenemen, en het is waar, dan zal de kerk zich moeten wachten daaraan niet mee te doen.

Voor een juist samenleven in eigen kerkverband alsook wanneer de verhoudingen tot andere kerken aan de orde komen, is het noodzakelijk, dat U als ouderlingen aan deze dingen goede aandacht schenkt.

Vandaag gaan wij luisteren naar, nadenken en spreken over, een zeer belangrijk onderwerp.

Hartelijk dank, ds. Ribbers, dat U zo spontaan bereid was ons vandaag te dienen en daarin (mag ik wel zeggen) ons te willen onderwijzen. Dank ook dat U ons, ter bezinning vooraf, een aantal punten wilde geven. Ik hoop, dat de brs. daarvan een goed gebruik hebben gemaakt, dat zal dan de discussie zeker ten goede komen.

Broeders, ik hoop van harte, dat wij samen een bijzonder goede dag mogen hebben.

Dat wij niet alleen opnieuw duidelijk zullen zien wat onze taak en roeping is op de plaats waar God ons heeft gesteld, maar dat wij door het samenzijn ook bemoedigd en gesterkt mogen worden.

Er is vaak veel dat teleurstelt, maar U zult ongetwijfeld ook de momenten van diepe dankbaarheid kennen dàt U dit werk mag doen en dàt de Here U in Zijn dienst wil gebruiken.

Op zulke momenten herhalen we dan graag de belofte, die we bij de bevestiging naast het ja-woord ook zingend hebben gegeven en dat we nu ook samen willen zingen uit Psalm 108 : 1 en 2:

Mijn hart o, Hemelmajesteit, is tot Uw dienst en lof bereid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.