+ Meer informatie

Besprekingen van de Heilige Oorlog

7 minuten leestijd

28

Nadat de gepretendeerde koning een einde gemaakt had aan ’t geen hij te zeggen had, stond Immanuël de gouden vorst op en sprak op de volgende wijze: „Gij bedrieger, Ik heb u iets te zeggen uit Mijns Vaders naam en uit Mijn eigen naam, met betrekking tot en ten goede van dit ongelukkige Mensziel. Ge beweert op deze beklagenswaardige stad een wettig recht te hebben, terwijl het duidelijk is in Mijns Vaders ganse hof dat gij u door de poorten hebt in-gedrongen met leugen en valsheid. Gij beliegt Mijn Vader en gij beliegt Zijn wetten en zo beliegt gij het volk van Mensziel. Gij geeft voor dat dit volk u heeft aangenomen voor zijn koning, zijn kapitein en hoge en wettige heer, doch alsmede door uw bedrog en verleiding. Zo nu leugen, boosheid, zondige arglistigheid en schrikkelijke veinzerij in Mijns Vaders hof (waar gij onderzocht zult worden) voor recht en billijk doorgaan, dan – dat wil Ik u bekenner; – hebt gij een wettige overwinning behaald. Maar helaas! wat dief, wat tiran, wat duivel is er, die op deze wijze niet winnen kan? Maar Ik kan u tonen o Diabolus, dat gij in al uw ophef van overwinning, niets met waarheid kunt zeggen. Meent ge dat dit recht is, dat gij Mensziel leugens van Mijn Vader aanpraat en Hem voorstelt als de grootste bedrieger der wereld? En wat zegt ge van dat voorbedacht misduiden van het-ware-einde en oogmerk Zijner wet? Was dat ook recht dat ge bedreef van de onnozelheid en oprechtheid van het nu zo ellendige Mensziel? Ja, gij hebt het overwonnen door de burgers geluk te beloven in hun overtreding tegen Mijns Vaders wet, hoewel gij weet en het u niet onbekend kon zijn, al zou alleen uw eigen ervaring u daarvan onderrichten, dat dit de weg was om hen ten onder te brengen.

Gij hebt ook, o meester in vijandschap. Mijns Vaders beeld in Mensziel smadelijk verbroken en het uwe in de plaats daarvan gesteld, tot grote verachting van Mijn Vader en vergroting van uw zonde, gelijk ook tot onberekenbare schade van de verloren stad Mensziel. Wederrechtelijk houdt gij haar in de duisternis van uw ongerechtigheid.

Boven dit alles (alsof deze dingen maar klein waren in uw ogen) hebt gij niet alleen deze plaats bedrogen en bedorven, maar ze ook door uw vals en leugenachtig gedrag opgezet tegen haar eigen verlossing. Hoe hebt gij haar opgehitst tegen Mijns Vaders kapiteins en ze doen strijden tegen degenen die tot haar gezonden waren om haar uit slavernij te redden? Al dit en nog veel meer deedt gij tegen licht en beter weten en met versmading van Mijn Vader en van Zijn wet, ja ook met het plan de ellendige stad Mensziel voor eeuwig onder Zijn mishagen te brengen. Ik ben derhalve gekomen om dit ongelijk Mijn Vader aangedaan te wreken en met u te doen naar al de lasteringen waarmee gij het arme Mensziel Zijn naam hebt doen lasteren. Ja, Ik wil dit, o prins van de helse poel, op uw kop doen wederkeren.

Wat Mij betreft o Diabolus! Ik ben tegen u gekomen door een wettige macht en om door de sterkte Mijner handen deze stad uit uw brandende klauwen te rukken. Want deze stad Mensziel is Mijn o Diabolus! en dat door onbetwistbaar recht gelijk allen zullen zien, die de oudste en authentieke schrijvers naarstig willen onderzoeken. Ook Ik zal Mijn recht daartoe bepleiten tot beschaming van uw aangezicht.

Want, en bedenk dit wel, deze stad heeft Mijn Vader met eigen hand gebouwd en aangelegd. Dus behoort Mensziel Mijn Vader en dat op onwederlegbare gronden, zodat ieder die de waarheid tegenspreekt, liegt tegen zijn ziel. Bovendien, o meester der leugens, is de stad Mensziel van Mij, want Ik ben Mijns Vaders erfgenaam van alles, door Wie Hij ook de wereld gemaakt heeft. „Al wat de Vader heeft is Mijn, daarom heb Ik gezegd dat Hij het uit het Mijne zal nemen en u verkondigen.” En het enige vermaak van Zijn hart.” Ik was dagelijks Zijn vermaking en te allen tijde voor Zijn aangezicht spelende. Spelende in de wereld Zijns aardrijks en Mijn vermakingen zijn met de mensenkinderen.”

Dus ben Ik tegen u opgetrokken in Mijn recht, om namelijk Mijn eigen erfenis uit uw hand te hernemen. En gelijk Ik er recht en aanspraak op heb, omdat Ik Mijns Vaders erfgenaam ben, zo komt ze Mij ook toe door Zijn gift. Ik heb Uw naam geopenbaard den mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij waren Uwe en Gij hebt Mij hen gegeven en zij hebben Uw Woord bewaard.”

Nooit ben Ik Mijn Vader wederspannig, zodat Hij ze van Mij terugnemen en u geven zou. Nooit was Ik ook gedrongen het door onmacht op te geven en Mijn lieve Mensziel aan u te verkopen. Of wie is er van Mijn schuldeisers wien ik Mijn Mensziel verkocht heb? En aan u, o Diabolus! ben Ik geen losprijs schuldig. Mijn Vader zegt: „Gijlieden zijt om niet verkocht, gij zult ook zonder geld gelost worden.” Mensziel zal geheiligd worden. De prijs die Gods recht daarvoor eiste is door Mij reeds betaald. De Heilige Geest zegt: „Want met één offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen die geheiligd worden.” Zo is Mensziel Mijn begeerte. Mijn vermaak en de begeerte Mijns harten. Maar het is ook Mijn eigendom door recht van verkrijging. Ik heb het gekocht. Ik heb het voor Mijzelf gekocht. Wijl het nu Mijns Vaders is en het Mijne, wijl Ik Zijn erfgenaam ben. En ik heb het door een grote prijs verkregen ten eigendom. Zo volgt naar alle billijkheid en wetten dat de stad Mensziel Mijn is. En dat gij, door ze in bezit te houden, u een indringer toont, een tiran en verrader.

Met betrekking tot deze verkrijging is het aldus gesteld: Mensziel had tegen Mijn Vader overtreden, hoewel Hij uitdrukkelijk had gezegd, dat de inwoners sterven zouden ten dage als zij Zijn wet verbraken. Nu is ’t zeker dat veel eer hemel en aarde voorbij gaan zullen, dan dat Mijn Vader Zijn woord breken zou. Dus toen Mensziel gezondigd had (en dat geschiedde door ’t luisteren naar uw leugen) zo trad Ik in en werd Borg bij Mijn Vader. Presenterende lichaam voor lichaam en ziel voor ziel, omdat Ik de overtreding van Mensziel vergoeden wilde en Mijn Vader aanvaardde dit aanbod. Toen Mijn tijd daartoe gesteld gekomen was gaf Ik lichaam voor lichaam, ziel voor ziel, bloed voor bloed en zo kocht Ik Mijn geliefde Mensziel. En Ik heb dit niet ten halve gedaan. Mijns Vaders wet en gerechtigheid, die beiden in het dreigement op de overtreding betrokken waren, zijn nu voldaan en tevreden dat Mensziel verlost zal worden. Ik ben ook te deze dage niet tegen u opgetogen dan op bevel van Mijn Vader. Hij heeft tot Mij gezegd: „Ga heen, verlos Mensziel! Dus zij het u bekend, o fontein van bedriegingen, en het zij ook bekend aan het dwaze Mensziel, dat Ik niet tegen u kom zonder Mijn Vader.

Het gaat van de Vader uit en dat moet de stad Mensziel duidelijk worden door Goddelijk onderwijs. Wij hebben ons uit Zijn hart, uit Zijn liefde gezondigd en zijn van nature kinderen des tooms. Het is door Gods goedertierenheid in Christus dat zondaren tot Hem getrokken worden en dat tot onderwijzing op Zijn leerschool in de weg der zaligheid. Door Hem te leren kennen bij het licht van de Heilige Geest als geschenk van de Vader, bekomt het boetvaardige hart vrijmoedigheid Hem aan te nemen en macht kinderen Gods te worden in de beleving des harten.

Nijkerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.