+ Meer informatie

Leerkracht geeft de maat aan

Commissie doet aanbevelingen voor beter muziekonderwijs

4 minuten leestijd

ZOETERMEER — Een rapport van de onderwijsinspectie kraakt harde noten over het muziekonderwijs op de basisschool. Een commissie doet aanbevelingen hoe het beter kan. Maar de man of vrouw voor de klas moet de maat aangeven. „Het is toch zo leuk om samen met je klas muziek te beleven".

Een liedje zingen lukt nog wel. Maar echt veel verder gaat de kennis over muziek van een gemiddelde leerling op de basisschool niet. Volgens een deze week gepresenteerd inspectie-onderzoek is op meer dan de helft van de Nederlandse basisscholen het muziekonderwijs beneden peil. Deze conclusie is getrokken na een inventarisatie op 79 van de 8400 basisscholen in Nederland.

Rapport

De kwaliteit van het muziekonderwijs is op 41 procent van de scholen twijfelachtig, op 15 procent onvoldoende en slechts op 3 procent van de scholen als goed te bestempelen. Volgens de inspectie komt dit door de gebrekkige aanpak. De wekelijkse muziekles beperkt zich tot het instuderen van liedjes. Stemgebruik, leren luisteren en muziek noteren, krijgen te weinig of bijna geen aandacht.

Een commissie van wijze mannen heeft in opdracht van de ministeries van onderwijs en WVC uitgezocht hoe het beter zou kunnen. Op het ministerie van onderwijs in Zoetermeer is vanmorgen het rapport van deze commissie aangeboden aan staatssecretaris Wallage van onderwijs en minister D'Ancona van WVC. Voorzitter van de club is de orgelliefhebber C. J. C. Lammers, commissaris van de Koningin in Flevoland.

De belangrijkste aanbevelingen in een notedop: • Laat scholen in kerndoelen weten wat er van hen wordt verwacht. • Verbeter de muzikale vorming van aanstaande leerkrachten in het basisonderwijs. • Er moet geld komen voor na- en bijscholing van zittende leerkrachten. • Stimuleer samenwerking tussen het onderwijs en regionale muziekscholen, waardoor die elkaar kunnen ondersteunen en versterken.

Open deur

In het rapport van de inspectie staat dat de kwaliteit van het muziekonderwijs nauw samenhangt met de leerkracht die de lessen verzorgt. Dat lijkt een open deur die al verscheidene malen is ingetrapt, maar is het toch niet. „De eigen vaardigheid van iemand speelt een grote rol", vindt directeur K. van de Wetering van de protestantschristelijke Timothëusschool in Linschoten. „Mensen die niet muzikaal zijn, kun je niet muzikaal maken".

Van de nascholing verwacht Van de Wetering niet veel. „Het zal mensen trekken die muziek leuk vinden en daar is het nou net niet voor bedoeld. Bovendien is er al zoveel nageschoold. Iedereen zou zo deskundig als wat kunnen zijn". De samenwerking met een muziekschool ziet de directeur ook niet zitten. „Je krijgt dan wel aardige muzieklessen van iemand van buiten, maar de man of vrouw voor de klas gaat er écht niet op door". Op dit moment huurt een op de vijf basisscholen een vakleerkracht in voor muziek.

Van de Wetering heeft zijn twijfels over het wel zeer geringe aantal scholen waar muziek volgens de inspectie wel boven de maat zou zijn. „Op mijn vorige school in Gouda had ik een klas waar bijna alle leerlingen een muziekinstrument bespeelden. Daar was een stukje muziekcultuur. Vrijdagmiddag na school vormden 35 kinderen een schoolorkestje".

Niet kapot

Het lijkt wel of de onderwijsinspectie op haar rondgang langs 79 basisscholen het godsdienstig behoudende basisonderwijs over het hoofd heeft gezien. Daar wordt immers heel wat afgezongen en gespeeld. In een niet gering aantal gevallen worden kinderen door hun ouders gestimuleerd om muziek te beoefenen. Van de Wetering: „Op school beginnen en eindigen we de dag met het zingen van een geestelijk lied. Soms laat ik kinderen op een muziekinstrument spelen. Dan kan je dag eigenlijk niet meer kapot".

In het vorig jaar verschenen evaluatierapport "Zo hard gelopen en nog zo ver te gaan" constateerde staatssecretaris Wallage dat steeds meer scholen zich richten op de "harde" vakken, ten koste van muziek, tekenep of handvaardigheid. „Dat zijn vaak de pretvakken die op de middag worden gegeven", erkent Van de Wetering. Hij heeft een simpele oplossing. „Ik begin vaak vroeg met muziek. De kinderen zijn dan nog fris en de resultaten zijn stukken beter".

Onzichtbaar

De belangstelling voor het vak is minimaal, klaagt S. M. W. Bezemer, muziekdocent aan pabo De Driestar in Gouda. „Bij handvaardigheid en tekenen zie je nog iets. Muziek levert een onzichtbaar produkt af'. Bezemer heeft ook geen hoge pet op van de eventuele nascholing. „Het is een kwestie van beleid binnen een school. Bestuur en directie moeten druk uitoefenen op de leerkracht om aan het muziekonderwijs te werken. Een planmatige aanpak met controle werkt", spreekt Bezemer uit ervaring.

Veel reformatorische scholen zullen niet staan te trappelen om samen te werken met muziekscholen, aldus de pabo-docent. „Zij halen er zaken bij die reformatorische scholen beslist niet in huis willen hebben. Trouwens, het vak moet worden gegeven door de eigen leerkracht". Dat het niet makkelijk is, weet ook Bezemer. „Het is een echt werkvak".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.