+ Meer informatie

Gemeenie des Heren (2)

9 minuten leestijd

Belijdenistaal

De gemeente wordt niet zomaar gemeente des Heren of gemeente van Christus genoemd. We hebben gezien dat er bijbelse gronden voor zijn.

Maar men zou kunnen vragen, of het ook in de lijn van de kerkelijke traditie is. Als men tot de achttiende of negentiende eeuw teruggaat, kan men wel voorbeelden vinden van het vermijden van de aanspraak „gemeente des Heren”, „broeders en zusters” of andere woorden die tot uitdrukking brengen wat de gemeente in wezen is. Zo was het een grief van Schortinghuis, de schrijver van „Het innige christendom” (1740), dat veel predikanten hun gemeenten zo „onbepaalt” aanspraken als broeders en zusters. Zij pasten de beloften van het evangelie toe en brachten de arme zielen in de waan, dat zij allen geroepen heiligen, broeders en zusters in de Here waren. Het ging Schortinghuis om de kerk in de kerk.

Bijna honderd jaar geleden verscheen er een bundel catechismuspreken van verschillende Chr. Ger. predikanten, voorafgegaan door een inleidend woord van docent Brummelkamp. Opvallend is het veelvuldig gebruik van de woorden „mijne hoorders” en „mijne toehoorders”. Ds. L. Lindeboom, toen predikant te Zaandam, zei wel eens „broeders en zusters” of „geliefde gemeente en allen die deze woorden hoort” en de aanspraak „geliefden” komt in tal van preken voor, maar daarnaast ook „mijne vrienden”. Er is geen reden om aan te nemen, dat de predikanten van deze oudere generatie bezwaar hadden tegen de woorden „gemeente des Heren” en dat zij daarom van hoorders of vrienden spraken. Het was veeleer een aansluiting bij het spraakgebruik van die tijd. Dat leert ons een vergelijking met de „leerredenen” van de beroemde kanselredenaar J. J. van Oosterzee (1817-1882).

Wie onze belijdenisgeschriften en liturgische formulieren raadpleegt, ontdekt echter dat de bijbelse visie op de gemeente daarin veel meer naar voren komt.

Het is mij hier evenmin als in het vorige artikel om volledigheid te doen, maar enkele verwijzingen zullen niet mogen ontbreken.

In Zondag 27 van de Heid. Catechismus wordt de vraag naar het goed recht van de kinderdoop bevestigend beantwoord. Zij zijn evengoed als de volwassenen in het verbond Gods en in Zijn gemeente begrepen. De gemeente Gods omvat de gelovigen en hun kinderen. Ze is volgens Zondag 21 een geloofsgemeenschap en volgens Zondag 27 een beioftegemeenschap. Het één hoort bij het ander. Soms wordt uit de bewoordingen van de Catechismus en het doopsformulier afgeleid, dat bij de kinderen van de gemeente de vervulling van de verbondsbelofte verondersteld mag worden. Maar dat staat er niet. De belofte moet geloofd worden!

In Zondag 31 is sprake van de christelijke gemeente en van de gemeente van Christus („lidmaten van Christus en van Zijn gemeente”), zonder dat er enig verschil in betekenis is. Er is onderscheid in de gemeente: er zijn ook ongelovigen en mensen die zich niet van harte bekeren. Men kan onder de christelijke naam onchristelijk leren of leven.

Verder is te denken aan Zondag 38. We behoren trouw naar de kerk te gaan. Zo zeggen wij het dikwijls. In onze Catechismus heet het: naarstig tot de gemeente Gods komen. Bij onze uitdrukking „naar de kerk gaan” kan men het kerkgebouw bedoelen, maar Zondag 38 zegt, dat wij op de rustdag daar moeten zijn waar God Zijn gemeente vergadert. Daar wil Hij haar ontmoeten en daar mag zij Hem ontmoeten: Zijn Woord horen en Hem aanroepen.

In zijn inaugurele oratie over „Geestelijke leiding in de prediking” (1954) — nu opgenomen in de bundel „Priesterlijke prediking” (1976) — heeft prof. W. Kremer gewezen op allerlei confessionele gegevens waarmee de prediking rekening heeft te houden. Goede geestelijke leiding dient confessioneel georiënteerd te zijn.

In de confessie wordt de gemeente niet gezien als een vergadering van gelovigen van een standaardtype. „Er is in de confessie geen idealistische starheid, waarbij uitgegaan wordt van de gelovige in optima forma. De confessie heeft oog voor de gemeente als zodanig en de enkeling in haar. En onder deze enkelingen kent zij een grote variatie. Zij spreekt in de kerk ook over hypocrieten, over een waar geloof, over een zich niet van harte bekeren. Ook spreekt zij van de merktekenen der ware christenen en kent de verscheidenheid zoals die in trap en mate en stand des geloofs uitkomt. De belijdenis heeft oog voor de groei, de zwakheid, de strijd, kortom voor de weg, waarin de Middelaar wordt gekend en de schatten des verbonds worden geschonken, aangenomen en genoten”.

De taal van de liturgische formulieren

Hoe wordt in het kerkboek verder over de gemeente gesproken? Ook hier moet ik met enkele aanduidingen volstaan.

Bij de doop van hun kinderen belijden de ouders, dat zij in Christus geheiligd zijn en daarom als lidmaten (leden) van Zijn gemeente behoren gedoopt te wezen.

De herziene liturgische formulieren die in onze kerken gebruikt kunnen worden, hebben op een enkele uitzondering na de aanhef: Gelief den in onze Here Jezus Christus. Dat komt overeen met de oude aanhef van het avondmaalsformulier en van het formulier om de dienaren van het Woord te bevestigen. Het oude formulier voor de bevestiging van ouderlingen en diakenen begint met: Gelief de christenen.

De gemeente wordt op verschillende plaatsen in de oude bevestigingsformulieren de gemeente Gods, de gemteente des Heren, de kerk Gods of de kerk van Christus genoemd.

Tot een predikant wordt gezegd: Zo heb dan nu, geliefde broeder en mededienaar in Christus, acht op uzelf en op de gehele kudde over welke u de Heilige Geest tot een opziener gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed. Tot de ouderlingen: Zo weest gij dan, ouderlingen, naarstig in de regering der kerk die u nevens de dienaren des Woords bevolen is. Zijt mede als wachters over het huis en de stad Gods, om een ieder getrouw te vermanen en te waarschuwen voor zijn verderf. Hebt acht op de onderhouding van de zuiverheid der leer’ en de vroomheid des levens in de gemeente des Heren.

In het plechtig ogenblik dat zij zich aan de ambtelijke dienst verbinden, geven de ambtsdragers antwoord op de vraag, of zij in hun hart gevoelen, dat zij wettig door Gods gemeente en mitsdien door God Zelf tot deze heilige dienst geroepen zijn.

Bij de bevestiging van een huwelijk wordt de vraag ingeleid met de woorden: Bekent gij hier voor God en deze Zijn heilige gemeente.

In de minst bekende formulieren, de formulieren van afsnijding en wederopneming, heet de gemeente ook de gemeente des Heren, de gemeente van God, de gemeente van Christus of kerk van Christus. Dat is niet toevallig. De woorden die aangeven dat de gemeente Zijn gemeente is, worden bij de wederopneming bewust en met nadruk gebruikt: Of gij voor God en Zijn gemeente alhier van ganser harte verklaart, dat gij oprecht berouw hebt? Wij dan, alhier vergaderd in de naam en de macht des Heren Christus, verklaren u, N., ontbonden te zijn van de banden der afsnijding; ontvangen u wederom in de gemeente des Heren en verkondigen u, dat gij staat in de gemeenschap van Christus. Het is tegelijk duidelijk, dat er in het minst geen zelfverheffing ligt in de naam „gemeente des Heren”. Het is niet zoiets als: des Heren tempel, des Heren tempel! Ons treft de diepe ootmoed waaraan uitdrukking gegeven wordt, als het tot een afsnijding komen moet. Er staat: Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking valt.

Zowel in het avondmaalsformulier — wie onbekeerd voortleven, moeten zich onthouden van het sacrament dat Christus alleen voor de gelovigen ingesteld heeft — als in de formulieren voor de tucht en voor de bevestiging van ambtsdragers komt uit, dat er geen idealistische gemeentebeschouwing ten grondslag ligt aan de wijze waarop over de gemeente des Heren gesproken wordt. Men moet ook bij het lezen van het doopsformulier geen idealistische bril opzetten!

Het adres van de prediking

Over de gemeente als het adres van de preek heeft prof. Kremer in 1970 in „De Wekker” belangrijke gedachten naar voren gebracht en dank zij „Priesterlijke prediking” de bundel die ter gelegenheid van zijn gouden jubileum verscheen, kan er gemakkelijker naar verwezen worden.

Kremer merkt op, dat men de gemeente niet mag benaderen als toevallig aanwezige zondaren die het Woord van God horen, een soort „toehoorders”, „die in geen andere relatie staan dan die van het momentele contact met het gesproken woord. Wie het zo wil zien verliest het verbondsmatig karakter van de heilsopenbaring uit het oog. De prediker ondergraaft zelf het fundament, waarop hij staat en ontneemt aan zijn woord de klem, die het hebben kan juist omdat God de gemeente in Zijn verbond betrokken heeft in Zijn beloften en eisen”. Men mag er niet van uitgaan, dat ieder lid van de gemeente deelgenoot is van het in de belofte toegezegde heil. Men mag niet generaliseren! In de brieven aan de zeven gemeenten van Klein Azië waarschuwt Christus telkens voor het gevaar veel te hebben en toch de ware levensband aan Hem en Zijn heil te missen. Het komt op het persoonlijk geloof aan. Het moet de gemeente eerlijk gezegd worden, wie zij in zichzelf is. Er bestaat een valse gerustheid!

De bundel „Priesterlijke prediking” bevat nog veel meer dat voor ons onderwerp van directe betekenis is. Zo wordt in het hoofdstuk over de prediking in de belijdenis van de gemeente gezegd: Zij is de gemeenschap waaraan God de Here Zich verbonden heeft door Zijn beloften, die in de tekenen van het verbond hun bevestiging ontvangen. De gemeente ligt onder de klem van wat in Zondag 31 genoemd wordt „de beloftenis van het heilig evangelie”. Dat is een voorrecht, maar ook een grote verantwoordelijkheid (blz. 117).

Dit is de visie van het geloof. Wie de gemeente puur menselijk beschouwt, zou niets zien van het wonder van de kerk. De gemeente is maar niet een vergadering of gemeenschap die door een aantal christenen in stand gehouden wordt. Het eigenlijke geheim van de gemeente ligt daarin, dat zij de gemeente is die de Here samenroept en samenbrengt door Zijn Geest en Woord.

Het is zinvol om er in de dienst des Woords alleen al door de woorden „gemeente des Heren” of „gemeente van onze Here Jezus Christus” uitdrukking aan te geven, dat wij daarvan uitgaan. „Onze gemeente” is niet allereerst onze gemeente — het is Zijn gemeente; het is de gemeente waarin niet wij het voor het zeggen hebben, maar waarin Hij het alleen te zeggen heeft.

Wanneer wij het „adres van de preek” serieus nemen, ligt daarin opgesloten, dat wij met elkaar vragen, wat de Here met ons bedoelt en wat Hij van ons. verwacht. Wie het over een gemeente heeft, zou bij de mensen kunnen blijven staan die er deel van uitmaken. Maar wie over Gods gemeente spreekt, zal over de God van de gemeente moeten spreken. Van het evangelie van Christus, dat altijd en overal verkondigd moet worden, klinkt reeds iets door in de aanspraak”. gemeente des Heren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.