+ Meer informatie

Drie honderd jaar geleden werd Bernardus Smytegelt geboren.

6 minuten leestijd

Vrijdag 20 augustus a.s. zal het drie honderd jaar geleden zijn, dat Bernardus Smytegelt, de onder ons volk zo zeer bekende en (nog) veelgelezen „oude schrijver", werd geboren. In hot kerkelijk Nederland is Ds. Smytegelt een persoon geweest wiens naam, drie eeuwen nadat hij heeft geleefd, nog op veler lippen is. Geboren Zeeuw, was hij ook een Zeeuw onder de Zeeuwen, want behalve cle tijd doorgebracht aan de Utrechtse Hogeschool, heeft hij zijn leven lang in Zeeland gewoond. De invloed van zijn prediking is onder de bevolking van de Zeeuwse eilanden bijzonder groot geweest, maar niet alleen in dit gewest, maar door zijn veie geschriften in het gehele land.

Het geslacht Smytegelt is afkomstig van het eiland Tholen. In de Hervormde Kerk van dit oude stadje aan de Eendracht ligt burgemeester Jacop Smytegelt begraven, die in 1542 overleed.

Wat de naam „Smytegelt" betreft, moet men niet denken dat die iets met „geld smijten" heeft te maken. Het woord „geit" betekent „zwijn" en het wapen van de Smytegelt's vertoont een man, die naar een zwijn (varken) „smijt."

Bernardus stamde uit een zeer godvruchtige familie, waarin meerdere predikanten voor komen. Zijn vader, Marinus Smytegelt was boekverkoper te Goes, zijn moeder heette Anna Lambregtse, een ontwikkelde en zeer vrome vrouw. Reeds vóór de geboorte wijdde zij haar kind - wanneer het een zoen zou zijn - tot het predikambt. En de godsvrucht van zijn ouders was al vroeg in de jonge Bernardus merkbaar; hij was als Obadjah, „vrezende de Heere van zijn jonkheid af." Als knaap bestrafte hij zijn makkers wanneer zij onbetamelijke dingen deden, zijn levenswandel was een voorbeeld voor ouderen en door zijn Godsvreze werd hij voor uitspattingen bewaard. Ook toen hij aan de Universiteit was had hij hoge achting van de professoren; de faculteit was toen samengesteld uit de hoogleraren P. a Mastricht, li. van Halen, M. Leydekker en H. Witsius; het hebreeuws, grieks en wijsbegeerte werd gedoceerd door J. a Leusden en G. de Vries. De colleges van Leydekker en Witsius werden door hem ingedronken als water. Vooral voor Witsius had hij grote achting en omgekeerd Witsius voor hem. Toen Bernardus met een losbol van een student eens samen een kamer moest delen, stuitte hem dit zo tegen de borst, dat hij zich daarover bij Witsius beklaagde. Maar Witsius zei: „ik wil dat u met die jonge man samen woont, op hoop, dat er van u een gunstige invloed op hem moge uitgaan."

In 1687 was de studie van Bernardus Smytegelt ten einde, na het praeparatoir examen voor de classis Zuid Beveland stelde hij zich beroepbaar. Er was toen een overvloed van kandidaten en twee jaar lang stond hij „ledig aan de markt." Dat was een beproeving die vaak tot moedeloosheid leidde maar hem toch nader aan Zijn grote Zender verbond.

Op 12 april 1689 kreeg hij een beroep van Borssele, dat hij direct aannam. Een maand nadien, op 20 mei van hetzelfde jaar deed hij er zijn intrede, met de woorden uit 2 Cor. 4:7: Maar wij hebben deze schat niet in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht Godes zij en niet uit ons."

Smytegelt bleef twee en een half jaar te Borssele en verwisselde toen zijn standplaats met Goes, de stad waar hij geboren was. Hij heeft er een gezegende tijd meegemaakt; zijn prediking trok scharen mensen, ook uit de omliggende plaatsen van Zuid-Beveland. „De tijd van de godzalige Witsius is weergekeerd" zeiden de hoorders van hem.

Te Goes maakte ds. Smytegelt een politiek conflict mee dat was losgebarsten tussen de stadhoudersgezinden en de regenten. De leiders van de laatstgenoemde groep werden in de gevangenis gezet, o.m. burgemeester Adolph Westerdijk. Hoewel Smytegelt zelf Oranje-gezind was, bezocht hij de burgemeester in zijn cel en ging persoonlijk naar stadhouder Willem III om de vrijheid van de burgemeester te bepleiten. Dat het zijn geestverwant niet was deerde hem niet; hij trad' hier wel bijzonder tactvol en zelfverloochenend op.

In zijn tweede gemeente bleef hij ook slechts twee jaar, want in 1695 vertrok hij naar Middelburg. Hij ! was toen 30 jaar oud. Zijn oom, ds. Petrus Smytegelt bevestigde hem met Jes. 30 : 20: Uwe ogen zullen uwe leraars zien." Dat is voor Middelburg bewaarheid, zij hebben hun leraar 40 jaar mogen zien, tot zijn 70ste jaar is hij er met onbezweken ijver werkzaam geweest. In 1735 werd hij verplicht emeritaat aan te vragen en heeft nadien nog vier jaar geleefd. Wel preekte hij af en toe nog eens een keer, het liefst hield hij dan een doopsbediening. Op 6 mei 1739 ging hij de eeuwige rust in. „Ik sterf in den gelove" waren zijn laatste woorden. Ds. A. W. de Beveren, die na zijn emeritaat op de kansel was gekomen en zeer intiem met hem was bevriend, leidde de rouwdienst en hield een predikatie over 2 Kon. 2 : 11—12: Mijn vader, mijn vader, wagen Israëls en zijne ruiteren!" In de Oude Kerk te Middelburg werd hij op 12 mei 1739 onder zeer grote belangstelling begraven. Dit is slechts een korte schets over het zeer werkzame leven van ds. Smytegelt; volgende keer hopen wij op enkele bijzonderheden terug te komen, o.m. over de diverse werken die hij heeft nagelaten en hoe die zijn tot stand gekomen. Hij spreekt daarin nog tot ons, nadat hij gestorven is.

Smytegeltfonds

In verband met bovenstaande willen wij nog eens wijzen op het Smytegeltfonas, de Stichting die zich beijvert om door verspreiding van predikaties e.a. lectuur de reformatorische beginselen onder ons volk levendig te houden, onder redactie van ds. G. A. Zijderveld te Middelburg. Ter gelegenheid van de 300ste geboortedag van Smytegelt, ligt het in de bedoeling dat de Stichting op vrijdag 20 augustus te Middelburg, waarschijnlijk in een van de Hervormde kerken, waar ds. Smytegelt in gepreekt heeft, een herdenkingsdienst zal houden. In deze dienst hopen voor te gaan ds. J. G. Abbringh van Arnemuiden, ds. L. Vroegindeweij van Delft en de voorzitter ds. G. A. Zijderveld te Middelburg.
Mochten er van onze jongens en meisjes met vakantie zijn op Walcheren weten ze dit alvast en kunnen ze mogelijk deze dienst bijwonen.


Bernardus Smytegelt

1665 20 augustus 1965

In 't zeeuws gewest ontving hij 't levenslicht.
Hij is de Zeeuwen altoos trouw gebleven.
Als kleine knaap had hij een klaar gezicht
om zich met heel zijn ziel aan God te geven.

Hij was doordrongen van zijn heil'ge plicht.
De liefde tot zijn God heeft hem gedreven
te spreken van genade en gericht.
Hij wees de smalle weg naar 't zalig leven.

Zijn krachtig woord, dat van de kansel klonk,
spreekt nog tot hen, die zijn geschriften lezen,
voor matte zielen als een koele dronk.

In woord en wandel heeft hij God geprezen,
Die hem als leraar rijke gaven schonk,
tot herder en tot vader voor de wezen.


M. Nijsse.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.