+ Meer informatie

KERKERAAD EN PREDIKANT

9 minuten leestijd

Predikant en kerkeraad

De titel boven dit artikel kan een ogenblik bevreemden. Is er reden om te spreken van predikant en kerkeraad of van kerkeraad en predikant? Men spreekt toch ook niet van kerkeraad en ouderling of van diaken en kerkeraad?

Waarom dan wel van kerkeraad en predikant? Een predikant behoort toch evenzeer tot de kerkeraad als de ouderlingen en diakenen. Als het goed is vormen ouderlingen en diakenen enerzijds en de predikant anderzijds een twee-éénheid. Een predikant is niet los te denken van zijn kerkeraad en een kerkeraad niet van zijn predikant.

Toch kan het zijn nut hebben om zich te bezinnen op de verhouding kerkeraad-predikant. De taak die een predikant te vervullen heeft, moge voor een belangrijk deel overeenkomen met die van de andere ambtsdragers, er is toch onderscheid in het werk van een predikant en dat van ouderlingen en diakenen. De formulieren voor de bevestiging van een predikant, ouderlingen en diakenen laten dat duidelijk zien. Het is van belang deze formulieren van tijd tot tijd te herlezen en op zich in te laten werken en vooral te letten op de Schriftplaatsen waarop het gezegde over de ambtsdragers rust.

Predikanten worden in het formulier voor hun bevestiging niet aangeduid met de naam predikant maar met die van dienaren des Woords. Een predikant is dus dienaar. Hij is geen knecht van de gemeente of van de kerkeraad zoals men soms nog wel eens hoort zeggen. Hij is dienaar van het Woord, knecht van zijn Zender. Met andere woorden: hij is de slaaf van Jezus Christus, de grote ambtsdrager. Hij heeft weg te kruipen achter het Woord dat hij brengt. Hij heeft dat Woord in allerlei verbanden te laten weerklinken. En in de samenkomsten van de gemeente heeft hij het Woord Gods te verkondigen. Dat maakt hem niet tot een meerdere van de andere ambtsdragers. Natuurlijk, een predikant zal in bepaalde opzichten meer kennis hebben dan de andere ambtsdragers maar dat wil niet zeggen dat hij boven zijn medebroeders staat. Hij is hoogstens de eerste onder zijns gelijken. Niet meer. Niet minder. Dat hangt samen met het feit dat alle ambtsdragers ten diepste slaven zijn van Jezus Christus, leder zal dit toestemmen, maar we zullen hebben te bedenken dat we met het zeggen van deze dingen niet klaar zijn. In de zin van er kennis van nemen en overgaan tot de orde van de dag.

Wie dienaar is, knecht van de Here, zal eerst zelf moeten buigen en dat altijd weer moeten doen. Wie wil dienen, zal eerst zelf bediend moeten worden. Dat wil zeggen: Jezus Christus zal gestalte in hem moeten aannemen. Vervuld van de liefde van Christus zal hij een toonbeeld moeten zijn van overgave, van liefde, van zich geven, van zelfverloochening, van sterven aan zichzelf en aan zijn eigen ik. Iets van de Here Jezus zal in hem zichtbaar moeten worden.

Ik weet dat dat gemakkelijk gezegd is en dat met recht gevraagd kan worden: wie beantwoordt daaraan? Maar dat mag onze maatstaf niet zijn. De roeping ligt er en zal serieus betracht moeten worden.

Uiteraard heeft dat zijn consequenties. Ook in de verhouding kerkeraad-predikant en omgekeerd. Wie leeft uit Christus en door Hem en uit Hem bediend wordt, zal in zijn innerlijke houding anders zijn dan iemand die maar zijn eigen wil wil volgen. Hij zal telkens moeten vragen: Here, wat wilt gij dat ik doen zal.

Predikanten stellen zich soms erg zelfstandig op tegenover hun kerkeraad alsof zij het voor het zeggen hebben en de kerkeraad maar heeft te volgen.

Het is b.v. opvallend dat, wanneer in een gemeente een nieuwe predikant komt, er ineens allerlei dingen veranderd worden en vernieuwingen worden doorgevoerd. En dat gebeurt dan niet zelden min of meer buiten de kerkeraad om. Of ook onder druk op de kerkeraad. Alsof de predikant dat alles maar even kan beslissen en de kerkeraad niet verantwoordelijk is voor alles wat in de gemeente en de diensten plaatsvindt.

Daarmee wil niet gezegd zijn dat er geen vernieuwingen en dergelijke tot stand mogen komen. Wèl, dat alles in overleg en na goedkeuring van de kerkeraad zal geschieden.

Bovendien vergeet een predikant die zijn gedachten maar wil doorvoeren dat hij vaak nog vertrouwen moet krijgen. Dat komt niet door even in een gemeente te zijn. Dat moet groeien. In de loop van de tijd zijn gemeenten kapot gegaan door de eigenwijsheid van predikanten.

Kerkeraden hebben hun predikant toegezegd in de beroepsbrief: „Zijnerzijds zegt de kerkeraad u toe, onder biddend opzien tot de Here, u in broederlijke trouw en in gemeenschap des geestes ter zijde te staan en met u de gemeente des Heren aan deze plaats te weiden”.

Op grond daarvan mag een kerkeraad ook verwachten dat de predikant van zijn zijde de juiste verhoudingen in het oog houdt en daarnaar handelt. Een predikant mag dan aangesproken worden als „dominee” (dat is letterlijk: heer) maar dat wil niet zeggen dat hij maar kan doen wat hij wil. Hij is geen heerser die het voor het zeggen heeft. De kerkeraad draagt de volle verantwoordelijkheid voor alles wat er gebeurt in het kerkelijk leven. Hij (de kerkeraad) heeft dan ook te beslissen. Niet de predikant. Beter: de kerkeraad samen met de predikant waarvan ook hij lid is.

In gemeenschappelijk broederlijk overleg kan er veel gebeuren maar dat overleg moet er dan ook zijn. Waar dat niet gebeurt, groeit er iets scheef met alle gevolgen van dien. Soms krijgt men ook de indruk dat kerkeraden in dezen te lang zwijgen. Ze laten om de vrede te bewaren veel open tot er een botsing plaatsvindt. Maar dan is het al te laat.

In het formulier voor de bevestiging van ouderlingen en diakenen komt ten aanzien van de ouderlingen de passage voor: „Als opzieners van de gemeente moeten zij waken tegen het binnendringen van alle dwaalleer, die haar zou kunnen afbrengen van de gehoorzaamheid aan Jezus Christus, en tegen elke ontheiliging van de sacramenten. Zij hebben toe te zien op elkaar en op de dienaren des Woords voor wier leer en dienst zij mede verantwoordelijkheid dragen.”

Het gebeurt gelukkig zelden dat een predikant dwaalleer verkondigt. Wel komt het nog al eens voor dat men wezenlijke zaken in de prediking mist. Dat kan vooral bij jonge predikanten het geval zijn. Zij moeten nog veel leren en kennen nog weinig het gemeentelijke leven en de vragen die er ten aanzien van het geloofsleven in de gemeente naar voren komen. Soms moet je zeggen: ik heb geen enkel bezwaar tegen hetgeen in de prediking gezegd wordt, maar ik heb wel bezwaar tegen wat niet gezegd wordt.

Het is de taak van de kerkeraad om daarover op gepaste wijze te spreken.

Op gepaste wijze. Dat is niet zo eenvoudig. Er komen direct allerlei vragen op, als: hoe zal de dominee reageren; worden mijn woorden niet spoedig verkeerd opgevat? Ik wil hem ook niet pijn doen, want hij doet zo zijn best. Bovendien heeft een jongere predikant de tijd nodig om zich te ontwikkelen. En een oudere predikant die langer heeft meegelopen, is misschien nog moeilijker te benaderen. Kunnen predikanten kritiek verdragen? De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat vele predikanten kritiek niet zo gemakkelijk aanvaarden. Anderzijds is het ook zo dat er ouderlingen zijn wier gave op een ander onderdeel van het ambt ligt dan op het maken van kritiek.

Maar dat alles heft de verantwoordelijkheid niet op.

Het is daarom van groot belang dat het gesprek met de predikant over zijn werk en zijn prediking van tijd tot tijd wordt gehouden. Het komt mij voor dat dit te weinig gebeurt. Hoe men dat doen moet, is niet zo gemakkelijk te zeggen. Soms is er gelegenheid om vlak na de dienst even op de prediking in te gaan. Maar dat kan vaak ook maar even omdat tal van broeders gauw weg moeten. Bovendien zal niet elke predikant een lang gesprek ambiëren als hij net van de preekstoel komt.

Men kan natuurlijk de prediking als een apart agendapunt op de kerkeraad aan de orde stellen. Maar dat geeft weer iets gedwongens.

Bovendien een gesprek moet geboren worden. Dat kun je niet maken.

Er zijn kerkeraden die aan het begin van hun vergaderingen een korte bijbelstudie hebben. Naar aanleiding daarvan kunnen misschien bepaalde zaken naar voren komen. Of ook naar aanleiding van de huisbezoekverslagen. En er blijft natuurlijk altijd over het gesprek onder vier ogen. Er zijn hiervoor geen algemene regels te geven. Iedere kerkeraad zal zelf moeten uitmaken hoe men dit doet. Maar dat het van tijd tot tijd moet gebeuren is zeker. Als de bedoeling en de geest er maar zijn om te dienen. Want het gaat om Gods eer en het welzijn van de gemeente.

Dat vraagt enerzijds tact en een zekere terughoudendheid. Anderzijds vraagt het van de predikant ook openheid en de bereidheid om te luisteren. Calvijn heeft eens gezegd: het eerste wat een mens moet leren, is ootmoed. Het tweede wat een mens moet leren, is ootmoed. En het derde wat een mens moet leren, is óók ootmoed. En als predikanten de ootmoed prediken, zullen zij die zelf ook in praktijk moeten brengen.

Een kerkeraad vergete van zijn zijde ook niet dat een predikant veel heeft mee te dragen. Hij moet heel vaak zwijgen omdat hij (en terecht) gebonden is aan zijn ambtsgeheim. Hij heeft ook zijn tijden van moedeloosheid en inzinking. Gaat er iets mis in de gemeente en de kerkeraad heeft daarover gesproken zodat het een kerkeraadszaak geworden is, dan krijgt de predikant toch vaak de schuld, want de tijd is voorbij dat een predikant op een voetstuk werd geplaatst en als een onaantastbaar figuur werd gezien. Een predikant begint vaak met enthousiasme. Gelukkig. Maar als je dan zondag aan zondag probeert het Woord door te geven en er verandert in bepaalde opzichten niets - ruzies en veten gaan door -, dan komt de vraag op: wat geeft het allemaal? Het antwoord is niet zo moeilijk, maar het betekent wel dat het allemaal verwerkt moet worden. Een broederlijke opmerking, een enkel woord kan dan soms heel veel doen.

Soms zijn er ook van die kleine dingen waardoor ergernis ontstaat. Dingen die soms gemakkelijk kunnen worden weggenomen, maar bestendigd blijven omdat er niets gedaan wordt. Er kunnen kleine vossen zijn die de wijngaard bederven. Men hebbe daarvoor oog. Kerkeraad en predikant behoren geen tegengestelde grootheden te zijn. Er zal wederzijds vertrouwen moeten zijn. Gefundeerd in de liefde van Christus. Daarom moge er veel gebeden worden „dat de liefde nog steeds meer overvloedig moge zijn in helder inzicht en alle fijngevoeligheid, om te onderscheiden, waarop het aankomt”.

Dan kunnen kerkeraad en predikant vruchtbaar samenwerken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.