+ Meer informatie

GENERALE SYNODE APELDOORN 1992

46 minuten leestijd

Ongetwijfeld hebben de lezers van ons blad kennis genomen van de verslagen die van de verleden jaar gehouden generale synode van onze kerken in de pers werden gegeven. Vooral de breed informerende verslagen die ds. Quant voor De Wekker schreef, zullen uw aandacht niet zijn ontgaan. Hoe informatief en veelszins boeiend dergelijke verslagen ook zijn voor elke ambtsdrager - èn voor elk gemeentelid dat hart voor de kerk heeft -, voor de praktijk van het kerkelijk leven is men toch aangewezen op de officiële tekst van de besluiten, uitspraken enz. die door de synode genomen, resp. gedaan zijn.

Ook al zal menigeen de persverslagen - zij ’t dat de dagbladpers in dezen doorgaans tamelijk selectief is - heel wat boeiender vinden dan de Acta van de synode, toch zijn het deze Acta die informeren over de officiële tekst. Hoewel misschien minder boeiende lectuur, ze hebben wel bindende betekenis voor het kerkelijk leven, ook voor het kerkelijk met elkaar omgaan, uiteraard binnen het kader van het gereformeerde kerkrecht (zie ons blad ’88/188).

Toen in de praktijk de periode tussen de sluiting van de synode en de verschijning van de Acta langer werd dan wenselijk werd geacht, droeg de synode van 1956 het moderamen synodi op om de kerkeraden ‘onmiddellijk na de sluiting’ of ‘zo spoedig als dit mogelijk is’ te informeren over ‘belangrijke besluiten’ (vgl. KO ed. ‘84, art. 50 sub 10). Deze informatie werd al spoedig verstrekt in de vorm van het ‘Besluitenboekje’. Het zal duidelijk zijn dat de directe voortgang van het kerkelijke leven wordt gediend met een vlotte publikatie van de officiële tekst van de ‘belangrijke besluiten’.

Sinds de synode van 1965/66 wordt een overdruk van het Besluitenboekje in Ambtelijk Contact opgenomen, zodat elk lid van de kerkeraad in de gelegenheid is kennis van de synodale besluiten enz. te nemen. Voor de tiende maal vindt nu een dergelijke publikatie plaats met de overdruk van het Besluitenboekje 1992 in het februarinummer van ons blad.

Deze keer komt er zelfs een ‘vervolg’ op de synodale publikatie in het maartnummer. De synode besloot namelijk een ‘bezinningsstuk’ - ook wel ‘handleiding’ en ‘gespreksnota’ genoemd - aan de kerken toe te zenden ‘met aanbeveling deze te bespreken op de kerkelijke vergaderingen’ betreffende ‘de toeëigening van het heil’ (zie De Wekker van 6 november 1992). Ook van dit stuk wordt onze lezers een overdruk aangeboden.

De Koning van de Kerk die Zich een gemeente vergadert in enigheid van het ware geloof (HC 54), zegene deze uitgaven voor de opbouw van die gemeente, voor de voortgang van het Evangelie en voor het dienstbetoon niet in de laatste plaats van hen die die gemeente ambtelijk dienen.

REDACTIE

A. KERKORDE

1. Artikel 4.

De synode besloot sub 2 als volgt te wijzigen:

“De synode besluit, dat, wanneer de kandidaat binnen een jaar geen beroep heeft ontvangen of in overweging heeft genomen, hij zich opnieuw met het curatorium in verbinding moet stellen, ten einde de verlenging van zijn beroepbaar verklaard zijn en het preekconsent te verkrijgen, hetgeen telkens opnieuw voor een jaar kan worden verlengd, zulks ter beoordeling van het curatorium, met dien verstande dat de beroepbaarstelling inde regel niet langer dan in totaal vijf jaar na 1 oktober 1992 of een latere datum van ingang gehandhaafd blijft”.

2. Artikel 6.

De synode besloot als bepaling 1. onder dit artikel op te nemen:

“In uitzonderlijke situaties, zulks ter beoordeling van de betreffende kerkeraad en de classis, waaronder die kerkeraad ressorteert, kunnen ook kandidaten, die in de kerken beroepbaar zijn gesteld, voor bijzondere arbeid worden beroepen”.

Wat nu bepalingen 1. en 2. zijn worden resp. 2. en 3.

3. Artikel 13.

De synode besloot dit artikel aan te vullen met punt 3d:

“Bij emeritering na toepassing van de bepaling 1c begint de uitkering op de datum van emeritering met dien verstande dat de kerkeraad deze uitkering dient aan te vullen tot het onder 3b genoemde genot”.

B. NIEUWE REGLEMENTEN/HERZIENING BIJLAGEN.

1. Bijlage 8.

Voorlopige regeling voor het gestalte geven aan eenheid met kerken van gereformeerd belijden.

1. Algemeen

1.1. Het aanvankelijk gestalte geven aan eenheid tussen plaatselijke kerken van gereformeerd belijden die tot verschillende kerkverbanden behoren, door nauwer samenleven, kan alleen geschieden met kerken die behoren tot een kerkverband waarvan de synode-van de eigen kerken heeft geconstateerd, dat het zich in alles wil stellen op de grondslag van Gods heilig Woord en de gereformeerde belijdenis en met welk kerkverband contacten worden onderhouden door wederzijdse deputaten.

1.2. De nauwere samenleving is zuiver plaatselijk en mag niet worden gezien als een vereniging tussen de betrokken kerken of als het constitueren van een nieuwe kerkformatie. De plaatselijke kerk behoudt haar zelfstandig karakter wat leer, dienst en kerkregering betreft, totdat het eventueel komt tot verdere stappen op de weg naar plaatselijke eenheid (zie 3.3).

1.3. Het bovengenoemde nauwer samenleven draagt een voorlopig karakter in afwachting van de verdere ontwikkeling ten aanzien van de toenadering tussen beide kerkverbanden

2. De weg tot nauwer samenleven - plaatselijk.

2.1. De nauwere samenleving kan alleen tot stand komen na genoegzame samensprekingen tussen de betrokken kerkeraden, waarbij gebleken is dat er metterdaad een eenheid is in erkenning en beleving van het Woord Gods en de belijdenis der kerken, alsook van de regels die op grond daarvan voor het kerkelijk leven gelden.

2.2. De kerkeraad van de Christelijke Gereformeerde Kerk moet over de voorgenomen nauwere samenleving de gemeente horen en haar bewilliging vragen; slechts bij een naar het oordeel van de kerkeraad genoegzame eenparigheid van gevoelen in de gemeente kan de kerkeraad verdere stappen doen tot de voorgenomen nauwere samenleving.

2.3. De kerkeraad van de Christelijke Gereformeerde Kerk moet vervolgens het oordeel van de classis vragen omtrent de voorgenomen nauwere samenleving.

2.4. De classis zal, lettende op de noodzaak om de eenheid en de zuiverheid van de leer en van de kerkregering te bewaren, zich met bijstand van de deputaten naar art. 49 K.O. overtuigen van de inhoud van de onder 2.1 bedoelde eenheid.

2.5. De classis zal door middel van de rondvraag naar art. 41 K.O. en van de kerkvisitatie naar art. 44 K.O. voortdurend haar aandacht geven aan de tot stand gekomen nauwere samenleving.

2.6. Indien kerkeraden van gemeenten waar een nauwer samenleven.tot stand is gekomen, willen overgaan tot een samenwerking als onder 3.3 bedoeld, zal dezelfde procedure als onder 2.2 tot en met 2.5 vermeld is, worden gevolgd, met inachtneming van wat in eerdere stadia besproken en besloten is.

3. De inhoud van het nauwer samenleven - plaatselijk.

3.1. Het nauwer samenleven kan uitkomen in de toelating van elkanders ongecensureerde leden tot elkanders avondmaalsviering, het aanvaarden van elkanders attestaties en het van tijd tot tijd in de dienst des Woords laten voorgaan van elkanders plaatselijke predikanten of van predikanten van andere plaatselijke kerken, waar hetzelfde nauwer samenleven tot stand is gekomen.

3.2. In het kader van deze regeling kunnen onze kerkeraden, die deze samenwerking kennen, ook predikanten van andere plaatselijk kerken van eigen kerkverband uitnodigen, die daartoe de bewilliging van hun eigen kerkeraad behoeven.

3.3. Bij de voortgang van het nauwer samenleven kan het komen tot een samenwerking waarbij de beide plaatselijke gemeenten vergaderen als één gemeente, uitkomend in de eenheid van leer, dienst en kerkregering, onverminderd het bepaalde in 1.2 en 1.3 inzake het zuiver plaatselijke en voorlopige karakter van deze nauwere samenleving.

4. De inhoud van het nauwer samenleven - classicaal.

4.1. Classes kunnen kerkeraden die gekomen zijn tot een nauwer samenleven machtigen ambtsdragers als waarnemers te zenden naar de classicale vergadering van het classicale ressort waartoe de gemeente, waarmee het nauwer samenleven tot stand is gekomen, behoort. Evenzo kunnen waarnemers uit het classicale ressort van de andere kerk van gereformeerd belijden in de eigen classicale vergadering ontvangen worden.

4.2. Indien Christelijke Gereformeerde Kerken en andere kerken van gereformeerd belijden in hetzelfde of nagenoeg hetzelfde ressort tot wederzijdse classicale overeenstemming komen en deputaten naar art. 49 K.O. zich hebben overtuigd van de inhoud van de in deze bijlage omschreven eenheid, heeft deze classis het recht de kerken in haar ressort toe te staan om aan de gevonden eenheid gestalte te geven naar analogie van de wijze, die in deze bijlage is vastgelegd, met dien verstande dat geen predikant zal voorgaan in plaatsen waar de Christelijke Gereformeerde Kerk hierin niet bewilligt.

2. Bijlage 9.

De synode besloot de artikelen 3 tot en met 7 van het bestaande reglement te laten vervallen en daarvoor in de plaats te zetten een

Voorlopige uitvoeringsregeling Studiefonds

Betreft: admissiate studenten die niet in aanmerking komen voor studiefinanciering ingevolge de Wot Studie Financiering (WSF).

1. Een student, die is toegelaten tot de studie in Apeldoorn en geen recht heeft op studiefinanciering ingevolge de Wet Studie Financiering, maar wel kan aantonen dat hij zonder een soortgelijke financiering niet kan studeren, kan een bijdrage aanvragen ten laste van het Studiefonds.

2. De aanvraag dient, op voorstel van het curatorium, te geschieden bij de secretaris van Deputaten-financieel en dient vergezeld te gaan van een uitvoerige beschrijving van de financiële - en gezinssituatie, waaruit in ieder geval blijkt hoeveel geld het eerste studiejaar nodig is, na aftrek van de door de student te verkrijgen inkomsten c.q. steun van ouders en/of familie.

3.1. Deputaten kunnen, in overleg met de adviseur van het Studiefonds, voor het eerste jaar een bijdrage resp. bijdragen toekennen die maximaal gelijk zijn aan de op dat moment voor de WSF geldende bedragen.

3.2. Met betrekking tot de WSF wordt in deze regeling bedoeld het regime dat geldt voor 18-27 jarigen.

3.3. leder jaar wordt de bijdrage getoetst en indien nodig aangepast aan de actuele omstandigheden.

4. In afwijking van de regeling volgens de WSF geldt met betrekking tot de reiskosten dat deze apart kunnen worden vergoed. Indien dit van toepassing is, wordt de kostprijs van de reiskosten vastgesteld in overleg met deputaten, teneinde deze kosten zoveel mogelijk te beperken.

5. Ten aanzien van de bijverdiensten zijn dezelfde regels van toepassing als die welke gelden volgens de WSF.

6.1. Van de bijdragen die in de WSF als basisbeurs gelden (inclusief de zogenaamde partnertoeslag), wordt een deel verstrekt als renteloze lening. Dit deel is gelijk aan het percentage (thans 80%) waarmee de basisbeurs is vrijgesteld van belastingheffing. Het overige deel (thans 20%), alsmede de bijdragen die in de WSF als aanvullende beurs gelden, vormen een uitkering, die in principe voor de inkomstenbelasting dient te worden aangegeven als inkomen.

6.2. Daar waar in de WSF sprake is van een rentedragende lening, worden de overeenkomstige bijdragen in het kader van deze regeling verstrekt als renteloze lening.

7.1. Het in de vorm van een renteloze lening verstrekte deel van de basisbeurs wordt in gelijke gedeelten kwijtgescholden over een periode die wordt gevormd door het aantal jaren dat de student als predikant in onze kerken dient tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd.

7.2 De renteloze lening ad 6.2. dient te worden terugbetaald in 15 jaar. De eerste aflossingen behoeven echter pas te geschieden in het derde jaar nadat de studie is beëindigd.

7.3. In principe dient lineair te worden afgelost in nader overeen te komen tijdvakken (jaarlijks, per kwartaal of maandelijks).

8.1. Indien de predikant bij overlijden nog een restant schuld heeft, wordt deze geheel kwijtgescholden.

8.2. Indien de predikant met vervroegd emeritaat gaat kunnen deputaten voorstellen aan het curatorium om het eventuele restant van de af te lossen lening geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden.

8.3. Indien de predikant het verband van onze kerken verlaat, dient hij, naast de verplicht af te lossen lening, ook het op dat moment nog resterende deel van de oorspronkelijk kwijt te schelden lening af te lossen in nader overeen te komen termijnen.

9. In gevallen waarin deze regeling niet voorziet, en waarin ook geen duidelijkheid is te verkrijgen in de WSF, beslissen deputaten na overleg met en goedkeuring van het curatorium.

10. Deze (voorlopige) regeling is goedgekeurd door het curatorium van de Theologische Universiteit te Apeldoorn, in de vergadering van 23 juni 1992.

3. Bijlage 10.

Reglement voor de Theologische Universiteit.

Artikel 1.

De Christelijke Gereformeerde Kerken onderhouden naar artikel 20 K.O. een Theologische Universiteit voor de opleiding tot dienaar des Woords. Zij is gevestigd te Apeldoorn. Verplaatsing kan geschieden bij besluit van de generale synode.

Artikel 2.

De Theologische Universiteit staat onder opzicht van een curatorium, dat door de generale synode wordt gemachtigd en geïnstrueerd.

Elke particulaire synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken wijst twee curatoren aan uit de predikanten, die zich in haar ressort bevinden, een wetenschappelijke opleiding hebben genoten en bij voorkeur minstens vijf jaar in het ambt staan.

Daarenboven benoemt de generale synode, op aanbeveling van het curatorium een secretaris-curator en een secundus secretaris-curator.

Artikel 3.

Het curatorium vergadert minstens driemaal per jaar ter plaatse waar de Theologische Universiteit is gevestigd.

De president van het curatorium wordt voor een jaar naar toerbeurt aangewezen. De hoogleraren van de Theologische Universiteit wonen de vergaderingen van het curatorium bij en hebben een adviserende stem.

Artikel 4.

Het curatorium neemt kennis van alles wat tot de Theologische Universiteit in betrekking staat. De zorg voor de goederen en gelden van de Theologische Universiteit is opgedragen aan daartoe door de generale synode benoemde deputaten. Hun taak wordt door de generale synode bij afzonderlijke instructie geregeld (zie bijlage 12 K.O.). Het curatorium zendt jaarlijks een gedrukt verslag van zijn werkzaamheden aan elke kerkeraad. Zo dikwijls de generale synode wordt gehouden, geeft het curatorium aan deze synode een verslag van de toestand van de Theologische Universiteit.

Artikel 5.

De generale synode benoemt de hoogleraren van de Theologische Universiteit bij voorkeur uit de predikanten van de Christelijke Gereformeerde Kerken. In elk geval moet de benoemde lid van deze kerken zijn.

Artikel 6.

Onder nadere goedkeuring van de generale synode kan het curatorium, gehoord het advies van de hoogleraren, universitaire docenten, resp. universitaire hoofddocenten, benoemen. Deze dienen bij voorkeur lid te zijn van één van de Christelijke Gereformeerde Kerken. In elk geval dienen zij schriftelijk in te stemmen met de gereformeerde belijdenis.

Artikel 7.

Door de generale synode worden, met advies van het curatorium, de vakken van onderwijs aan de hoogleraren toegewezen.

Artikel 8.

Eén van de hoogleraren fungeert als rector. Gedurende één jaar voert deze het bestuur van de Theologische Universiteit. De functie van rector wordt bij opvolging door de hoogleraren vervuld.

Artikel 9.

Gedurende de cursus houdt het college van hoogleraren vergaderingen om te bespreken wat in het belang van de Theologische Universiteit is.

Artikel 10.

De traktementen van hoogleraren en van anderen die aan de Universiteit doceren worden, onder goedkeuring van de generale synode, door deputaten-financieel van de Theologische Universiteit en door het curatorium vastgesteld. Wie ophoudt lid van een van de Christelijke Gereformeerde Kerken te zijn, verliest alle aanspraak op bezoldiging.

Artikel 11.

Wie tot de studie wil worden toegelaten moet een gymnasium/VWO-diploma of daarmee gelijkgesteld getuigschrift overleggen. Zij die een diploma van de Agrarische Hogeschool, Pedagogische Academie, Sociale Academie of Technische Hogeschool hebben, kunnen eveneens worden toegelaten.

Voordat de tentamens van het propaedeutisch jaar kunnen worden afgelegd, moeten eventuele deficiënties op het gebied van Grieks en Latijn opgeheven zijn. Zie artikel 17. Het met goed gevolg afgelegd hebben van een doctoraal examen aan een universiteit geeft ook het recht om toegelaten te worden tot de propaedeuse van de theologie.

Wie een voortentamen of colloquium hebben afgelegd volgens de regels van de Sectie theologie van de Academische Raad kunnen eveneens tot de propaedeuse worden toegelaten.

Studenten van de Theologische Universiteit zijn allen die door de rector in het Album Studiosorum zijn ingeschreven. In de regel kan men niet worden ingeschreven beneden de leeftijd van 17 jaren. Bij bijzonder gunstige aanleg kan hier een uitzondering op worden gemaakt.

Een student, die de Theologische Universiteit verlaat of daarvan wordt verwijderd krachtens besluit van het curatorium, gehoord het college van hoogleraren, wordt niet langer als student beschouwd in de zin van dit artikel.

Wanneer een nieuw-ingeschreven student bewijzen kan tonen van afgelegde propaedeutische of theologische examens aan een inrichting voor wetenschappelijk onderwijs, wordt in ieder geval afzonderlijk door het college van hoogleraren een beslissing genomen ten aanzien van vrijstellingen van tentamens of examens in enig vak. In het geval van het ontbreken van equivalentie kunnen aanvullende tentamens gevraagd worden.

Artikel 12.

Om te worden ingeschreven als student die opgeleid wordt voor het ambt van predikant in de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland moet men met gunstig gevolg het admissie-examen hebben afgelegd.

Bij het admissie-examen moet worden overgelegd, behalve het bewijs dat men minstens één jaar lid van een Christelijke Gereformeerde Kerk is, een getuigschrift betreffende godsvrucht en karakter, afgegeven door de kerkeraad van de kerk waartoe de aspirant behoort.

Het admissie-examen dat wordt afgenomen door het curatorium, bijgestaan door hoogleraren, omvat:

a. een onderzoek naar de vreze des Heren en de beweegredenen om evangeliedienaar te worden;

b. een onderzoek naar de kennis van de Bijbelse Geschiedenis en van de hoofdzaken van de gereformeerde geloofsleer, inzonderheid van de Heidelbergse Catechismus.

Het eerste jaar van inschrijving wordt altijd als een proefjaar beschouwd.

Artikel 13.

De theologische studie is over zes jaren verdeeld, met dien verstande dat het onderwijs in het eerste studiejaar een propaedeutisch karakter draagt en het onderwijs in het tweede tot en met het zesde studiejaar op het afleggen van het doctoraal examen gericht is.

Het onderscheid tussen het eerste deel van de doctorale studie (D I), dat drieënhalf jaar in beslag neemt, en het tweede deel (D II), dat niet meer dan anderhalf jaar duurt, bestaat hierin dat het eerste deel de basis vormt voor de specialisatie, die kenmerkend is voor het tweede deel.

De examina zijn de volgende:

a. het propaedeutisch examen, omvattend de vakken Hebreeuws, nieuwtestamentisch Grieks en patristisch Latijn.

Om tot dit examen te worden toegelaten moeten bewijzen worden overgelegd dat tentamen is gedaan in de overige propaedeutische vakken.

b. Het eerste deel van het doctoraal examen (D I), omvattende de vakken exegese Oude Testament, exegese Nieuwe Testament, dogmatiek, homiletiek en kerkrecht. Om tot dit examen te worden toegelaten moeten bewijzen worden overgelegd dat met goed gevolg het propaedeutisch examen is afgelegd en dat tentamen is gedaan in de overige vakken, die tot het eerste deel van de doctorale studie behoren.

c. het tweede deel van het doctoraal examen (D II), omvattend één hoofdvak en twee bijvakken. Zie de Hegels voorde doctorale studie.

Het is mogelijk te promoveren na met goed gevolg een doctoraal examen afgelegd te hebben, na een proefschrift geschreven te hebben met daarbij gevoegd tenminste zes niet op het onderwerp van het proefschrift betrekking hebbende wetenschappelijke stellingen en na voldaan te hebben aan de overige vereisten voor de promotie. Zie verder de Regels voor de promotie.

Artikel 14.

Het propaedeutisch examen van studenten die volgens artikel 12 ingeschreven zijn, wordt afgenomen door het college van hoogleraren. Hierbij zal het curatorium vertegenwoordigd zijn.

Het eerste deel van het doctoraal examen is een examen dat afgelegd wordt in een vergadering van het curatorium. Na gunstig advies van het college van hoogleraren wordt dan door het curatorium preekconsent verleend.

Het tweede deel van het doctoraal examen wordt eveneens in een vergadering van het curatorium afgelegd. Bij gunstige uitslag verleent het college van hoogleraren, met instemming van het curatorium, de graad van doctorandus in de theologie. Gehoord het advies van het college van hoogleraren stelt het curatorium hen die dit examen hebben afgelegd, op hun verzoek beroepbaar in de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland.

Zij die na dit examen verder studeren met het oog op een promotie, kunnen door het curatorium, gelet op hun verzoek en gehoord het advies van het college van hoogleraren, op een later tijdstip beroepbaar gesteld worden.

Indien iemand vóór zijn admissie-examen reeds tenminste twee jaar aan de Universiteit ingeschreven stond volgens artikel 16 van het Reglement, moet hij, nadat hij het admissie-examen met goed gevolg afgelegd heeft, tenminste drie semesters aan de Universiteit studeren alvorens beroepbaar gesteld te kunnen worden. Indien iemand vóór zijn admissie-examen nog niet aan de Universiteit ingeschreven was, moet hij, nadat hij het admissie-examen met goed gevolg afgelegd heeft, tenminste drie jaar aan de Universiteit studeren alvorens beroepbaar gesteld te kunnen worden.

Artikel 15.

De cursus loopt van begin september tot begin september.

De vakanties worden door het college van hoogleraren, onder goedkeuring van het curatorium, geregeld.

De studenten zijn verplicht de colleges die zij in overleg met het college van hoogleraren hebben aangevangen, trouw bij te wonen. Verzuim mag niet zonder toestemming van de rector geschieden.

Wanneer een student zich onbehoorlijk gedraagt, zullen de hoogleraren hem hierover onderhouden. Indien hij aan de vermaning geen gehoor geeft, zal hem door het college van hoogleraren de toegang tot de colleges worden ontzegd. De definitieve beslissing berust bij het curatorium.

Het college- en examengeld wordt door de deputaten-financieel bepaald. Wie de Theologische Universiteit verlaat of van haar wordt verwijderd heeft geen recht op terugbetaling.

Artikel 16.

Het college van hoogleraren kan, onder goedkeuring van het curatorium, personen tot de colleges en examens toelaten die geen admissie-examen hebben afgelegd, doch wel een getuigschrift van het eindexamen gymnasium/VWO of een bewijs van een aan een universiteit afgelegd theologisch examen of doctoraal examen kunnen overleggen, resp. voldoen aan de voorwaarden voor toelating die in artikel 11 genoemd zijn.

Het college kan, eveneens onder goedkeuring van het curatorium, personen uit het buitenland tot de colleges en examens toelaten, die naar het oordeel van het college over voldoende ontwikkeling beschikken om het onderwijs met vrucht te volgen. Allen die volgens dit artikel worden toegelaten tot de Theologische Universiteit moeten instemming betuigen met de gereformeerde belijdenisgeschriften.

Zij worden in een afzonderlijk register ingeschreven, staan onder toezicht van het college van hoogleraren en hebben zich te houden aan de regels die door dit college worden gesteld, terwijl hun, wanneer ze zich daaraan niet houden, de toegang tot de colleges kan worden ontzegd.

Het college- en examengeld voor deze studenten wordt door deputaten-financieel bepaald.

Artikel 17.

Voor hen die op grond van een diploma VWO of een ander in artikel 11 genoemd diploma worden ingeschreven volgens artikel 12 of artikel 16, maar wier kennis van Grieks en/of Latijn niet voldoende is om de propaedeutische studie met vrucht te kunnen volgen, is er een vooropleiding Klassieke Talen, die eveneens onder toezicht van het curatorium staat.

(Bijlage)
Regels voor de doctorale studie

1. Het eigen karakter van de studie aan de Theologische Universiteit van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland brengt met zich mee, dat ook bij de doctorale studie nadruk gelegd wordt op de bestudering van de reformatorische theologie.

2. Bij de doctorale studie zijn vier afstudeerrichtingen te onderscheiden’, bijbelse vakken, omvattende de studie van het Oude en het Nieuwe Testament; historische vakken, waaronder wordt verstaan de studie van de kerkgeschiedenis en van het kerkrecht;

systematische vakken, waaronder wordt verstaan de studie van de dogmatiek, de dogmageschiedenis en de ethiek;

diakoniologische vakken, waaronder wordt verstaan de studie van de praktisch-theologische vakken: de homiletiek, de poimeniek, de liturgiek, de catechetiek, de apologetiek, de evangelistiek en de missiologie.

3. De specialisatie die bij het tweede deel van de doctorale studie behoort, omvat de bestudering van een hoofdvak en de bestudering van twee bijvakken. Van deze drie vakken moet er altijd één bestaan uit de studie van het Oude of van het Nieuwe Testament. Een stage in de doctoraalfase die gepaard gaat met de bestudering van literatuur en/of het vervaardigen van een scriptie kan ook als een bijvak beschouwd worden. Bij de goedkeuring van de keuze van hoofdvak en bijvakken wordt door het college van hoogleraren (hierna te noemen: het college) gelet op genoegzame samenhang en diversiteit.

4. De initiële beheersing van een wetenschappelijke vraagstelling met betrekking tot het te bestuderen hoofdvak moet blijken uit de vervaardiging van een schriftelijk werkstuk op basis van eigen onderzoek, dat minimaal zeventig pagina’s (A4-formaat) moet omvatten. Het werkstuk moet een maand voor het examen toegezonden worden aan de betrokken examinator. Het onderwerp wordt na overleg met het college door de betrokken hoogleraar opgegeven.

5. De mogelijkheid bestaat voor een bijvak aan een andere theologische universiteit of faculteit te studeren, indien het college dat goedkeurt. Deze goedkeuring zal in de regel niet gegeven worden, wanneer het betreffende vak aan de Theologische Universiteit zelf bestudeerd kan worden.

6. De duur van het doctoraal examen is zeventig minuten. De examinatie van het hoofdvak duurt twintig minuten evenals de examinatie met betrekking tot het schriftelijk werkstuk voor het hoofdvak. De examinatie van elk van de bijvakken duurt vijftien minuten.

(Bijlage)
Regels voor de promotie

1. Het college van hoogleraren van de Theologische Universiteit (hierna te noemen: het college of de senaat) houdt zich bij het toekennen van het doctoraat zoveel mogelijk aan de regels van het geldende Academisch Statuut.

2. Voor elke promotie wijst het college een hoogleraar van de Universiteit aan.

3. Tot een promotie wordt buiten de vakanties te allen tijde gelegenheid gegeven. Het college kan om bijzondere reden toestaan, dat een promotie tijdens een van de vakanties geschiedt.

4. Toegang tot de promotie hebben zij die met goed gevolg een doctoraal examen in de theologie hebben afgelegd, als zij een proefschrift hebben geschreven met tenminste zes niet op het onderwerp van het proefschrift betrekking hebbende wetenschappelijke stellingen en als zij voldaan hebben aan de overige vereisten voor de promotie.

5. Evenals van studenten van de Theologische Universiteit wordt van de promovendi aan deze Universiteit gevraagd, dat zij instemming betuigen met de gereformeerde belijdenisgeschriften.

6. Na het doctoraal examen wordt het eerste stadium van de voorbereiding op de promotie gevormd door een zelfstandige studie van bronnen en literatuur met betrekking tot het onderwerp dat door de promovendus gekozen is. Alleen wanneer door de promotor (promotoren) naar aanleiding van deze studie een gunstig advies is uitgebracht, stemt het college in met de keuze van het onderwerp en deelt het aan de Nederlandse Universiteiten mee, dat met de bewerking van het proefschrift een aanvang gemaakt is.

7. Het proefschrift en de stellingen worden geschreven in het Nederlands, Duits, Engels of Frans. Is het proefschrift in het Nederlands geschreven, dan wordt daaraan een overzicht van de inhoud in het Duits, Engels of Frans toegevoegd; is het in een andere taal dan het Nederlands geschreven, dan wordt daaraan een overzicht van de inhoud in het Nederlands toegevoegd.

8. 1. Het proefschrift en de stellingen worden onderworpen aan de goedkeuring van de promotor of de promotoren, mede met het oog op het in artikel 5 bepaalde. Hij/zij ziet/zien erop toe, dat daarin niets voorkomt, strijdig met de openbare orde of de goede zeden.

2. Indien de promotor zijn goedkeuring meent te moeten onthouden zal hij daarvan geen kennis geven aan de promovendus dan na overleg met het college van hoogleraren.

3. In geval van een principieel meningsverschil waarbij de inhoud van artikel 5 en 8.1 in geding is, zal daarover geen uitspraak worden gedaan dan na overleg met het curatorium.

4. Voordat toestemming wordt gegeven tot drukken van het proefschrift, ontvangen alle hoogleraren een gekopieerd exemplaar op kosten van de promovendus.

5. De stellingen dienen vooraf aan het college te worden voorgelegd.

9. Zijn het proefschrift en de stellingen goedgekeurd, dan worden zij gedrukt, tijdig verspreid en op de dag en het uur, door het college vast te stellen, verdedigd op de wijze, in artikel 11 bepaald. Het college is bevoegd, geheel of gedeeltelijk, vrijstelling te geven van de verplichting om het proefschrift te doen drukken. In dat geval wordt het proefschrift of het niet gedrukte gedeelte daarvan vermenigvuldigd op een andere door het college goed te keuren wijze.

10. De toekenning van het doctoraat geschiedt door het voltallige college.

11. De promotie wordt in het openbaar gehouden. Aan de promovendus wordt gedurende een uui gelegenheid gegeven, zijn proefschrift en zijn stellingen te verdedigen tegen de bedenkingen van het college, alsmede van een ieder die tot het uitbrengen daarvan van de rector toestemming heeft verkregen. De verdediging geschiedt in het Nederlands, of met toestemming van de rector, in een andere taal.

12. Indien de promovendus blijk van meer dan gewone bekwaamheid heeft gegeven, kan het doctoraat ‘cum laude’ (met lof) worden toegekend.

13. Staken de stemmen over de toekenning van het doctoraat, dan wordt dit niet toegekend; staken zij over de verlening van het praedicaat ‘cum laude’, dan blijft dit achterwege.

14. Ten bewijze van de promotie ontvangt de gepromoveerde een in het Latijn of in het Nederlands gestelde bul, getekend door de rector van de Universiteit, de secretaris van het college en de promotor. De bijvoeging bedoeld in artikel 12 wordt op de bul vermeld.

15. Het college van hoogleraren kan, met goedkeuring van het curatorium, wegens zeer uitstekende verdiensten op het terrein van de theologische wetenschap de titel van ‘doctor honoris causa’ verlenen, waarbij het college bepaalt op welke wijze deze promotie plaatsvindt.

16. Terzake van de promotiestudie en wat daarmee samenhangt, brengt het college jaarlijks verslag uit aan het curatorium.

17. Wijziging van dit reglement geschiedt door het college van hoogleraren in overleg met het curatorium.

18. Het promotiereglement bevat de bij de voorgaande hoofdregels behorende nadere bepalingen.

4. Bijlage 34.

Instructie voor deputaten Financiële Zaken.

Artikel 1. Naam en samenstelling.

Het door de generale synode ingestelde deputaatschap voor financiële zaken bestaat uit vijf leden en een algemeen secundus, om de drie jaren door de generale synode te benoemen. De synode benoemt de voorzitter.

Tot lid kan niet worden benoemd:

a. het langstzittende lid van de aftredende deputaten;

b. hij/zij die deputaat is van één der kerkelijke kassen;

c. hij die door de generale synode tot quaestor is benoemd.

Artikel 2. Taak.

Het deputaatschap heeft tot taak overeenkomstig deze door de generale synode gegeven instructie inzake financiële aangelegenheden van generale synoden en hun deputaatschappen en - desgevraagd - van kerken, classes, synoden en deputaatschappen te informeren, te controleren, te beoordelen, te adviseren en te rapporteren.

Artikel 3. Deskundige bijstand.

Deputaten kunnen zich bij de uitoefening van hun taak doen bijstaan door een of meer deskundigen. Indien deze deskundige een accountant is dient hij certificeringsbevoegdheid te hebben. Elke generale synode bepaalt het bedrag dat deputaten daartoe in de volgende drie-jaarlijkse periode ten hoogste kunnen aanwenden. Het bedrag der gemaakte kosten wordt door bemiddeling van de quaestor der generale synode op advies van deputaten voor financiële zaken naar redelijkheid omgeslagen over de betrokken deputaatschappen.

Artikel 4. Informatie.

Deputaten gaan elk jaar aan de hand van de gepubliceerde loonindexcijfers en andere objectieve informatie na of en in hoeverre de minimum-predikantstractementen moeten worden gewijzigd. Zij doen van het resultaat van dat onderzoek mededeling aan de kerkeraden, classes en particuliere synoden vóór de aanvang van het nieuwe jaar. Deputaten geven tevens indicaties voor de te betalen vergoedingen voor bijzondere diensten in andere gemeenten en voor vergoedingen voor kosten.

Artikel 5. Controle.

Deputaten controleren jaarlijks de financiële administratie en de jaarstukken van alle kashoudende deputaatschappen die aan de generale synode verantwoording schuldig zijn, alsmede éénmaal per drie jaar die van de quaestor van de generale synode. Zij betrekken in hun onderzoek de volledigheid van de verantwoording van de ontvangsten, de rechtmatigheid van de uitgaven, de aanwezigheid en de wijze van belegging der bezittingen, het bestaan der vorderingen en het bestaan en de volledigheid van de schulden, de omvang van de liquiditeit en het vermogen, de doelmatigheid van de administratie, de tenaamstelling van de rekeningen, de beschikkingsbevoegdheid van de penningmeesters, de functiescheiding binnen het betreffende deputaatschap, de scheiding tussen kerkelijke en particuliere of andere administraties, en voorts alles wat tot de financiële verantwoording behoort. Zo nodig plegen zij overleg met de betrokkenen en in ieder geval geven zij van het resultaat der controle kennis aan het betrokken deputaatschap opdat dit zijn penningmeester kan dechargeren. Indien deputaten menen dat uitgaven wel rechtmatig maar misschien niet (geheel) doelmatig zijn, geven zij hiervan kennis aan het betrokken deputaatschap.

Artikel 6. Beoordeling.

Deputaten beoordelen vóór de aanvang van de drie-jaarlijkse generale synode de driejaarlijkse begrotingen en de voorgestelde minimum-bijdragen van alle kashoudende deputaatschappen die aan de generale synode verantwoording schuldig zijn.

Deputaten zijn gemachtigd desgevraagd een van het besluit van de generale synode afwijkende minimum-bijdrage vast te stellen voor die kashoudende deputaatschappen die in enig jaar door onvoorziene omstandigheden een exploitatietekort van meer dan 10% van de begrote uitgaven hebben en wier liquiditeits- en/of vermogenspositie dit moeilijk kan dragen. Zij geven van zulk een besluit kennis aan het aanvragende deputaatschap en aan deputaten Kerkelijk Administratief Bureau, die het nader vastgestelde bedrag opnemen in de minimum-bijdragenlijst bij het collecterooster.

Artikel 7. Advies.

Deputaten dienen alle kashoudende deputaatschappen die aan de generale synode verantwoording schuldig zijn, en de quaestor van de generale synode, alsmede desgevraagd alle andere kerkelijke vergaderingen en instanties van advies in aangelegenheden betreffende hun financieel beheer.

Zij streven daarbij naar uniformiteit in de onderscheiden jaarstukken en geven voorschriften voor de grondslagen van waardering van activa en passiva (waaronder verplichtingen) en de grondslagen voor de bepaling van het resultaat. Zij geven tevens voorschriften voor de indeling van de financiële jaarverslagen.

Zij geven richtlijnen ter zake van de arbeidsovereenkomsten met kerkelijke werkers en medewerkers van deputaatschappen.

Artikel 8. Rapport.

Deputaten brengen aan elke drie-jaarlijkse generale synode rapport uit:

a. van de door hen verrichte werkzaamheden;

b. van het resultaat der door hen ingestelde controle met advies omtrent het al of niet verlenen van décharge over de gecontroleerde tijdvakken aan de beheerders van de kassen;

c. van de naar hun mening door de generale synode te geven aanwijzingen of opdrachten;

d. van de vermogenspositie van de onderscheiden kassen;

e. van hun beoordeling van de voorgestelde begrotingen.

Voorzover dit rapport het beleid van bepaalde deputaatschappen of personen dan wel de vermogenspositie betreft, heeft het een vertrouwelijke karakter.

C. TOEVOEGINGEN EN WIJZIGINGEN IN BIJLAGEN

1. Bijlage 2.

Instructie voor de deputaten voor de geestelijke verzorging van gehandicapten en de behartiging van het ziekenhuispastoraat.

De synode besloot de naam van dit deputaatschap te veranderen in: deputaten voor het pastoraat in de gezondheidszorg.

Artikel 1 wordt:

“Het deputaatschap voor het pastoraat in de gezondheidszorg bestaat uit minstens vier leden, die door de generale synode benoemd worden”.

2. Bijlage 3.

Instructie voor de deputaten voor de geestelijke verzorging van de militairen.

De synode besloot aan bepaling 2. toe te voegen:

“f.gestalte te geven aan de blijvende verantwoordelijkheid van de kerken voor die leden, die in het kader van de militaire dienst gedurende langere tijd in het buitenland verblijven en wel door middel van het onderhouden en/of doen onderhouden van contact met hen”.

3. Bijlage 4.

Instructie voor de deputaten voor onderlinge bijstand en advies.

(zie Acta 1989, art. 114).

De synode besloot art. 4 sub d. als volgt te wijzigen:

“Aan kerken met minder dan 200 zielen kan bijstand worden toegezegd tot ten hoogste 30% van de predikantskosten en aan kerken met minder dan 150 zielen ten hoogste 40% van de predikantskosten. Een en ander met inachtneming van hetgeen in art. 4 sub a. bepaald is ten aanzien van neveninkomsten”.

4. Bijlage 22.

Regeling voor de buitenlandse zending.

De synode besloot art. 1 als volgt te wijzigen:

“Teneinde aan niet-gekerstende en ontkerstende volken het Evangelie te verkondigen…”

5. Bijlage 23.

Instructie voor de deputaten voor de hulpverlening in binnen- en buitenland.

De synode besloot in art. 1 te laten vervallen de woorden:

“waaronder één lid van ADMA-deputaten”.

6. Bijlage 28.

Reglement voor het deputaatschap kerkelijke archieven.

De synode besloot art. 3 aan te vullen met:

“e. het beheer en het toezicht op het beheer van het Documentatiecentrum”.

D. BELANGRIJKE UITSPRAKEN VIA INSTRUCTIES EN BEZWAARSCRIFTEN.

1. Psalmen in de nieuwe berijming.

De synode besloot:
er bij de Interkerkelijke Stichting voor het Kerklied op aan te dringen, dat er opnieuw een afzonderlijke uitgave van de Nieuwe Berijming beschikbaar komt.

2. ‘Vertaling-2000’.

De generale synode
constaterend

1. dat het Nederlands Bijbelgenootschap ons niet verzoekt officieel te participeren in het vertaalproject ‘Vertaling-2000’;

2. dat de beslissing deze vertaling tot stand te brengen door het Nederlands Bijbelgenootschap reeds genomen is;

3. dat het van groot belang is - ongeacht de reactie van onze kerken op de dan gereedgekomen vertaling - dat een zo goed en betrouwbaar mogelijke bijbelvertaling tot stand komt;

4. dat de hoogleraren van de vakgroep Bibliologie van de Theologische Universiteit te Apeldoorn reeds betrokken zijn bij het project als boven bedoeld;

besluit

1. de brief van het Nederlands Bijbelgenootschap voor kennisgeving aan te nemen;

2 het Nederlands Bijbelgenootschap van dit besluit op de hoogte te stellen.

3. Biddagen - art. 66 K.O.

De synode besloot

aan de classis ’s-Gravenhage te verzoeken de generale synode van 1995 te dienen met de gevraagde bezinning en een concreet voorstel over de wijze waarop inhoud kan worden gegeven aan de intentie van art. 66 K.O.

4. Bezwaarschrift Rotterdam-Centrum.

De generale synode

kennis genomen hebbend

1. van het appel van de kerkeraad van Rotterdam-Centrum tegen het besluit van de particuliere synode van het Zuiden d.d. 10 juni 1992;

2. van het oordeel van de particuliere synode van het Zuiden dat de kerkeraad van Rotterdam-Centrum heeft nagelaten het “wat” en “hoe” van de samensprekingen in de vorm van een behoorlijke schriftelijke verslaggeving toegankelijk te maken voor de classis en de deputaten naar art. 49 K.O.;

3. van het oordeel van de particuliere synode dat derhalve het getuigenis van de kerkeraad van Rotterdam-Centrum onvoldoende verifieerbaar is en er niet volledig voldaan is aan de in bijlage 8 K.O. gestelde vereisten;

constaterend

1. dat de classis Rotterdam haar besluit tot afwijzing van de instructie van de kerkeraad van Rotterdam-Centrum om te komen tot nauwer samenleven met de Nederlands Gereformeerde Kerk van Rotterdam-Overschie niet heeft onderbouwd;

2. dat de kerkeraad van Rotterdam-Centrum daardoor in het onzekere is geraakt over de motieven die de classis tot deze afwijzing brachten;

3. dat de motivatie van de kerkeraad in zijn appel bij de particuliere synode van het Zuiden berust op vermoedens met uitzondering van de punten 1, 2a en 3;

4. dat de particuliere synode van het Zuiden het getuigenis van de kerkeraad van Rotterdam-Centrum onvoldoende verifieerbaar acht en stelt dat er niet volledig is voldaan aan de in bijlage 8 K.O. gestelde vereisten;

5. dat de kerkeraad van Rotterdam-Centrum haar beschuldiging, dat in het ressort van de particuliere synode van het Zuiden niet uitsluitend gehandeld wordt op basis van Schrift, belijdenis en aangenomen kerkorde/synodale bepalingen, niet heeft bewezen;

van oordeel

1. dat de particuliere synode van het Zuiden er terecht op gewezen heeft dat de classis Rotterdam nalatig is geweest in het onderbouwen van haar besluit en dat de classis Rotterdam na herbezinning die onderbouwing alsnog dient te geven;

2. dat vermoedens geen grond kunnen vormen voor toewijzing van een appel;

3. dat de particuliere synode terecht heeft uitgesproken dat de classis Rotterdam de aangewezen kerkelijke vergadering is om de in bijlage 8 K.O. vereiste eenheid te beoordelen;

4. dat de kerkeraad van Rotterdam-Centrum door middel van genoegzame samensprekingen voldaan heeft aan bijlage 8 K.O., sub 2a;

5. dat de kerkeraad het “wat” en “hoe” van de samensprekingen op behoorlijke wijze schriftelijk heeft verslagen;

6. dat de kerkeraad nog niet volledig voldaan heeft aan het verzoek van de classis om inzage te geven in de schriftelijke verslaglegging van de samensprekingen over de prediking;

7. dat het vanzelfsprekend geacht mag worden, dat de eenheid in erkenning en beleving van het Woord Gods en de belijdenis van de kerken, alsook van de regels die op grond daarvan voor het kerkelijk leven gelden door de classis beoordeeld moet worden op grond van de beschikbare objectieve gegevens;

8. dat de kerkeraad van Rotterdam-Centrum op korte termijn een samenspreking met de Nederlands Gereformeerde Kerk van Rotterdam-Overschie moet houden over de punten 4a tot en met 4d uit de Acta G.S. 1989 (blz. 274);

9. dat het vanzelfsprekend geacht mag worden dat de grondregels van ons kerkelijk handelen en besluiten in de kerkelijke vergaderingen geëerbiedigd worden, reden waarom het overbodig is dit nog eens apart uit te spreken;

besluit

1. met de particuliere synode van het Zuiden uit te spreken dat de classis Rotterdam nalatig is geweest in de onderbouwing van haar besluit genomen in de vergadering van 2 juli 1991;

2. het appel van de kerkeraad van Rotterdam-Centrum verder af te wijzen;

3. een generaal-synodale commissie van bijstand te benoemen, die aan de volgende synode van haar werkzaamheden dient te rapporteren;

4. de particuliere synode van het Zuiden te verzoeken er bij de classis op aan te dringen de commissie van bijstand volledige medewerking te verlenen bij de uitvoering van haar instructie en daartoe het moderamen van de particuliere synode te verzoeken deze bijeen te roepen;

5. er bij de kerkeraad van Rotterdam-Centrum op aan te dringen - op korte termijn - een samenspreking te houden met de kerkeraad van de Nederlands Gereformeerde Kerk te Rotterdam-Overschie over de punten 4a tot en met 4d uit de Acta G.S. 1989 (blz. 274) als zijnde het enige punt waaraan de kerkeraad nog niet volledig voldaan heeft aan de in bijlage 8 K.O. gestelde vereisten;

6. de kerkeraad van Rotterdam-Centrum te verzoeken volledige medewerking te verlenen aan de commissie van bijstand bij de uitvoering van haar instructie;

7. aan het verzoek om de kerkeraad van Rotterdam-Centrum toestemming te geven om te komen tot nauwer samenleven met de Nederlands Gereformeerde Kerk van Rotterdam-Overschie niet te voldoen;

8. te verklaren dat het overbodig is uit te spreken dat in de kerken gehandeld wordt op basis van Gods Woord en de drie Formuliereen van Enigheid, de Dordtse Kerkorde en verdere synodale bepalingen van onze kerken;

9. van deze uitspraak kennis te geven aan:

a. de kerkeraad van Rotterdam-Centrum;

b. de particuliere synode van het Zuiden;

c. de classis Rotterdam.

5. Instructies voor de commissies van bijstand

a. Commissie van bijstand in de kwestie classis Rotterdam.

1. Toelichting geven bij het besluit van de generale synode op de classis Rotterdam en bij de kerkeraad van Rotterdam-Centrum;

2. bij de kerkeraad van Rotterdam-Centrum aandringen op het verlenen van volledige medewerking aan een constructieve, efficiënte en zorgvuldige behandeling van het besluit van de generale synode;

3. bij de classis Rotterdam erop aandringen zich te herbezinnen op haar genomen besluit inzake de instructie van de kerkeraad van Rotterdam-Centrum, waarbij betrokken moet worden de schriftelijke rapportage van de kerkeraad van Rotterdam-Centrum over de samenspreking met de Nederlands Gereformeerde Kerk van Rotterdam-Overschie over de punten 4a tot en met 4d uit de Acta van de generale synode 1989 (blz. 274);

4. de classis Rotterdam en de kerkeraad van Rotterdam-Centrum assisteren bij de uitvoering van het besluit van de generale synode.

b. Commissie van bijstand in de kwestie classis Haarlem.

1. Toelichting geven van het besluit van de generale synode op de classis Haarlem;

2. assisteren van de classis Haarlem bij de uitvoering van dit besluit.

E.BETREFFENDE DEPUTAATSCHAPPEN.

1. Emeritikas.

De synode besloot:

a. goed te keuren dat de bijdrage van de kerk van Carambei-Colónia aan de kas art. 13, met ingang van 1990, berekend wordt naar de helft van het ledental;

b. deputaten op te dragen de generale synode 1995 nader te informeren en te adviseren over de toepassing van art. 8 van hun instructie;

c. deputaten op te dragen voorshands voort te gaan met het beleid dat sinds 1969 is gevoerd;

d. het voorstel van de deputatenminderheid thans te verwerpen;

e. een studie- en adviescommissie van 5 leden te benoemen met opdracht de generale synode 1995 te adviseren over de gewenste toekomstige regeling met inachtneming van het unanieme principiële uitgangspunt, de bestaande regeling, de door de adviescommissie ingebrachte praktische uitgangspunten en het door de synodale commissie aangevoerde pleidooi, waarbij bij welke wijziging van de huidige regeling dan ook, een overgangsregeling dient te worden gepresenteerd.

2. A. Theologische Universiteit.

De synode besloot:

a. aan prof. dr. J. van Genderen op de meest eervolle wijze emeritaat te verlenen met ingang van 1 september 1993;

b. met ingang van 1 januari 1993 in de vacature prof. dr. B.J. Oosterhoff te benoemen tot hoogleraar in de oudtestamentische vakken, bijbels Hebreeuws en bijbelse Oudheidkunde dr. H.G.L. Peels te Apeldoorn;

c. in de aanstaande vacature prof. dr. J. van Genderen, met ingang van 1 september 1993, tot hoogleraar in de dogmatische vakken en enkele vakken in de propaedeuse te benoemen dr. J.W. Maris te Hilversum;

d. goedkeuring te hechten aan de herbenoeming van dr. T. Brienen, dr. J.W. Maris en drs. J.C.L. Starreveld tot universitaire docenten aan de Theologische Universiteit;

e. goedkeuring te hechten aan de herbenoeming van drs. W. Meijer tot universitair docent aan de Theologische Universiteit in een aantal oudtestamentische vakken voor de cursus 1992/1993, onder nadere bepaling van de vakken waarin hij in het tweede semester zal doceren;

f. na verkregen opheldering van de zijde van het curatorium en mede op grond van de bereidverklaring van het curatorium om verder met prof. Boertien te spreken goedkeuring te hechten aan de herbenoeming van prof. dr. M. Boertien tot studiebegeleider voor het bijvak Judaica voor de cursus 1992-1993;

g. goedkeuring te hechten aan de benoeming van drs. B.J. Dikken tot universitair docent om colleges te geven in de Missiologie, de Godsdienstwetenschap en Oecumenica;

h. goedkeuring te hechten aan de herstructurering van de studie overeenkomstig het voorstel van het curatorium;

i. het curatorium op te dragen in samenwerking met het college van hoogleraren binnen het kader van D II een plan uit te werken waarin aan de praktisch-geestelijke vorming van de studenten inhoud wordt gegeven en over het resultaat in de volgende synode verslag te doen;

j. het curatorium aan te bevelen bij het afnemen en de beoordeling van het examen D II voltallig aanwezig te zijn;

k. het voorstel terzake aanpassing van het reglement voor de Theologische Universiteit te aanvaarden;

l. het curatorium op te dragen van de wijzigingen van het reglement voor de Theologische Universiteit kennis te geven aan de Minister van Onderwijs en Wetenschappen en aan alle instanties die daarvoor in aanmerking komen;

m. het curatorium machtiging te verlenen om na te gaan in hoeverre het mogelijk is studenten met een HBO-opleiding theologie (na aan eventuele aanvullende eisen te hebben voldaan) tot de doctorale studie toe te laten. Een beslissing hierover zal dan door het college van hoogleraren ter goedkeuring voorgelegd worden aan curatoren;

n. het curatorium en deputaten-financieel van de Theologische Universiteit op te dragen met het oog op de aanwending van de gelden voor de bibliotheek een bibliotheek-commissie in te stellen en het administratieve beheer van het fonds op te dragen aan deputaten-financieel van de Theologische Universiteit.

B. Deputaten financieel beheer Theologische Universiteit.

De synode besloot:

a. het saldo van het fonds Jubileumgave toe te voegen aan het eigen vermogen;

b. 1. het bepaalde in de artikelen 3 t/m 7 van het huidige reglement voor het studiefonds te laten vervallen en daarvoor in de plaats op te nemen de “Voorlopige uitvoeringsregeling Studiefonds”;

2. een commissie ad hoc te benoemen, die:

- ter uitvoering van het gestelde onder punt 9 van de voorlopige uitvoeringsregeling, na overleg met het curatorium en deputaten, een bindend advies opstelt;

- een definitieve regeling ontwerpt, aan te bieden op de synode van 1995;

c. toestemming te verlenen tot een interne verbouwing van het gebouw van de Theologische Universiteit;

d. het curatorium en deputaten-financieel op te dragen met het oog op de aanwending van de gelden voor de bibliotheek een bibliotheek-commissie in te stellen en het administratieve beheer van het fonds op te dragen aan deputaten-financieel van de Theologische Universiteit.

3. Evangelieverkondiging onder Israël.

De synode besloot:

a. deputaten op te dragen hun bezinning voort te zetten en daarbij met voorrang aandacht te schenken aan de onderwerpen die door de generale synode van 1989 zijn aangegeven, alsmede rekening te houden met de opmerkingen en wensen die op deze synode zijn geuit;

b. de naam van het deputaatschap ongewijzigd te laten;

c. deputaten volmacht te geven uit te zien naar een opvolger voor ds. Van der Vegt;

d. deputaten op te dragen zich in verband met de opvolging van ds. Van der Vegt opnieuw te bezinnen op de vraag hoe het werk in Israël op de beste wijze kan worden voortgezet, hierbij rekening houdend met de ter synode en in het overleg tussen commissie en deputaten gemaakte kritische opmerkingen en hierover te rapporteren aan de volgende synode;

e. deputaten op te dragen de noodzakelijk geachte bezinning te laten verrichten en daarvoor geen bezinnings- en toerustingsbudget toe te kennen;

f. deputaten op te dragen het onderzoek af te ronden naar de mogelijkheden om contacten aan te gaan met “Christian Witness to Israel” en daarover te rapporteren aan de volgende synode;

g. deputaten te herinneren aan het besluit dat de generale synode van 1986 met betrekking tot het OJEC heeft genomen en hen op te dragen binnen dit overlegorgaan een bijbels-theologisch verantwoord geluid te laten horen.

4. Buitenlandse zending.

De synode besloot:

a. deputaten mandaat te verlenen om per 1 januari 1995 te voorzien in de vacature van eerste secretaris en deze voor te dragen voor benoeming aan de generale synode 1995;

b. goedkeuring te verlenen aan de status van zendende kerk voor de kerk van Thesinge;

c. goedkeuring te hechten aan de status van zendende kerk voor de kerk van Urk-Maranatha;

d. goedkeuring te hechten aan de aanvulling op de taakomschrijving van de algemeen voorzitter en zijn dienstverband uit te breiden tot 3/5 weektaak;

e. goedkeuring te hechten aan de keuze van Botswana als nieuw zendingsgebied;

f. deputaten opdracht te verlenen uit te zien naar een vijfde zendingsgebied en de zendingsarbeid, indien de mogelijkheid zich daartoe voordoet, aan te vangen;

g. deputaten op te dragen de Gereja Toraja Mamasa (GTM) te berichten dat de synode met droefheid kennis genomen heeft van het schrijven van de GTM, waarin wordt meegedeeld dat zij blijft bij het besluit om alle ambten open te stellen voor de zusters der gemeente en dat de synode met droefheid constateert dat onze kerken op dit punt verschillende wegen gaan;

h. 1. deputaten te machtigen garant te staan voor de kosten van buitenlandse studenten, afkomstig uit één van de zendingsgebieden, tot maximaal f 70.000.— per jaar;

2. de hieraan verbonden financiële consequenties te bekostigen uit de huidige budgetten;

3. voorshands niet over te gaan tot fondsvorming buitenlandse studenten;

4. deputaten te vragen aan de hand van opgedane ervaringen aan de synode van 1995 eventueel voorstellen te doen om tot fondsvorming over te gaan;

i. deputaten op te dragen uiterlijk bij hun jaarrapport-1993 aan deputaten Financiële Zaken duidelijkheid te verschaffen over de gebleven vragen uit 1989-1991 en zich met betrekking tot de voorzieningen te voegen naar de methode van deputaten Financiële Zaken;

j. goedkeuring te hechten aan de overdracht van het zendingswerk in Venda en de Sinode Soutpansberg, zoals dit is neergelegd in de Agreements of Transference.

5. Evangelisatie.

De synode besloot:

a. deputaten op te dragen te onderzoeken op welke wijze het evangelisatiewerk in Amsterdam kan worden voortgezet en daartoe opnieuw in overleg te treden met de kerkeraad van Amsterdam-Nieuw-West;

b. uit te spreken dat na de emeritering van de huidige vrijgestelde, deze functie vooralsnog niet zal worden gecontinueerd;

c. deputaten op te dragen nader te onderzoeken of de taak die aan de algemeen functionaris was opgedragen ook op een andere wijze kan worden vervuld;

d. deputaten op te dragen - indien blijkt dat de benoeming van een algemeen functionaris noodzakelijk blijft - zich nader te bezinnen op de voorgestelde instructie en daarbij rekening te houden met de ter synode geuite wensen en bezwaren.

6. Steun kerken in de polders.

De synode besloot:

a. het deputaatschap voor de steunverlening aan de kerken in de polders rond het IJsselmeer op te heffen;

b. de vermogensbestanddelen van het deputaatschap over te dragen aan het deputaatschap voor onderlinge bijstand en advies;

c. de financiële verplichtingen, die deputaten zijn aangegaan met betrekking tot

1. de steunverlening aan de kerk van Harderwijk ten behoeve van de wijk Zeewolde;

2. de pensioenvoorziening van br. G. Visser over te dragen aan het deputaatschap voor onderlinge bijstand en advies met dien verstande, dat de uitvoering van de financiële verplichtingen geschiedt conform de door deputaten voor de steunverlening aan de kerken in de polders rond het IJsselmeer aangegane overeenkomsten, met dien verstande, dat vanaf 1 januari 1994 de steun aan de kerk van Zeewolde - of indien nog geen instituering heeft plaatsgevonden, van de kerk van Harderwijk/Zeewolde - zal plaatsvinden volgens de normen, die deputaten voor onderlinge bijstand en advies hanteren;

d. de moderamenleden van het deputaatschap opdracht te geven om zorg te dragen voor een goede overdracht.

7. Onderlinge bijstand en advies

De synode besloot:

a. deputaten op te dragen de diakonie van de kerk van Apeldoorn-Oost bij te staan in de zorg voor de kinderen-Hibbel en hun te vragen na te gaan of en in hoeverre regelingen voor onderlinge diakonale bijstand nodig zijn;

b. het deputaatschap voor de steunverlening aan de kerken in de nieuwe polders rond het IJsselmeer met ingang van 1 januari 1993 op te heffen en de vermogensbestanddelen en financiële verplichtingen van dat deputaatschap per 1 januari 1993 onder te brengen bij de deputaten voor onderlinge bijstand en advies.

8. Radio-kerkdienstuitzendingen.

De synode besloot:
deputaten op te dragen er bij de IKON op aan te dringen af te zien van het voornemen de film “The last temptation of Christ” uit te zenden.

9. Geestelijke verzorging van de militairen.

De synode besloot:
aan deputaten opnieuw op te dragen te onderzoeken of er mogelijkheden zijn om met andere vergelijkbare deputaatschappen uit de Gereformeerde Gezindte zorg te dragen voor de geestelijke verzorging van onze militairen die in het buitenland, met name in West-Duitsland, moeten dienen.

10. Contact met de kerkjeugd.

De synode besloot:

a. deputaten op te dragen

1. het resultaat van het onderzoek naar de leef- en denkwereld van jongeren zo spoedig mogelijk af te ronden en praktisch te maken voor het jeugdwerk in onze kerken;

2. te doen wat in hun vermogen ligt om, in overeenstemming met de instructie van deputaten, aan de gehele kerkjeugd schriftuurlijke voorlichting en leiding te geven;

3. het gesprek met de C.G.J.O. voort te zetten in de zin zoals het in de instructie bedoeld is en in overeenstemming met de intentie van de synodebesluiten - niet alleen van 1944 en 1968, maar ook van 1974 en 1989 -, teneinde daarin de C.G.J.O. te stimuleren, te steunen, te adviseren en - waar nodig - aan te dringen op correctie, opdat in het werkmateriaal en de activiteiten van de C.G.J.O. haar grondslag duidelijk tot uitdrukking komt en zo de verontrusting en zorg daarover in de kerken wordt weggenomen;

4. met de L.C.J., als voluit erkende jongerenorganisatie binnen onze kerken, het gesprek voort te zetten in de zin zoals het in de instructie bedoeld is;

5. pogingen in het werk te (blijven) stellen de C.G.J.O. en de L.C.J. met elkaar in gesprek te brengen en daarbij een brugfunctie te vervullen;

b. voorts deputaten op te dragen de generale synode van 1995 te dienen met:

1. een bezinningsstuk, waarin de resultaten van het onderzoek naar de leef- en denkwereld van jongeren verwerkt zijn en waarin zij de richting aangeven waarin het jeugdwerk - en dus ook het jeugd- en jongerenwerk - in onze kerken zich zou moeten ontwikkelen, om in het huidige geseculariseerde tijdsgewricht jongeren onder Gods zegen - in de vreze des Heeren - toe te rusten tot een leven uit en naar het Evangelie in alle verbanden van het leven;

2. een gefundeerd voorstel om met het oog op de gevaren en uitdagingen van deze tijd gestalte te geven aan de relatie tussen kerk en jeugdwerk - en dus ook het jeugd- en jongerenwerk -, waarbij het nodig kan zijn de bepaling van die relatie, zoals die is vastgelegd in de instructie van deputaten, na constructief overleg met de jongerenorganisaties bij te stellen.

11. Kerk en onderwijs.

De synode besloot:

a. deputaten op te dragen in de komende periode:

1. een onderzoek in te stellen naar de betrokkenheid van kerkeraden en kerkleden bij de onderwijsproblematiek, over de resultaten te rapporteren en voorstellen te doen aan de volgende generale synode;

2. het rapport over de reformatorische en gereformeerde (vrijgemaakt) scholen toe te zenden aan de kerkeraden, opdat het aan de kerken dienstbaar gemaakt kan worden;

3. zich zo mogelijk met classicale commissies te bezinnen op de vraag naar de zin van de voortzetting van de regionalisatie en dienaangaande voorstellen te doen aan de volgende generale synode;

b. deputaten toestemming te geven de kerkleden toe te rusten in hun taak aangaande het protestants christelijk onderwijs door middel van publicaties.

12. Pastoraat in de gezondheidszorg.

De synode besloot:
de naam van het deputaatschap te wijzigen in “Deputaten voor het pastoraat in de gezondheidszorg”.

13. Algemene diakonale en maatschappelijke aangelegenheden.

De synode besloot:

a. deputaten op te dragen te stimuleren dat diakonaal huisbezoek inhoudelijk en beleidsmatig in de kerken (de gemeente, de kerkeraad en de classicale diakonale commissies) aan de orde komt;

b. deputaten op te dragen zich te bezinnen op de wijze van functioneren van de diakenen op de kerkelijke vergaderingen en op de wijze waarop het diakonaat op de kerkelijke vergaderingen aan de orde komt; hierover te rapporteren op de volgende generale synode en die vergadering te dienen met voorstellen in het licht van de besluiten sinds 1962;

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.