+ Meer informatie

Terug naar Pinksteren ?

3 minuten leestijd

De vorige keer kwamen wij tot de conclusie dat Paulus in de hoofdstukken 1 Corinthe 12—14 de tongen taal niet afwijst omdat verschillende pas bekeerde heidenen dit teken nog nodig hadden tot versterking van hun geloof, maar Paulus waarschuwt in deze hoofdstukken toch dringend tegen overschatting van de tongentaai en vermaant tot matiging.

Alen streefde in Corinthe teveel naar het buitengewone, dat voorbij zou gaan en verloor het gewone en blijvende uit het oog.

Daarom schrijft hij in 1 Cor. 12 : 31: Doch ijvert naar de beste (hoogste) gaven. En ik wijs U een weg, die nog uitnemender is" (die nog veel verder omhoog leidt).

En wat zijn dan die beste gaven, waar de Corinthiërs vooral naar moeten ijverren? Wel, die worden door de apostel direct daarop genoemd in het volgende hoofdstuk 1 Cor. 13, namelijk geloof, hoop en liefde.

Wat de sekten van onze dagen als het hoogste nastreven, namelijk de bijzondere Geestesgaven van tongentaai, profetie, genezing etc., ziet de apostel als iets van lagere orde en als iets wat niet blijvend is. De hoogste en de blijvende Geestesgaven zijn geloof, hoop en liefde. Paulus schrijft immers in 1 Cor. 13 : 8: De liefde vergaat nimmermeer; maar hetzij profetiën (een bijzondere Geestesgave dus) zij zullen teniet gedaan worden; hetzij talen (tongentaai) zij zullen ophouden, hetzij kennis (dit is niet de gewone kennis, maar de bijzondere Geestesgave van de gnosis, waardoor men bijzondere kennis van de heilsgeheimen Gods had) zij zal teniet gedaan worden."

Paulus zegt hier dus heel duidelijk in dit hoofdstuk clat alleen geloof, hoop en liefde blijvend aan de kerk geschonken zijn. De andere bijzondere Geestesgaven zoals profetie, tongentaai en gnosis gaan voorbij. Die zijn maar voor een poosje aan de kerk gegeven, alleen maar van de beginperiode.

De kerk moet er dus aan ontgroeien. Daarom zegt Paulus in 1 Cor. 13 : 11: Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind, overlegde ik als een kind, maar wanneer ik een man geworden ben, zo heb ik teniet gedaan, hetgeen eens kinds was."

Dus die bijzondere Geestesgaven, die de sekte van onze dagen zo nastreven, behoren bij het kinderlijk stadium van de kerk. Ook het spreken in tongen is het spreken van een kind.

En Paulus stelt dus, clat de kerk er langzamerhand aan moet ontgroeien. Wanneer cle kerk een man is geworden, tot volwassenheid is gekomen en dus het kinderlijk stadium van de pas ontstane gemeente achter zich heeft, moet ze afleggen hetgeen des kinds is, dus ook het kinderlijk spreken in tongen en al die andere bijzondere Geestesgaven.

Paulus stelt hier dus heel uitdrukkelijk dat die bijzondere Geestesgaven zullen verstommen in de tijd, dat geloof, hoop en liefde er nog zullen zijn.

Dat zijn de drie hoogste gaven en die zijn blijvend en van die drie is de liefde de meeste, omdat geloof en hoop alleen voor cle aardse bedeling zijn, terwijl de liefde ook zal blijven in cle hemel.

De volgende keer hopen wij hier verder over te spreken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.