+ Meer informatie

Zending in Knoaesia

Bezoek aan een afgelegen station

5 minuten leestijd

Het is vrijdag 10 januari 1958. Twee auto's verlaten het zendingsstation Mbuma. In de auto's zitten ds. Fraser, ds. Mzamo, Jan van Woerden en twee ouderlingen. Deze mannen kunnen best geborgen worden in één auto, maar men is berekend op slechte wegen. Het zal een zware tocht worden. De tocht gaat naar Donsa Dam, het verstafgelegen station van het zendingsgebied. Het is bijna een jaar geleden dat ds. Fraser er geweest is. Het zal er avondmaalstijd zijn. De tweede auto is nodig om de andere uit de modder te trekken als dit soms moest gebeuren.

De tocht duurt zeven uur. Voor de inzittende dominees is het in zo'n schokkende wagen niet zo gemakkelijk zich voor te bereiden om straks te preken.

Het was donker toen het gezelschap om half acht aankwam in Donsa Dam.

Dit station is geen stad of dorp, maar een uitgestrekte streek met verspreide negerhutten. Er is geen pastorie, zodat de bezoekers een onderkomen moeten zoeken in de school. En wat voor school is het! Een lemen gebouwtje met een dak van gedroogd gras. Een opening in de muur moet dienst doen als deur en twee grote gaten zijn de ramen van het gebouw.

Als de auto's stoppen is het donker. De mannen willen de school binnengaan, maar wat is dat? Wat horen ze? Mekkerende geiten! Waar houden die zich op? Bij de opening van het schoolgebouw zien ze het al. Een kudde geiten heeft een schuilplaats gezocht voor de regen.

De beesten worden naar buiten gestuurd. Niemand is in de omtrek te zien. Dominee Mzamo weet wat hem te doen staat. In het duister zoekt hij hout om een vuur aan te leggen. Dat valt niet mee, want het hout is nat. Toch lukt het eindelijk en nu kan een ketel op het vuur worden gezet voor de thee. Maar waar is water te vinden? Het beetje water uit Van Woerdens waterzak zal gebruikt worden. Als ze maar iets hebben.

Dominee Mzamo zal naar het dichtstbijzijnde huis gaan om water te halen. Ondertussen worden door de andere mannen de kampeerbedden uit de auto gehaald en op de lemen vloer uitgezet.

Na een half uur komt dominee terug. Een meisje loopt naast hem. Op haar hoofd draagt ze een vat met dertig liter water, heel handig, zonder dat er een druppel verloren gaat. Mannen zullen in deze streek geen water dragen.

Het is nu half negen en de mannen gaan zich wassen. Dat is wel nodig, want ze zijn vuil en bezweet. Dat het water troebel is, hindert niet. Het verfrist in elk geval.

De vlammen laaien nu hoog op. De rook houdt de malariamuggen wat op een afstand. Er wordt wat gegeten en gedronken en de mannen verlangen naar rust. Ze zijn vermoeid, maar erg dankbaar, dat ze veilig op hun bestemming zijn gekomen. Ze zullen maar gauw gaan slapen.

Maar wat is dat? Uit de verte klinken stemmen. Er wordt gezongen. Het geluid komt dichterbij.

Even later worden twintig blijde, zwarte gezichten verlicht door het schijnsel van het vuur. Het gerucht, dat de zendelingen gekomen waren, had zich snel door de streek verspreid.

Na wat met de zwarten gepraat te hebben, scharen ze zich om Gods Woord. Door de geheimzinnige afrikaanse nacht klinkt een gedeelte van psalm 51. In de taal van het volk wordt vervolgens over het lijden en sterven van de Heere Jezus gelezen. Met aandacht wordt geluisterd. Na een dankgebed keren de zwarten naar hun hutten terug. De Heere weet wat er in de harten van deze mensen omgaat.

De twee afrikaanse ouderlingen spreiden nu een biezen mat op de harde lemen vloer, trekken een deken over zich en zijn spoedig in diepe slaap. De blanken zijn niet zo gauw klaar voor de nacht en slapen niet zo vlug.

De volgende morgen wordt Van Woerden om zes uur wakker. De ouderlingen hebben het vuur al opgerakeld en zetten al thee. Hij zal ook maar opstaan en zich wassen en scheren. Terwijl hij daar mee bezig is, komt er een neger aan. Op zijn hoofd heeft die man een luipaardemuts en zijn lendedoek is gemaakt van een dierenvel. Op het eerste gezicht ziet Van Woerden al, dat de man zwakzinnig is. Een biscuitje doet wonderen. Dankbaar neemt de neger het aan en vanaf dit ogenblik was de vriendschap gesloten.

Alle diensten woonde de zwakzinnige bij. Als de dominee de zegen uitsprak, hief ook hij zijn handen op.

Om acht uur die morgen was er een godsdienstoefening van een uur. Wel vijftig mensen woonden die bij. Om twaalf uur was er weer een dienst, waar zestig mensen bij tegenwoordig waren. Die dienst werd gehouden in de school. De hoofdman was er ook, met zijn twee vrouwen en een aantal kinderen.

Hij was zeer onder de indruk. Dominee preekte over: Als gij mijn vrienden zijn wilt, houdt dan Mijn geboden." Na afloop zei de hoofdman: „Ik ben geen vriend van de Heere Jezus. Ik ben al zo oud, al 79 jaar en straks moet ik sterven."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.