+ Meer informatie

ELDERS KERKEN

10 minuten leestijd

Het is altijd weer een voorrecht het Woord van de Heere uit te mogen dragen. Misschien mag ik ook zeggen: een belevenis. Uren van voorbereiding gaan eraan vooraf, waarin onder opzien tot de Heere geworsteld is om door te mogen dringen tot de betekenis van de tekst. Ik heb wel eens horen zeggen: de eerste zegen valt in de studeerkamer. En dat is juist. Als het Woord voor de prediker mag opengaan, is hij de eerste die er door gesterkt en bemoedigd wordt. En die dan ook verlangend uitziet naar het moment dat hij het door mag geven, het mag verkondigen.

Op een “vrije zondag” mocht ik elders het Woord bedienen. De kerk was geheel gevuld. Na de dienst was er een fijne respons. Dat doet me trouwens altijd goed als er door de broeders nog even op de preek wordt doorgepraat. Maar toen werd er ook een opmerking gemaakt, die bij me bleef hangen: “De laatste tijd kerken er geregeld gezinnen van elders bij ons. Weet u, want daar…”. Er werd nogal een mager oordeel uitgesproken over een collega en de gemeente die hij dient.

Later heb ik mezelf een beetje beschuldigd dat ik er eigenlijk niet op ingegaan ben. Want ik preek ook wel eens in die gemeente. En naar m’n stellige overtuiging had mijn collega ook met overgave en in afhankelijkheid van de Heere aan zijn preken gewerkt. Leefde ook hij biddend naar de zondag toe, om de gemeente te onderwijzen vanuit de rijkdommen van het Woord.

Hij moet ze die zondag wel gemist hebben, die gezinnen die aan zijn pastorale zorgen waren toevertrouwd. En niet alleen hij, maar ook de kerkeraad en de gemeente. Dat moet toch wel pijn gedaan hebben. Dat hield me bezig.

Een beetje naïef denkt u misschien. Ik stem dat direct toe. Er is al wat gepraat en doorgepraat over dit probleem, direct en indirect, tot op de breedste kerkelijke vergaderingen toe. Om over het geschrevene nog maar te zwijgen.

’t Gemakkelijkst is het om het maar te accepteren, om er maar niet te veel woorden aan te besteden. Want het komt nu eenmaal voor in de praktijk van het kerkelijke leven. En het is niet van vandaag of gisteren.

Toch vond de redactie het belangrijk genoeg om het aan te orde te stellen. Vandaar dat die zondag weer bij mij boven kwam.

Dat deze zaak onze aandacht moet blijven houden, heeft te maken met ons gereformeerd belijden aangaande kerk en gemeente. De kerk is geen menselijke instelling, maar het werk van God. Het is geestelijke verfrissend de art. 27-29 van onze Ned. Geloofsbelijdenis erop na te lezen.

Onze Christelijke Gereformeerde Kerken vormen een geheel van plaatselijke gemeenten. We zullen er voor moeten waken het gezicht op het geheel niet te verliezen. Op de catechisaties houden we de jongeren voor dat onze kerken geen aparte leer hebben. Dat “zij willen staan in de voortzetting van de kerk der Reformatie en Afscheiding en daarom leven naar Schrift en belijdenis. De kracht van de Chr. Geref. Kerken kan alleen maar liggen in de schriftuurlijke, geestelijke prediking en een kerkelijk en geloofsleven dienovereenkomstig”.

Het is daarom een verdrietige zaak als leden zich menen te moeten onttrekken aan de eredienst in hun “eigen” kerk en elders gaan kerken, hetzij in een naburige zusterkerk of in een andere kerk van hun keuze.

Zij maken het ook de kerkeraad moeilijk, die er toch op toe heeft te zien dat de leden der gemeente getrouw de diensten des Woords bezoeken.

Niet voor niets staat dan ook in de Kerkorde: “Wanneer leden zich geregeld aan de dienst des Woords in eigen kerkverband onttrekken door gewoonlijk elders te kerken, zal de kerkeraad herhaaldelijk en met lankmoedigheid vermanen en bij volharding in hun ongehoorzaamheid naar bevind van zaken handelen volgens de kerkorde” (art.77, 2). In het rapport van de commissie wordt het elders kerken gezien “als een gevolg van de gebrokenheid der kerk en als een bewijs van de afzwakking van eigen kerkelijk beginsel” (Acta 1962, bijlage XL).

Tot nu toe ging het over leden die elders kerken, maar (nog) wel in de plaatselijke gemeente ingeschreven staan. Het komt ook voor dat leden hun lidmaatschap opvragen omdat ze graag lid willen worden van een zustergemeente, dichtbij of verder weg.

Dit gebeurt momenteel nogal veel in de Ned.Herv.Kerk en is mede - misschien moet ik wel zeggen vooral - het gevolg van het besluit dat de hervormde synode in 1993 nam. Deze synode besloot dat perforatie van gemeentegrenzen mogelijk is. Of om het heel gewoon te zeggen, de gemeentegrens moet geen strakke ononderbroken lijn zijn, maar er moeten openingen in zijn, waar gemeenteleden doorheen kunnen komen als ze zich bij een andere gemeente willen voegen.

Toen ik dat woord voor het eerst las, dacht ik aan de witte streep op de weg, de markering. Is die streep onderbroken dan mag je eroverheen, is dat niet het geval, dan moet je erachter blijven.

U begrijpt natuurlijk best dat dit beeld een beetje mank gaat, want zo gemakkelijk heeft de hervormde synode het de gemeenteleden nu ook weer niet gemaakt. Want gemeenteleden die zich willen laten overschrijven naar een andere gemeente moeten wel een gemotiveerd verzoek indienen bij de Provinciale Kerkvergadering, met een afschrift van dit verzoek aan de kerkeraad van de gemeente, waartoe ze behoren en aan de kerkeraad van de gemeente, waar ze willen worden ingeschreven. Als wettige motieven gelden redenen van “pastorale of modalitaire aard”.

Na beide afzonderlijke kerkeraden geraadpleegd te hebben, neemt het breed moderamen van de PKV een besluit.

Met name in “De Waarheidsvriend”, orgaan van de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk, en in het “Gereformeerd Weekblad” is tegen dit besluit fel geageerd.

In het “Gereformeerd Weekblad”, 94ste jaargang-no. 20, lees ik in het hoofdartikel: “Ter onzaliger ure heeft onze Synode de perforatie van de gemeentegrenzen aanvaard. Dat wil zeggen dat gemeenteleden op hun eigen verzoek kunnen worden overgeschreven naar een gemeente waarin ze zich beter thuis voelen. De aanvraag loopt via de Provinciale Kerkvergadering en moet “met redenen omkleed” zijn…

Men kan in principe niet zomaar worden overgeschreven van de ene naar de andere “Gereformeerde Bonds”-gemeente, omdat bijvoorbeeld de dominee daar beter preekt, of omdat de mensen daar aardiger zijn…

Ik heb er nimmer een geheim van gemaakt dat ik zwaarwegende bezwaren heb tegen deze regeling. Men heeft de kerk ermee verlaagd tot een Supermarkt, waarin iedereen kan kiezen wat van zijn of haar gading is.

Of tot de veel gesmade hotelkerk, waarin iedere gast zijn eigen knusse kamer kan krijgen, en waarin men elkaar nog slechts op de gang tegen komt, zonder naar elkaar om te zien. Het besluit zal de polarisatie op een ongekende manier bevorderen”.

In genoemd blad, 94ste jaargang - no. 27, komt de schrijver er in het hoofdartikel nog een keer op terug. “Ik heb er nimmer een geheim van gemaakt dat ik dat een onzalig besluit vind. De kerk is niet een club van gelijkgezinden, waarbij men zich naar keuze kan voegen of waarvan men het lidmaatschap desgewenst kan opvragen om zich bij een andere club aan te sluiten. De kerk is de gemeente waartoe wij behoren, omdat we op die plaats wonen of omdat we ons daar gevestigd hebben. Wanneer we dat principe loslaten, dan zijn we letterlijk nergens meer.”

In “De Waarheidsvriend”, 80ste jaargang - no. 38, valt onder het kopje “Consequenties van een omstreden besluit” te lezen: “We hebben er eerder geen onduidelijkheid over laten bestaan, dat we de beslissing in deze van de synode een heilloze beslissing achten. In feite is het principe van de (geografische) gemeente prijsgegeven en wordt de gemeente een zaak van eigen keuze, waarbij ieder uit de veelheid van aanbod datgene kiest wat naar zijn of haar gading is. De keuzemogelijkheid is tot principe gemaakt. In feite is daarmee het bijbels beeld van de gemeente zo goed als prijsgegeven en de eenheid van het lichaam van Christus principieel ondermijnd. Van de nood is een deugd gemaakt…

Het moet eigenlijk in principe uitgesloten worden geacht, dat de sluizen opengaan om overschrijving van de ene gemeente, die naar Schrift en belijdenis is ingericht, naar een andere, soortgelijke gemeente mogelijk te maken. Maar het is lang niet zeker, dat dit ook algemeen zo wordt gevoeld of gepraktizeerd. Mensen vinden het in de ene gemeente te strak, in de andere gemeente te ruim en op grand van zulke marginale motieven wordt zo - de praktijk bevestigt dit al - gevraagd om overschrijving. Redenen van “pastorale of modalitaire aard” zijn dan in principe niet in het geding”.

Met opzet heb ik, niet zonder instemming, achtereenvolgens ds. W. van Gorsel en ir. J. van der Graaf wat uitvoerig geciteerd. Wat zij hier zeggen raakt ons onderwerp. Het verwoordt ook een stuk van de pijn die we voelen als net over “elders kerken” gaat. We zijn er niet mee klaar dit “euvel” in eigen kerken alleen maar te constateren. Kerkeraden hebben het er soms heel moeilijk mee. Welke kerkeraad durft het aan om met tuchtmaatregelen te komen als broeders en zusters zich elders onder de Woordbediening begeven.

In de loop der jaren heb ik verschillende motivates aangehoord van “pastorale en modalitaire” aard. Bij ons spreken we over liggingsverschillen en hebben we het over de prediking en de liturgie. Ook spelen nog wel eens andere, onzuivere motieven een rol, gewoon intermenselijke conflictsituaties.

Het is altijd zaak om goed te luisteren, heel scherp te luisteren, en dat onbevooroordeeld te doen.

Ik weet niet hoe het andere collega’s vergaat, maar het veroorzaakt bij mij pijn als ik broeders en zusters om genoemde redenen zondags in de kerk mis. Eerlijkheidshalve moet ik er wel bij zeggen dat ik er het meeste last van heb als het om de prediking gaat.

Met name als het de prediking en het pastoraat betreft, mag de prediker zich best kwetsbaar opstellen. Samen voor het aangezicht van de Heere de preken bespreken kan heel heilzaam zijn, naar beide kanten. De herder dient te weten waar zijn schapen geestelijk gelegerd zijn. Het mag ook de kerkeraad niet onbekend zijn waarom bedoelde gemeenteleden een andere weg gaan. Andersom moeten die gemeenteleden ook heel goed beseffen wat ze nu eigenlijk doen. Waar de prediking naar Schrift en belijdenis is en waar niets gedaan wordt dat in strijd is met de kerkorde, getuigt het van weinig kerkelijk besef het elders te zoeken.

Soms bekruipt mij het nare gevoel dat gemeenteleden elders te hartelijk ontvangen worden, terwijl ze daar eigenlijk niet horen.

Kerkeraden hebben elkaar met betrekking tot deze moeilijke kwestie te helpen. Ook als kerken (kerkeraden) dragen we verantwoordelijkheid voor elkaar. Net zo goed als dat voor de leden binnen de gemeente geldt. Heeft Paulus het in 1 Corinthe 12 niet over vele leden, doch maar een lichaam?

Zonder iets af te doen van wat ik geschreven heb, kan ik toch wel begrijpen dat mensen zich niet in elke gemeente thuis voelen. Wij hebben elkaar in liturgisch opzicht veel vrijheid gegeven.

En dat brengt ook consequenties met zich mee. Ik denk dat we dat ook eerlijk onder ogen moeten durven zien. Als mensen jaren lid geweest zijn van een gemeente waar men wars was van allerlei liturgische vernieuwingen, en men komt door verhuizing in een gemeente waar het tegenovergestelde het geval is, dan kan ik mij voorstellen dat ze zich elders bij een zustergemeente voegen. Dat geldt andersom natuurlijk ook. “Elders kerken.” Wat zal ik er verder van zeggen?

Toen ik hier met een broeder uit de gemeente over sprak, dacht hij een poosje na en zei: “Dat doe ik al zo lang, u toch ook? Onze wandel is toch in de hemelen?” Thuis heb ik er Filip. 3 nog eens op nagelezen. Het staat er zo: “Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Heere Jezus Christus”.

Toen was er voor een moment bij mij alleen maar plaats voor het tweede gedeelte van dit vers. Zijn komst is het, die het al volmaakt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.