+ Meer informatie

Diensten bij begrafenissen

geschiedenis en praktijk van art. 65 K.O.

8 minuten leestijd

In een themanummer over ‘Rondom het levenseinde’ past ook een artikel over de kerkordelijke bepalingen bij begrafenissen. Hoe hebben de kerken daar in het verleden over gesproken en hoe spreken ze er nu over? We kunnen daarvoor terecht bij artikel 65 van onze kerkorde.

Korte situatieschets

De eerste begrafenis waar ik zelf herinneringen aan heb, is die van mijn opa. De opa naar wie ik genoemd ben. Ik was twaalf jaar; de rolluiken van ons huis waren tot de dag van de begrafenis gesloten geweest, op kleine kiertjes na. Het had voor mij iets heel sombers, maar ik begreep het goed. We gingen voor de begrafenis naar het catechisatielokaal, dat naast de pastorie stond. Daar waren mijn oma en de andere familieleden. De dominee kwam uit zijn studeerkamer (er was een deur tussen de twee huizen gemaakt) en hij sprak. Van de inhoud herinner ik mij niets, maar wel dat hij aangedaan was: hij was erg op mijn opa gesteld. Toen hij gebeden had kwamen enkele mannen die het voorraam openschoven en de kist uitdroegen, naar de auto. Zo gingen we naar de begraafplaats. En nadien mochten de rolluiken weer open. Dat had voor mij een markering van het gebeuren: we ‘keerden weer tot het leven terug’.

Hoe anders gaat het nu! Niet zelden komt men samen in de kerkzaal, of in een ruime zaal daar vlak bij. De kerkenraad is vertegenwoordigd, er is een officiële kerkdienst, compleet met votum en groet en zegen. Nee, niet overal. Maar wel meer en meer. Hoe is het tot die – toch grote – verandering gekomen?

De geschiedenis van art. 65 KO

In de Reformatie is al vroeg beklemtoond dat begrafenissen een sober karakter horen te hebben. In de eerste versies van de kerkorde komt dat duidelijk uit. Ik laat u meelezen met de tekst van dit artikel, vastgesteld door de synode van 1584 te Den Haag: ‘Daar de Lyk-Predikatien niet en zyn, sal mense niet instellen; en daar die nu alreede zyn angenomen, sal neerstigheyd gedaan worden, om deselve met de gevoeglykste middelen af te doen’.

De principiële lijn van deze woorden is duidelijk: ‘lijkpredikaties’ horen op het erf van de Reformatie niet thuis. Tegelijk beseffen de kerken: de botte bijl werkt nergens en ook hier niet. Dus met wijs beleid proberen om onjuiste gebruiken die diep geworteld zijn bij het kerkvolk terug te dringen.

Eeuwenlang is de tekst van dit artikel meegegaan. In de Gereformeerde Kerken werd het in 1905 kort en bondig samengevat: ‘Lijkpredikatiën of lijkdiensten zullen niet worden ingesteld’. Men was blijkbaar van overtuiging dat deze korte tekst nu wel kon lijden. Onze kerken hielden nog enkele decennia de tekst van 1584 vast. Zo kan men die – weliswaar in aangepaste spelling - fnog lezen in de uitgave van 1937. Maar bij de grootscheepse herziening van de kerkorde in 1947 komen de kerken tot dezelfde tekst als de Geref. Kerken in 1905.

Dat duurt tot 2001. Dan komt het opnieuw tot een herziening van de kerkorde, waar zes jaar aan was gewerkt. En dan besluiten de kerken: ‘Wanneer een kerkenraad vanwege het overlijden van een lid van de gemeente een dienst belegt, zal hij er op toezien dat in deze dienst niet de overledene maar de bediening van het Woord centraal staat’.

Voor alle zekerheid: soms kan men horen dat er in de huidige redactie gesproken wordt van ‘een dienst’. En dan wordt er onderscheid gemaakt tussen die ‘dienst’ en een kerkdienst. Maar dat is onjuist. Als er in de kerkorde over een dienst gesproken wordt, wordt daarmee altijd een kerkdienst aangeduid (zie bijv. ook art. 68, waar gesteld wordt dat ‘in de regel in één van de zondagse diensten de Heidelberger Catechismus verklaard wordt’). De broeders die zich eind jaren ’90 over de herziening van de kerkorde gebogen hebben en de nieuwe redactie zo aan de synode hebben voorgesteld hebben zich niet gerealiseerd dat jaren later aan het woord ‘dienst’ een ruimere uitleg gegeven zou worden dan de bedoeling was – en nog steeds is.

De oorspronkelijke achtergrond

Vanwaar nu die omslag? Daarvoor moeten we opnieuw naar de oorsprong van het artikel. Wat was het geval?

In de kerkelijke – dus Rooms-Katholieke – traditie vóór de Reformatie was het kerkelijk gebruik dat de begrafenis een kerkelijk karakter droeg. Dat zou het ergste nog niet zijn, maar de invulling ervan was in reformatorische ogen merkwaardig en ook uiterst ongewenst: er werd een publieke ‘lijkdienst’ (let op het woord!) gehouden in de kerk, waarbij de priester over de lijkbaar heen een aanspraak (!!) hield, een gebed voor de dode opzond en de parochianen een lied ten afscheid zongen. Dat kon natuurlijk niet door de reformatorische beugel: alsof de dode nog naar de stem van priester en gemeente kon horen, en alsof er nog iets aan zijn of haar zaligheid gedaan kon worden.

De kerken van de Reformatie wilden dit ‘Roomse zuurdesem’ dan ook zo snel mogelijk uit de kerk weren. Maar dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan: ook toen al was het kerkvolk niet meteen van zins de bepalingen van kerkelijke vergaderingen zonder ophef te omarmen (is er iets nieuws onder de zon?). In 1578 besloot de synode van Dordrecht dan ook om, als deze gewoonte nog bestond, de aanbeveling te doen dat de dienaar/ predikant een ‘onvoorbereide vermaning’ zou doen en geen ‘predikatie’. De synode ging er in goed vertrouwen vanuit dat preken altijd zorgvuldig zouden worden voorbereid. En zo hoort het natuurlijk ook. De kerkelijke vrees was groot dat in deze samenkomsten de lof op de overledene de overhand zou hebben en dat aan de voorbede nog ‘hulp en bijstand” (Joh. Jansen, Korte Verklaring van de Kerkenordening 1922, blz. 287) voor de overledene ontleend zou kunnen worden. Maar voorzichtig aan, met pastoraal zachte en tegelijk principieel krachtige hand.

De achtergrond sinds 2001

Zoveel eeuwen later is in de gereformeerde gezindte die Rooms-Katholieke gedachte geheel op de achtergrond geraakt. Soms blijkt dat zelfs op felle wijze: enkele jaren geleden zaten mijn vrouw en ik na de kerkdienst in Winterberg met gemeenteleden en gasten koffie te drinken. Onder de gasten waren ook enkele deelnemers aan een discipelschool in Grönebach, een lieflijk dorpje onder de rook van Winterberg. Er was in de week, voorafgaand aan de zondag, een gemeentelid begraven. De familie was in de kerk en de predikant bad voor hen. Maar hij gebruikte daarbij een zin die, bij zeer kritische beschouwing, zou kunnen lijken op een alsnog bidden voor het heil van de overledene. Daar werd deze predikant scherp op aangevallen bij de koffie. Hij legde uit hoe hij het bedoeld had, maar het mocht niet baten. Wij schaamden ons nogal.

Juist omdat die oorspronkelijke achtergrond verdwenen is, kon er geestelijke ruimte komen voor de vraag: is het nu echt nodig om de gewoonte van een soort particuliere rouwsamenkomst voor de familie en een groep vertrouwden te handhaven? Moet het echt zo ‘kerkelijk kaal’? Mag er geen ruimte zijn voor het ontvangen van de zegen voor degenen die in rouw en verdrietig zijn? Hebben ze die juist dan niet nodig? En wat is er principieel tegen om een kerkdienst te beleggen rond het overlijden van een gemeentelid, juist waar hij/zij in een kerkdienst is gedoopt, belijdenis heeft gedaan, eventueel samen met zijn echtgeno(o) t(e) geknield heeft om een zegen over het pas gesloten huwelijk te ontvangen, opnieuw eventueel bevestigd is in een ambt?

En zo zagen we gebeuren dat de gewoonten gingen schuiven: gaandeweg werd de rouwsamenkomst meer ‘aangekleed’, er werd ook gezongen, er werd gebeden om Gods zegen, en hier en daar kon men ook meemaken dat de zegen in Gods naam werd opgelegd enzovoorts.

Vanaf de synode van 2001

De generale synode hakte in 2001 de knoop door: een kerkdienst bij een begrafenis van een overleden gemeente behoort tot de kerkelijke mogelijkheden. De formulering van art. 65 is bewust zó gekozen dat er geen verplichting wordt uitgesproken. Maar daar waar de plaatselijke kerkenraden daartoe willen overgaan, is er geen principieel-kerkelijk bezwaar.

Natuurlijk met enkele randvoorwaarden: niet voor niets staat erbij dat in die dienst niet de overledene centraal zal staan. Nooit staat in een kerkdienst een mens centraal, behalve die ene Mens. Maar bij een rouwdienst (of soms ook wel dankdienst voor het leven) ligt dat gevaar toch nog meer op de loer. De taak van de predikant is in deze dienst principieel niet anders dan in andere diensten: het Woord van de Here verkondigen tot troost én tot vermaning van de aanwezige familie, gemeenteleden en andere gasten. En zeker vandaag, middenin dit geseculariseerde land, biedt dat grote kansen om dat Woord te zaaien. Dat moet weloverwogen gebeuren, zeker. Maar toch.

Er kan wel een probleem ontstaan: meer en meer worden in het afscheidsgebeuren ook woorden van herinnering door de familie gesproken. En het kán gebeuren dat die op gespannen voet staan met het Evangelie. Daarom zal de predikant bij de voorbereiding, wanneer daar aanleiding voor is, daar aandacht voor vragen. Van gezin en familie mag verwacht worden dat de stijl van de begrafenis in lijn is met de geestelijke stijl van de overledene. Ook wanneer men zelf niet meer in die traditie staat, is het van belang om die traditie te respecteren. Daarnaast hecht ik er als voorganger aan om aan deze herinneringswoorden ruimte te geven vóórdat de Bijbel wordt opengeslagen en de verkondiging plaatsvindt. De woorden van de Here gaan immers ver boven die van mensen uit.

Ds. Quant is emeritus predikant en woont in Houten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.