+ Meer informatie

Naar de Catechisatie

5 minuten leestijd

De voorzienigheid Gods (vervolg)

c. De REGERING GODS

De Godsregering is een aangrijpend en ondoor grondelijk, maar ook een rijk vertroostend stuk in de geloofskennis, want zij omvat alle dingen, ook de allerkleinste. „En ook uw haren van het hoofd zijn alle geteld”. Matth. 10:30.

Zij is met ons eindig verstand nooit te omvatten en te verstaan. Alleen het levend geloof leert haar aanvaarden en aanbidden. Alle dingen liggen onder de albesturende hand des Heeren, zelfs dezonde (Gen. 50: 20) en de duivel. Daarom is er bij God geen toeval. Aan ’s mensen kant kunnen de dingen toevalligerwijze voorkomen. Ruth 2:3: „En haar viel bij geval voor een deel van het veld van Boaz”. Luk. 10 : 31 inde geschiedenis van de barmhartige Samaritaan: „En bij geval kwam een zeker priester dezelfde weg af”.

Hoe komt de dwaasheid van de mens uit, die zelf zijn levenslot in handen wil nemen en tot waarzeggerijen of toekomstvoorspellingen zijn toevlucht neemt.

De leer van het „nootlot” is heidens. We vinden het bij de Mohammedanen en de Stoicijnen. De bekende Duitse nazi-leider, Hitler, sprak destijds van „de voorzienigheid”, waardoor velen hem nog voor een godsdienstig mens hielden. Maar hij bedoelde er niets anders mee dan een onbestemde hogere macht.

Hoe moeten we staan tegenover dez.g. „kansspelen”?

Naar de heilige bedoeling en het godvrezend gebruik van de voorzienigheid Gods afwijzend. We kunnen deze niet anders bezien dan als een spelen met de voorzienigheid des Heeren, als een omlaag halen van ditrijkegeloofsstuk. Niet anders is het met het kaartspel, waarmede zelfs zoveel kerkmensen zichbezig houden. In dit verband willen we u een artikeltje laten lezen, dat we over nemen uit het „Gereformeerd Weekblad” van 15 febr. j.l. no 7. Het luidt als volgt:

HET ONTSTAANVAN HET KAARTSPEL Velen, zelfs in onze kringen, beleggen gaarne een kaartavondje. Op het oog, wanneer het niet om geldbedragengaat, moge dit misschien een onschuldig vermaak lijken. Wanneer we echter weten hoe dit spel inde wereld gekomen is, moge huivering ons bevangen. Om de toenmalige koning van Frankrijk, die leed aan buien vanzwaarmoedigheid,teverstrooien, werd dit spel in 1392 ontworpen door iemand, die een grote haat koesterde tegen God en Zijn volk. Voor zijn boze schepping koos hij Bijbelse figuren. De koning stelde de duivel voor. De vrouw was Maria, zodat Jezus het kind werd van haar en de duivel. De Heere Jezus Zelf werd voorgesteld als de Jonker. In schoppen en klaveren werd devervolging der ware gelovigen uitgebeeld. Zijn verachting voor de wet der 10 geboden legde hij vast in schoppen en klaveren 1 0.

De bedoeling was door dit kaartspel dehartstochten op te wekken, de duivel te aanbidden en de heiligen te vloeken, alsmede Maria te bespotten. Wanneer we dit nu weten, is het niet verwonderlijk, dat de oude vromen dit spel het prentenboek van de satan noemden. Mogen wij en onze kinderen ons verre houden van de beoefening ervan. Wij kunnen onze tijd beter gebruiken om te graven in de goudmijn van Gods Woord. Daarmede worden wij nooit teleurgesteld, want het is een fontein van heil, dat nooit vergaat”.

(Verh. Bennekom)

Met de loterijen komen we op hetzelfde vlak als van een spelen met de voorzienigheid Gods. Ook de loterij is een omlaag halen van deze heilige geloofszaak. Het is een DWINGEN van Gods leiding.

Dit geldt echter niet van het HEILIG GEBRUIK van het lot, zoals op het kerkelijk erf, bij herhaalde staking van stemmen tot verkiezing van ambtsdragers. In de diepste zin van het woord vloeien al de hiervoor genoemde dingen voort uit hetzelfde beginsel als de zonde in het Paradijs: wij willen als God zijn!

Onze Heidelbergse Catechismus wijst schoon op het nut van de leer der voorzienigheid Gods. Zij leert ons: „In alle tegenspoed geduldig te mogen zijn, in voorspoed dankbaar en in alles, dat ons nog toekomen kan, een goed toevoorzicht te hebben op onze getrouwe God en Vader”.

Wat is „in tegenspoed geduldig te zijn?” Is dit het, zoals men wel eens zegt: Och, je moet er maar in berusten, de mensen doen het ons niet aan. Er is nu eenmaal niets aan te doen, je moet het maar nemen zoals het komt.

Neen, zulke redeneringen zijn zuiver een stoicijns gebaar. In het gezegde: Je kunt er toch niets aan doen, ligt zuiver de gedachte opgesloten: als men er wat aan doen kon,dan zou men het niet nalaten, dan zou men er zich terdege tegen verzetten. Dus... opstand tegen God!

Het „geduldig zijn” wat onze Heidelberger bedoelt, is heel iets anders, namelijk de stille godvrezende onderwerping aan de heilige wil des Heeren, als vrucht van Christus’ bede in dehofvanGethsemane:„Uwwilgeschiede”. Asaf zat geweldig met het onbegrijpelijkestuk van de Godsregering. Naar’s Heeren belofte zouden de vromen gezegend worden met voorspoed en dat de goddelozen op hun wegen van welvaart... Gods straffende hand zouden ondervinden. Maar bij Asaf was het precies omgekeerd. Daarom was hij het lang niet met God eens in Zijn doen. „Totdat ik in Gods heiligdommen inging”. Dit „totdat” wijst op een zielsproces en wel van zielsworsteling om er uit te komen. Maar hij kwam er niet uit. Alleen in Gods heiligdom. Toen zag hij zich en erkende: „Een groot beest te zijn bij de Heere”. Zo mocht hij buigen onder Gods heilig doen en oogmerk. We zien zo duidelijk bij Asaf deze gang: Asaf eerst tegen God, daarna: voor God (als een verootmoedigde), toen: onder God (buigend), maar ook: bij God (Pte. 73 : 28)!

In voorspoed dankbaar.

Hierover echter in een volgende les D.V.

Urk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.