+ Meer informatie

KERKRECHTELIJKE OVERWEGINGEN BIJ HET OPHEFFEN VAN EEN GEMEENTE

12 minuten leestijd

Het onderwerp dat in dit artikel wordt aangeroerd, is geboren — helaas — uit de actualiteit. Tegelijk wordt het geschreven tegen de achtergrond van het gegeven dat men er in onze Kerkorde niet of nauwelijks iets over vindt.

Wanneer wordt een gemeente opgeheven?

Men kan om te beginnen de vraag stellen wanneer een gemeente zozeer aan de rand van haar bestaansmogelijkheden is gekomen, dat opheffing onontkoombaar is geworden. Dat heeft natuurlijk te maken met het aantal leden dat de gemeente nog telt, maar daar is niet alles mee gezegd. In onze kerken is een gemeente als Rotterdam-Charlois, die al vele jaren nauwelijks 30 leden telt, nog steeds levendig; deze gemeente maakt zelfs op dit moment een nieuwe herleving door vanwege bijzondere ontwikkelingen. Daartegenover staan gemeenten als Wormerveer en Den Haag-Centrum, die enkele tientallen leden meer telden, maar toch opgeheven moesten worden. Een gemeente als Valthermond telde jarenlang niet veel meer leden dan 50; maar ineens, door enkele incidentele zaken die het hart van de gemeente raakten, was het in 1995 afgelopen.

Door de jaren heen kwam het voor dat gemeenten werden opgeheven; ik denk aan gemeenten als Rotterdam-Pernis of -Overschie; nog verder in de geschiedenis terug aan Suawoude. Men kan ook denken aan preekplaatsen (‘stations’) die gesticht werden, maar op den duur toch niet levensvatbaar bleken te zijn: Nieuwerkerk bij Zierikzee bijvoorbeeld. Elke plaats heeft zijn eigen ‘verhaal’ bij ontstaan én bij opheffing. Een gemeente van 30 leden kan — hoe klein ook — bruisen van activiteiten, van een bloeiend gemeentelijk leven, terwijl een gemeente van 60 leden kan kwijnen en innerlijk kan leegbloeden.

Een objectieve norm

Er is in ieder geval kerkrechtelijk gezien één norm waaraan de vraag: opheffen of in stand houden, gemeten kan worden, en dat is de grootte van de kerkenraad. In art. 38 lid 1 K.O. staat:

‘Een kerkenraad moet uit ten minste drie personen bestaan. Het aantal ouderlingen zal niet kleiner mogen zijn dan dat der diakenen’.

De bedoeling van dit artikel (waarvan de oorsprong in 1901 ligt) is duidelijk: de kerkenraad vormt het bestuur van de kerkelijke gemeente. Daarin moeten de ambten vertegenwoordigd zijn. Wil er van zinvol ‘besturen’ sprake zijn, dan zal een aantal van drie minimaal noodzakelijk zijn. Dan pas kan men immers met recht spreken van zinvol overleg over allerlei kerkelijke zaken. Zogenaamde ‘één-tweetjes’ dienen altijd, dus zeker in kerkelijke aangelegenheden, vermeden te worden. ‘Drie vormen een college’, zo luidt een heel oude spreuk reeds. Dat daarbij de bepaling over het aantal ouderlingen, dat minimaal gelijk moet zijn aan het aantal diakenen, toegevoegd is (in 1947) vindt zijn oorsprong denkelijk (al is dat in de Acta van de generale synode van 1947 niet terug te vinden) in het feit dat aan hen het opzicht over de gemeente is toevertrouwd (zie het bevestigingsformulier).

Een gemeente kan dus veel of weinig leden tellen, in ieder geval moeten er drie ambtsdragers uit gekozen en benoemd kunnen worden, wil er van een kerkenraad sprake zijn en dus van een gemeente (de instituering van een gemeente is aan de vorming van een kerkenraad ten nauwste verbonden).

Er blijven minder dan drie ambtsdragers over…

Het kán een keer gebeuren: lange tijd waren er nog drie ambtsdragers, maar op een gegeven moment valt er één weg. Er is kerkrechtelijk gezien dan niet meer voldaan aan art. 38 lid 1: er is geen (volledige) kerkenraad meer… Met opzet schrijf ik dat woord ‘volledig’ er tussen haakjes bij; naar mijn overtuiging is het namelijk niet zo dat een gemeente acuut dient te worden opgeheven indien er nog slechts van twee ambtsdragers sprake is. Ik wil dat duidelijk maken:

In ieder geval dient in een dergelijke situatie de classis om hulp gevraagd te worden. Men moet vervolgens overzien of er — voor zover wij mensen dat kunnen zien — sprake is van een tijdelijke noodsituatie of van een doorgaande negatieve lijn. In het eerste geval kan men kiezen voor een constructie waarin een gemeente die in de buurt van de noodlijdende gemeente ligt, gevraagd door de classis, hulp biedt. Deze zou één of twee ouderlingen hulpdiensten kunnen laten verrichten, ‘s zondags tijdens de erediensten en eventueel door de week.

Uitdrukkelijk moet gesteld worden dat een dergelijke constructie alleen te verdedigen — en ook positief te waarderen — is wanneer van tijdelijke zorg sprake is. Ouderlingen hebben immers — anders dan predikanten die last en macht hebben ontvangen om te dienen in het gehele kerkverband — slechts ambtelijke bevoegdheid in hun eigen gemeente. Maar dit noodverband kan soms een gemeente die in een dal is geraakt, helpen in biddend afwachten van betere tijden. Als voorbeeld kan men denken aan de gemeente van Vlissingen, die recent op deze wijze door Middelburg is geholpen. Dat had trouwens nog iets moois: de dochter hielp de moeder!

Een classis kan ook besluiten om in een dergelijke situatie de in nood verkerende gemeente in haar geheel ‘onder te brengen’ bij een genabuurde gemeente. Dat is uiteraard voor die ontvangende gemeente een niet geringe last, maar in geval van tijdelijke nood kan het adem scheppend zijn voor een nieuwe start. Momenteel is dat het geval met de gemeente van Amsterdam, die door de classis onder de zorg van de kerkenraad van Amsterdam-Nieuw-West is geplaatst; deze stelt pogingen in het werk om een nieuwe kerkenraad voor Amsterdam te formeren en neemt ook overigens de gemeente pastoraal onder zijn hoede. Men zou kunnen zeggen dat in een dergelijke situatie de ‘gemeente in nood’ als station van de genabuurde gemeente functioneert, terwijl officieel de gemeente voortbestaat. Ook hier is sprake van een constructie die onder Gods zegen goed te verwezenlijken is, maar die slechts van tijdelijke aard kan zijn.

Maar als het nu echt niet langer gaat?

Ondanks al deze hulp die vanuit het kerkverband aan een in nood verkerende gemeente geboden kan worden, komt het toch voor dat een gemeente soms tot de conclusie moet komen: het kan echt niet verder, het zou onverantwoord zijn om voort te bestaan. Een kerkenraad hoeft daarbij nog niet eens onder het minimum-aantal van drie gezakt te zijn. Soms is het zo, dat een kerkenraad nog uit vier of vijf personen — bestaat; de broeders staan echter allen al heel lang in het ambt, aan jaartallen van aftreden heeft men al lang niet meer kunnen denken en voorts is het zo dat vervanging niet goed mogelijk is, gezien de samenstelling van de gemeente. Een zekere moeheid maakt zich van kerkenraad en gemeente meester. Uiterst begrijpelijk. Tijdelijke hulp zal niet kunnen baten; de neergang is structureel van aard. Het is verdedigbaar een besluit tot opheffing te nemen nog vóór men door de ‘vloer’ zakt van het minimum aantal ambtsdragers — het zou nog wel eens emotionele en geestelijke schade kunnen voorkomen, die op kan treden bij een te lang de ogen sluiten voor de harde werkelijkheid.

De plaats van de classis

Naar men mag aannemen is de classis al een tijdlang op de hoogte van de precaire positie van de betreffende gemeente. Men houdt immers jaarlijks kerkvisitatie? En al zou men dat door tijdnood niet overal doen, dan zal toch zeker zo’n gemeente bij de visitaties voorrang genieten? Er is bij de rapportages naar art. 41 K.O. melding gemaakt van de toenemende zorg. De classis leeft mee, geeft eens een extra classisbeurt, informeert betrokken; gemeenten van de classis noemen de broeders en zusters van de betreffende gemeente in de zondagse voorbede.

Dat is allemaal noodzakelijk en goed. Het merkwaardige in onze huidige Kerkorde is echter dat daarmee de taak van de classis, naar de letter van de Kerkorde genomen, ophoudt. Terwijl er voor de instituering (= vorming) van een gemeente wél het advies van de classis nodig is (zo staat het in het hoofdartikel 38), kan een kerkenraad in opperste zelfstandigheid besluiten tot het opheffen van die gemeente. De classis heeft wel een duidelijk omschreven adviserende taak bij het ontstaan, maar niet bij de opheffing van een gemeente.

Hooguit zou men in afgeleide zin kunnen zeggen dat de classis er mee te maken heeft, namelijk via art. 38 lid 3. Daar staat:

‘De grenzen van de plaatselijke gemeenten zullen in onderling overleg en onder leiding van de classis vastgesteld worden’.

Men zou kunnen verdedigen dat dit betekent dat een classis bij de opheffing van een gemeente een stem heeft: zij krijgt immers te maken met een ‘leeg’ grondgebied dat aan genabuurde gemeenten moet worden toegewezen. U voelt wel aan dat dit een zwakke grond is; bovendien ligt dit deel van artikel 38 al heel lang onder het classicale stof vanwege de perforatie van de gemeenten, die onder ons was ingevoerd lang voordat dit woord in hervormde kring werd uitgevonden.

In de praktijk zal een kerkenraad uiteraard niet handelen zonder de gedachten van de classis gehoord en verwerkt te hebben. Bovendien mag men aannemen dat de kerkenraad de consulent (die hem door de classis is toegekend!) heeft ingeschakeld om hem ‘met raad en daad (…) bij te staan’ (naar art. 41 lid 5 K.O.).Toch blijft het vreemd dat de taak van de classis in dit punt van zaken niet omschreven is. Wij hebben momenteel een deputaatschap voor de revisie van de Kerkorde. Dit deputaatschap is o.a. op deze zaak gestoten — de generale synode zal daar binnenkort meer van horen.

Wat moet er rond opheffing zoal gebeuren?

Dit is nog niet alles. Al of niet met hulp van de classis zal de kerkenraad — of wat van hem over is gebleven — de zaak in goede banen moeten sturen. De leden gaan over naar een andere gemeente, onroerende en roerende goederen moeten worden geïnventariseerd, er moet een rechtsopvolger van de op te heffen gemeente worden aangewezen (en daarmee heeft de classis in ieder geval te maken, denkt u maar aan eventuele emeriti-predikanten die aan de gemeente verbonden zijn, denkt u aan eventuele erfenissen of legaten die nog lang na opheffing binnen kunnen komen).

Wat de leden betreft: het mooiste is het, wanneer de gemeente in haar geheel wordt geïncorporeerd in een genabuurde gemeente (dan zou zelfs nog tijdelijk de instandhouding van een preekplaats overwogen kunnen worden, indien gewenst). Dit lukt zeker in onze Chr. Geref. Kerken lang niet altijd: de werkelijkheid is dat leden soms allang op het grondgebied van een andere gemeente woonden, maar de oude gemeente niet wilden verlaten (‘dan gaan er wéér twee leden weg!’). Aansluiting bij die nieuwe gemeente ligt voor die leden voor de hand. Soms ook is de geestelijke sfeer van de genabuurde gemeente van dien aard, dat sommigen liever naar een andere gemeente gaan.

Wat de goederen betreft: dat kan werkelijk een geweldig karwei zijn, mede afhankelijk van de wijze waarop tot op het moment van opheffing de zaken waren bijgehouden en op schrift waren gesteld. Men moet beslissingen nemen over allerlei vragen: kunnen we een andere gemeente blij maken met het avondmaalsstel? Kan het orgel naar een andere gemeente? Wat doen we met de kanselbijbel? Zijn er kopers voor het kerkgebouw, en zo ja, maken we onderscheid tussen een kerkelijke bestemming en een ‘wereldlijke’ bestemming, ook wanneer dat in de prijs te merken is…?

Het is kerkrechtelijk gezien het mooiste wanneer dit alles nog door de kerkenraad behartigd kan worden. Deze moet dan echter óf alles voor de datum van opheffing geregeld hebben, of de officiële datum van opheffing moet op een later tijdstip worden gesteld: de gemeente komt (‘s zondags en door de week) niet meer bijeen, maar de kerkenraad blijft nog ‘even’ aan. Opnieuw: dat moet wel van zeer tijdelijke aard zijn, want die kerkenraadsleden zijn inmiddels zelf ook al lid van een andere gemeente geworden. Kerkrechtelijk komt men dan in een lastige situatie, om het niet sterker te zeggen. Daarbij komt dat kerkenraadsleden, als ieder, kwetsbare mensen zijn; ziekte en dood houden geen halt.

Een goed werkbare constructie zou zijn dat de classis (daar komt zij toch weer naar voren) hulp geeft via een classicale commissie, waarin een aantal wijze en ter zake kundige broeders en/of zusters worden benoemd die hierin de helpende hand reiken. Van te voren, in een duidelijk besluit van de dan opgeheven kerkenraad, zijn de algemene principiële lijnen vastgelegd over de materiële/financiële zaken. Die kerkenraad roept de classis in de uitvoering te hulp en de classis voert die besluiten, in de geest van de opgeheven gemeente, uit; de commissie (waarin ook leden van de dan voormalige kerkenraad zitten) rapporteert daar zorgvuldig over.

Een laatste mogelijkheid is de tijdelijke vorming van een stichting, met een bestuur dat samengesteld is uit (kerkenraads)leden van de opgeheven gemeente, aangevuld met leden uit (een) genabuurde gemeente(n) die — opnieuw nadat in geest en hoofdzaak de kerkenraad de lijnen heeft uitgezet — de materiële/financiële zaken tot een goed einde brengt.

In beide gevallen lijkt het mij een heel goede zaak wanneer de leden die tot het laatst toe tot de opgeheven gemeente behoorden, periodiek op de hoogte worden gehouden van de vorderingen op dat punt. Het gaat immers om goederen die met liefde en biddend door hen gedurende vele jaren bijeen gebracht zijn! De kerkrechtelijke vuistregel daarbij is dat gelden die door de gemeente geofferd zijn voor diaconale doeleinden een diaconale bestemming krijgen, en gelden, bijeengebracht voor kerkelijke doelen, een kerkelijke bestemming. Het spreekt daarbij vanzelf dat de kerkenraad in een eerder stadium de gemeente reeds gepeild heeft om te zien hoe men denkt over bestemming van de goederen, en dat de kerkenraad in zijn laatste besluitvorming terzake dit heeft meegewogen. Dan alleen kan een commissie of een stichtingsbestuur haar werk in dezen vruchtbaar doen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.