+ Meer informatie

Terugblik op een ambtsperiode

8 minuten leestijd

Zwarte jas en streepjesbroek blijven ’s zondags weer in de kast. Het wandelkostuum van de gewone ambtsdrager valt toch soepeler dan de kledij van de bijzondere. Ook de tijd vóór de morgendienst is iets ruimer bemeten. Dat zijn zonder meer belevenissen na een zittingsperiode die — verdeeld over drie woonplaatsen — zo’n kleine dertien jaar heeft geduurd.

Dertien jaar, dat wil zeggen de jaren 1956 tot 1969. In de wereld zeker geen onbewogen tijdperk. Oorlogen, guerrillas en oorlogsdreiging. Berichten over hongerende menigten in Afrika en Azie, met de westerse welvaartsjacht als contrast.

Flarden uit nieuwe theologische gedachtegangen hebben hun invloed doen gelden tot aan de bittertafels. Tegelijkertijd zijn zij doorgestroomd naar het denken over de verhouding christen-samenleving. De Rooms Katholieke kerk, zelf in heftige beroering ontmoette na eeuwen weer haar oostersorthodoxe zuster en knoopte relaties aan met het protestantisme. De moderne wetenschap onthulde het ene mysterie na het andere en droeg alzo het hare bij tot verdere secularisering van het mens-zijn. Er is een jongeren-emancipatie op gang gekomen, alle vormen van gezag zijn onderwerp van discussie……

Dit alles en nog meer heeft ons in die dertien jaren zeker bezig gehouden. Maar — men zou zich bijna schamen het te bekennen — ik vind niet dat dit gebeuren de gesprekken in de drie kerkeraden heeft gedomineerd. Ach ja, er is wel eens een afkeurend woord gevallen over afglijding, over modernisme, over een kreet die daags tevoren in de kranten had gestaan. Maar echt erbij betrokken in die zin, dat wij ons voor dit soort ontwikkelingen mee-verantwoordelijk achtten, hebben we ons als kerkeraden toch niet gevoeld. Bij mij is als totaalindruk achtergebleven, dat die drie kerkeraadskamers vertrekken zijn geweest, waar we ver van al die nare toestanden — te — rustig onze eigen zaakjes hebben geregeld.

Zo heb ik bijvoorbeeld tweemaal de uitvoerige besprekingen achter de rug, die bij ons de overgang naar een ander zangritme plegen te begeleiden. Het patroon is bekend: eerst delibreren over wèl of niet, dan enkele verzen per dienst, vervolgens het volledige psalmbord. Maar ook d'an blijven de na-brandertjes, die eraan herinneren, dat een deel van de gemeente toch zo graag het oude ritme terug zou hebben.

Zeker wel tien maal heb ik mogen meedenken over de voor- en nadelen van de Nieuwe vertaling. Driemaal is het palaver losgebarsten over de vraag of alle kerkeraadsleden krachtens roeping en verantwoordelijkheid verplicht zijn te tronen in hoger-geplaatste podiumbanken. Niet meer te tellen zijn de beraadslagingen over de wenselijkheid van de combinatie koster-ouderling of diaken-organist, over kleine veranderingen in de inrichting van wat men met een groot woord het liturgisch centrum kan noemen (nooit bloemen in de kerk!), over het zingen voor de dienst, over brieven, waarin leden zich beklaagden wegens ernstige vergrijpen tegen de traditie.

Het doet mij goed te kunnen vermelden, dat het bij dit soort zaken toch ook weer niet is gebleven. In alle d’rie de kerkeraden zijn we ook van tijd tot tijd, als bij verrassing, tot werkelijk goede gesprekken gekomen. Waarbij we even in eikaars leven en bedoelen mochten kijken en mochten ervaren, dat we ons ten diepste één gevoelden, waarin we de hoofdzaak van allerlei bijkomstigheden wisten te onderscheiden. Op zulke momenten beklaagden we onszelf en slaakten de verzuchting, dat er afzonderlijke vergaderingen zouden moeten komen, waaruit al die nare rompslomp zou worden geweerd en waar de aandacht uitsluitend op één voor ons werk als ambtsdragers belangrijk onderwerp zou worden geconcentreerd.

Helaas, het is te vaak bij één keer gebleven, omdat de zaken van alle dag zich toch weer in de agenda’s invraten.

Nu, achteraf bezien, geloof ik, dat we het steeds weer verkeerd hebben aangepakt. We hadden, op een van die gunstige ogenblikken, waarop we onze werkelijke verantwoordelijkheid in het oog kregen, een aantal rigoureuze besluiten moeten nemen:

1. Zoveel als maar enigszins mogelijk delegeren. Iedere kerkeraad heeft wel een moderamen of agendacommissie.

Dit vertrouwenscollege moet men machtigen:

a. zaken van technische en huishoudelijke aard af te handelen met de financiële commissie (commissie van beheer), zonder dat de kerkeraad als geheel daar verder aan te pas komt. Eventueel kan dit mandaat worden afgegrensd door een bedrag te noemen, waarboven het fiat van de kerraad is vereist.

b. ingekomen stukken, die slechts een formele behandeling vragen (omdat desbetreffende gang van zaken in de kerkenorde, dan wel in een eerder genomen kerkeraadsbeluit is vastgelegd) zonder tussenkomst van de kerkeraad af te doen.

c. ingekomen stukken, die een kerkeraadsbeslissing vragen samen te vatten en van een pre-advies te voorzien.

d. ingekomen stukken, die voor de kerkeraad informatieve waarde hebben (zoals bijvoorbeeld verschillende aapporten van deputaatschappen) samen te vatten en een plaats te geven op de agenda van een van de komende vergaderingen. (Dit maakt het de agendacommissie mogelijk een teveel aan opzichzelf belangrijke stof in tijd te spreiden)

2. Een aantal heilige koeien bij de horens vatten en tot vlees verwerken. Elke gemeente heeft wel een paar van die beesten. Een voorbeeld uit de bovengeschets-

te praktijk: het zingen in een ander ritme. Dit behoort nu toch eindelijk eens een onderwerp te worden, waarover niet meer wordt gepraat. Evenmin als we nog in pandjesjas en met de hoge zijden op naar ons werk gaan, zijn we verplicht te zingen op een manier, die in de vorige eeuw gebruikelijk is geweest. Daarin verandering brengen heeft met „licht” of „zwaar”, met toegeven aan de geest van de tijd niets te maken. Dus: zorgen dat het argumenteren pro of contra niet langer kerkeraadstijd gaat eisen. Methode: korte inleidingen door een voor- en een tegenstander — stemming — besluit. Vervolgens desnoods een gemeentevergadering waar dit besluit wordt gemotiveerd.

Zo kan iedere kerkeraad zijn eigen hete hangijzers op een rijtje plaatsen en onder ogen zien. (Tussen haakjes: Denkt u eraan, dat in vele plaatsen ook het onderwerp: „Onze kerk en de andere kerken” tot dat rijtje gaat behoren?

Officieus doen wij al van alles met allerlei kerken samen: maatschappelijk werk, gezinszorg, bejaardenwerk, activiteiten op onderwijsgebied', evangelisatiearbeid etcetera. Misschien wordt het ook voor u tijd deze situatie te bezien. Met de consequenties die daaraan verbonden zijn. Vergeet niet, dat leden van uw kerk al jaren in dit soort verbanden zijn opgenomen, dat zij daar medewerkers uit andere kerken toch als broeders en zusters hebben herkend).

3. Regels stellen voor de rapportage van het huisbezoek. Dikwijls komt het voor dat dit belangrijke deel van het kerkeraadswerk verschraalt tot alleen maar noemen van een rijtje namen en adressen. Er dient ruimte te komen voor een werkelijk verslag en de broeders moeten weten welke gegevens zo'n verslag behoort te bevatten. Via deze verslagen leert de kerkeraad de gemeenteleden en hun moeilijkheden kennen, leert de kerkeraad zijn verantwoordelijkheid beter verstaan.

4. Vaste data afzonderen voor bezinningsvergaderingen, waar een voor het kerkeraadswerk actueel onderwerp wordt ingeleid en besproken. Bij de keuze van deze onderwerpen dient de gehele kerkeraad te worden betrokken en ook de moeilijke wensen behoren, desnoods met hulp van elders, te worden afgehandeld.

Van deze reeks zijn de punten 3 en vooral 4 verreweg de belangrijkste. Het gaat erom door te dringen tot de kernvragen van de problematiek, die ons vandaag beroert. Schermutselingen over uiterlijkheden en schibbolets geven hete hoofden en koude harten. Daarbij komt steeds weer een vrijwel vaste scheidslijn naar voren tussen wat oppervlakkig gezien een „behoudende” en een „moderne” groep schijnt te zijn. Achter d'e drang tot behouden schuilt vaak een sterke trouw, een stuk piëteit en waarachtige zorg voor de kerk, die men liefheeft. Binnen die kerk heeft men het leven gevonden. Die kerk is voor deze groep te waardevol om haar aan welk experiment dan ook maar bloot te stellen. De zogenaamd modernen worden echter gedreven door precies dezelfde liefde. Hun is de kerk te veel waard om haar te laten verstarren in een periode waarin nog zoveel taken te verrichten zijn.

Toegegeven: deze beide benaderingen vertonen zich gemengd met dor traditionalisme, om de traditie alleen, en evenzeer met een modernisme, dat slechts wordt geboren uit zucht tot navolging wat anderen doen.

Daarop mogen de verhoudingen niet stuk lopen. Dat gevaar blijft bestaan bij een casuïstische benadering van allerlei zaken, die in wezen van tweede orde zijn. De eenheid zit bij het christelijk gereformeerde kerkvolk dieper. Deze diepte wordt alleen bereikt, wanneer men zich de tijd gunt voor een fundamenteel gesprek, dat de drijfveren van de diverse „partijen” aan het licht brengt. Pas daarin ontstaan situaties, waarbij men elkaar de vrijheid kan laten iets genuanceerder te denken en zelfs bereid blijkt allerlei bijkomstigheden — over en weer — op de koop toe te nemen.

Zie hier enkele overpeinzingen na een terugblik op dertien jaar ambtsdragerswerk. Wellicht kunnen de zittende broeders er iets mee doen. De primaire taak van de kerkeraad is immers te zorgen, dat de gemeente ook in de periode van nu tot 2000 werkelijk Kerk kan zijn, dat wil zeggen: een leesbare brief in een wereld, die antwoord zoekt op vele vragen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.