+ Meer informatie

De volharding

12 minuten leestijd

Het is onze roeping om te volharden

In de reeks woorden waarmee het werk aangeduid wordt dat God door zijn Heilige Geest doet in het leven van de mensen die Hij deel geeft aan het heil in Christus, mag de volharding niet ontbreken. Waarom komt er geen einde aan het geloof van de gelovige? Hoe is het te verklaren, dat de heiliging blijft bestaan en niet door ernstige zonden teniet wordt gedaan? Er zijn allerlei bijbelwoorden die ons bij deze vragen in gedachten kunnen komen.

In een aantal teksten gaat het over de volharding of standvastigheid, waartoe wij geroepen worden. Het nieuwtestamentische woord dat in de Statenvertaling dikwijls is weergegeven met lijdzaamheid, betekent eigenlijk: het ergens onder kunnen uithouden, standhouden in de strijd, lijden kunnen verdragen, kunnen volhouden.

De Here Jezus Christus zegt ons, dat het op volharding aankomt: Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden (Mat. 10: 22, 24 :13). Dit woord houdt verband met de verdrukking en de verleiding in de wereld en het verkillen van de liefde van de meesten. Ook op andere plaatsen is tegen de achtergrond van de vervolging en de verdrukking, waaraan de gelovigen blootstaan, sprake van hun volharding (vgl. 2 Tess. 1 : 4). Minstens drie nieuwtestamentische geschriften leggen sterk de nadruk op de noodzakelijkheid van de volharding: Hebreeën, Jakobus en Openbaring.

De Brief aan de Hebreeën is één oproep tot standvastigheid. Er staat: Want gij hebt volharding nodig om, de wil van God doende, te verkrijgen hetgeen beloofd is. Laten ook wij met volharding de wedloop lopen die voor ons ligt (Hebr. 10: 36, 12:1). Er wordt in dit „woord van vermaning” (Hebr. 13 : 22) in alle ernst gewaarschuwd tegen achterblijven, afval en verslapping door matheid van ziel (Hebr. 4 :1, 3 :12, 6 : 4–8, 10 : 26-31, 12:3).

Bij Jakobus is te letten op wat hij in het begin van zijn brief al schrijft over velerlei verzoekingen, over de beproefdheid van het geloof, die volharding uitwerkt, het volharden in verzoeking en het doorstaan van de proef (Jak. 1: 2, 4,12). Een voorbeeld van volharding is Job (Jak. 5:11).

We denken ook aan het laatste bijbelboek. We horen daarin niet minder dan zevenmaal van de volharding. Het is de volharding van de heiligen, die de geboden Gods en het geloof in Jezus bewaren. Zij zal blijken in het grote conflict met de macht van de boze en zijn rijk (Op. 13: 10, 14 : 12). Het is de volharding in Jezus, in de verbondenheid met Jezus (Op. 1 : 9).

Soms wordt met het woord meer het aanvaarden en verduren van het lijden bedoeld dan de standvastigheid in de strijd. Zie daarvoor 1 Petrus 2: 20: Maar als gij goed doet en dan lijden moet verduren, dàt is genade bij God (vgl. ook 2 Tim. 2 : 10).

Hoe moeten wij het uithouden in het lijden en hoe kunnen wij het volhouden in de strijd? Zullen wij wel volharden tot het einde?

De Schrift zegt ons wat het geheim van de volharding is. We worden niet naar onszelf en naar onze eigen geestelijke reserves verwezen, maar naar de bewarende kracht van God. In Openbaring 3:10 lezen wij: Omdat gij het bevel bewaard hebt om Mij te blijven verwachten (letterlijk: omdat gij het woord van het volhardend verwachten van Mij bewaard hebt), zal ook Ik u bewaren voor de ure van de verzoeking, die over de gehele wereld komen zal.

Achter onze volharding staat de bewaring door God

God is de God van de volharding en van de vertroosting (Rom. 15:5). Hij schenkt de volharding en de vertroosting die de zijnen nodig hebben. In de weg van de volharding en van de vertroosting der Schriften is de hoop vast te houden (Rom. 15:4). Zo wordt gij met alle kracht bekrachtigd naar de macht zijner heerlijkheid tot alle volharding en geduld (Kol. 1:11).

Christus heeft om de bewaring van de zijnen gebeden (Joh. 17 : 11,15). Hij heeft de bewaring uitdrukkelijk beloofd: En Ik geef hun eeuwig leven en zij zullen voorzeker niet verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze uit mijn hand roven. Niemand kan iets roven uit de hand mijns Vaders (Joh. 10 : 28, 29).

De apostel Paulus schrijft de bewaring van de gelovigen aan de trouw van de Here toe: Maar wel getrouw is de Here, die u sterken zal en u bewaren voor de boze (2 Tess. 3 : 3). Zij worden door de kracht van God door het geloof bewaard tot de zaligheid, zegt Pe trus (1 Petr. 1 : 5). Meer dan in onze vertalingen komt in het Grieks van het Nieuwe Testament uit, dat het om een voortdurende bewaring of bewaking gaat. Het geloof wordt erbij genoemd, maar niet als de grond voor de bewaring of de oorzaak ervan. Wij worden niet om ons geloof bewaard, al gaat de bewaring niet buiten ons geloof om. Wij zijn er gelovig bij betrokken, maar het is de kracht van God, die het doet. De apostel heeft het oog op het volle heil: de zaligheid die gereed ligt om geopenbaard te worden in de laatste tijd.

Wie zijn Bijbel kent, zou kunnen opmerken, dat er ook wel eens gesproken wordt over het bewaren van zichzelf. Een bekende tekst is Judas: 20. Maar gij, geliefden, bewaart uzelf in de liefde Gods, door uzelf op te bouwen in uw allerheiligst geloof en door te bidden in de Heilige Geest.

Maar wie verder leest in de Brief van Judas, komt bij vers 24, waar staat, dat God het is die voor struikelen kan behoeden. De opwekking om zichzelf te bewaren vormt dus geen tegenstelling met het fundamentele feit, dat het Gods werk is om ons te bewaren. Uit de vermaningen om te volharden en om zichzelf te bewaren in de liefde Gods is niet af te leiden, dat een eigen bijdrage van de mens vereist is, maar wel, dat wij altijd op onze verantwoordelijkheid worden aangesproken. Daarom zijn de waarschuwingen tegen het afvallig worden ook niet in mindering te brengen op de werkelijkheid van het bewaard worden van de gelovigen door de kracht van God.

Velen beroepen zich op bepaalde teksten om naast de mogelijkheid van de volharding de mogelijkheid open te houden, dat het tot afvallig worden van gelovigen komt.

Paulus zegt: Daarom, wie meent te staan, zie toe, dat hij niet valle ! (1 Kor. 10 :12). Hij gebruikt het woord „indien”: Indien gij slechts wel gegrond en standvastig blijft in het geloof en u niet laat afbrengen van de hoop van het evangelie (Kol. 1 : 23). Het geloof van Hymeneus en Alexander leed schipbreuk. In latere tijden zullen sommigen afvallen van het geloof (1 Tim. 1 : 19,20, 1 Tim. 4:1).

Er zijn bijbelwoorden die niet gemakkelijk te verstaan zijn (zoals Hebr. 6 : 4–6 en Hebr. 10 : 29). Maar het is de vraag, of het hier over ware gelovigen gaat. Niet alle „geloof” is echt geloof.

Men mag de vermaningen en waarschuwingen nooit op zichzelf beschouwen. Zo volgt op 1 Korintiërs 10:12 de verzekering, dat God zal zorgen, dat de zijnen tegen de verzoeking bestand zijn. Achter de eis ligt de belofte. Het samengaan van belofte en eis, dat we in heel de Schrift aantreffen, houdt niet in, dat er een samenwerking is tussen God, die zijn belofte geeft, en de mens, die de eis volbrengt.

Een Schriftwoord waaraan wij zeker niet voorbij mogen gaan is: Hiervan toch ben ik ten volle overtuigd, dat Hij, die in u een goed werk is begonnen, dit ten einde toe zal voortzetten, tot de dag van Christus Jezus (Fil. 1 : 6). Met de dag van Christus bedoelt Paulus de dag van zijn verschijning in heerlijkheid. God zal zijn werk tot de voleinding toe voortzetten. We denken ook aan dat andere apostolische woord: Hij zal u ook bevestigen ten einde toe, zodat gij onberispelijk zult zijn op de dag van onze Here Jezus Christus (1 Kor. 1 : 8).

Volgens het Nieuwe Testament is er ook een verzegeling door de Heilige Geest. De woorden van Paulus die hierop betrekking hebben (2Kor.1 : 22,Ef.1:13,14, Ef.4 :30), worden wel verschillend verklaard, maar zeggen in elk geval duidelijk, dat de Heilige Geest instaat voor het heil waarin de gelovigen zullen delen. Hij is aan hen geschonken om te bevestigen, dat zij de eeuwige erfenis zullen ontvangen (Greijdanus). Calvijn merkt op, dat de Geest ons innerlijk bevestigt wat God door middel van zijn Woord belooft en dat Hij ons door zijn Geest het getuigenis geeft van onze aanneming tot kinderen.

De Geest houdt de gemeenschap met God in stand. Johannes schrijft: En hieraan onderkennen wij, dat Hij in ons blijft: aan de Geest, die Hij ons gegeven heeft (1 Joh. 3 : 24). Daarbij komt, dat de overgang uit de dood in het leven definitief is (Joh. 5 : 24, 1 Joh. 3:14). Verkiezing, verlossing, geloof, eeuwig leven hebben en opgewekt worden op de jongste dag zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden (Joh. 6 : 39,40).

Zonder twijfel is hier ook te denken aan de voorbede van de Heiland voor Simon Petrus (Luc. 22 : 31,32). De satan eiste hem en de andere discipelen voor zich op (zo staat het er eigenlijk). Hij wilde hen ziften als de tarwe. Maar Jezus heeft voor hen en in het bijzonder voor Petrus gebeden. Daarom zal het geloof niet ophouden of bezwijken. De voortduur van het geloof is niet te danken aan de trouw of standvastigheid van Petrus, maar aan de liefde en trouw van Jezus.

Naast al deze nieuwtestamentische woorden is er een woord uit de Psalmen, dat ons veel te zeggen heeft. De HERE zal het voor mij voleindigen. O HERE, uw goedertierenheid is tot in eeuwigheid. Laat niet varen de werken uwer handen (Ps. 138 : 8).

Het geloof, dat de God van het verbond zijn werk voor de dichter zal voleindigen, maakt het gebed niet overbodig, dat Hij de werken van zijn handen niet zal laten varen. Hieruit blijkt, dat de zekerheid van het heil, die haar grond heeft in Gods eeuwige goedertierenheid, de gelovigen niet zorgeloos maakt. Zij leven in afhankelijkheid en in vertrouwen. Zij weten, dat er zonder bewaring geen volharding is.

Wat wij belijden

Het is bekend genoeg, dat wij een belijdenisgeschrift hebben dat een heel hoofdstuk aan de volharding der heiligen wijdt. Daar was aanleiding toe. De remonstranten, die tegen de bijbelse leer van de uitverkiezing opponeerden, bestreden ook de volharding, omdat zij meenden te moeten opkomen voor de vrijheid van de wil van de mens. Omgekeerd vormen de belijdenis van de verkiezing en de belijdenis van de volharding of krachtige bewaring in de Dordtse Leerregels een eenheid (zie daarvoor I, 7 en V, 9). De volharding zou een praktische zijde van de verkiezing genoemd kunnen worden.

Een leer van de volharding was voor Rome onaanvaardbaar. Maar Luther en zijn volgelingen bleven op dit punt ook achter bij de gereformeerden.

Toen de Heidelbergse Catechismus opgesteld werd, wist men dat. De formuleringen zijn dan ook weloverwogen. Zie hiervoor vooral Zondag 12: Christus is onze eeuwige Koning, die ons met zijn Woord en Geest regeert en ons bij de verworven verlossing beschut en behoudt; Zondag 20, waar van de Heilige Geest wordt beleden, dat Hij eeuwig blijft bij hen aan wie Hij gegeven is; en Zondag 21, waar de christen zeggen kan, dat hij een levend lidmaat is en eeuwig blijven zal van de gemeente, die tot het eeuwige leven uitverkoren is en die door Christus wordt vergaderd, beschermd en onderhouden. In de verklaring van de zesde bede van het Gebed des Heren komt uit, dat de gelovigen weet hebben van hun zwakheid en van de onophoudelijke aanvallen van hun drie doodsvijanden. Daarom bidden zij om staande gehouden en gesterkt te worden door de kracht van de Heilige Geest. Zij zullen dan niet de nederlaag lijden in de geestelijke strijd, maar uiteindelijk volledig overwinnen.

Wat de kerk op grond van het Woord van God over de volharding te zeggen heeft, is in de Dordtse Leerregels voortreffelijk samengevat. In hoofdstuk V staat de belijdenis van de volharding midden in de realiteit van het leven.

De gedachtengang is duidelijk. De bekeerden zouden niet volstandig blijven, als zij aan hun eigen krachten overgelaten werden. Zij kunnen door eigen schuld van de leiding van de genade afwijken en droevig vallen, zoals David en Petrus. De oefening van het geloof kan verbroken en de Heilige Geest kan bedroefd worden. Maar ook dan neemt God de Heilige Geest niet geheel van hen weg. Hij vernieuwt hen door zijn Woord en Geest tot bekering.

Zij vallen niet totaal en definitief af. Gods raad kan immers niet veranderd, zijn belofte niet verbroken en de roeping naar zijn voornemen niet herroepen worden. De verdienste, voorbede en bewaring van Christus kan niet krachteloos gemaakt worden. De verzegeling door de Heilige Geest kan niet verijdeld of vernietigd worden (V, 8). De volharding ligt dus vast in het werk van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

De ware gelovigen kunnen er zelf zeker van zijn en zij zijn dat ook naar de mate van het geloof. Ze gevoelen dit volle geloofsvertrouwen en deze zekerheid van de volharding niet altijd. Er kan twijfel of aanvechting zijn. Maar God wekt de zekerheid van de volharding weer op door de Heilige Geest.

Zo komt het niet tot hoogmoed en zorgeloosheid, zoals men wel gezegd heeft om deze leer verdacht te maken, maar tot nederigheid, godzaligheid, gebed, blijdschap in God en dankbaarheid. De gelovigen zijn en blijven aangewezen op de middelen der genade. Deze leer van de volharding heeft de kerk, de bruid van Christus, altijd als een onwaardeerbare schat liefgehad en verdedigd. God zal ervoor zorgen, dat zij het ook in de toekomst zal doen. Hem, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, zij eer en heerlijkheid in eeuwigheid.

Alles loopt uit op de verheerlijking van God. Dat kan ook niet anders.

Als wij in de kerk nadenken over de verschillende facetten van ons heil, mogen we niet bij de mens blijven staan, die geroepen en wedergeboren wordt, gelooft en zich bekeert, gerechtvaardigd en geheiligd wordt en dan ook volhardt. We zullen eindigen in de drieenige God, aan wie wij al ons heil te danken hebben.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.