+ Meer informatie

Ceasar, een legendarisch hert

11 minuten leestijd

In september 1964 werd het edelhert Caesar gedood door een veertien-ender. Caesar was een van de grootste herten die in ons land hebben rondgelopen. Reeds bij zijn leven was hij al legendarisch. Op het toppunt van zijn 'carrière' had hij een gewei met 23 enden, voor Nederland uniek. Rien Mouw tekent het leven van dit hert, deels gefingeerd, deels op waarheid berustend. De foto's tonen andere edelherten.

Ergens tussen de takkentroep werd hij geboren, op een dag in mei. Zijn moeder had zich afgezonderd van het roedel. Ze was bijna 34 weken zwanger en voelde de geboorte naderen. Tussen dicht kreupelhout vond ze een geschikte plaats, een echt boskamertje. Daar werd hij geboren. Niets bijzonders, en toch... een wonder. Hij was roodharig met witte vlekken en erg onbeholpen. Zijn moeder begon hem ijverig te wassen. Hij vlijde zich tegen haar warme lichaam en dronk gretig van de zoete moedermelk. Na een week kon hij haar al goed volgen. Hij verloor haar geen moment uit het oog. Al gauw zochten ze aansluiting bij de andere hinden en hun kalfjes, 's Morgens vroeg en tegen de avond, als het schemerde, trokken ze gezamenlijk naar de wildweide. De leidhinde met haar kalf ging steeds voorop. 's Morgens bleven ze vaak lang op de wildweide dralen. Soms huppelde het kalf uit louter plezier een eindje bij zijn moeder weg, maar altijd vond hij haar terug. Zijn fijne neusje vertelde hem precies wie zijn moeder was. Als er onraad was renden ze snel achter de leidhinde aan naar de veilige, dichte bosrand. Terwijl hij sliep, herkauwde zijn moeder urenlang het voedsel. Toen hij een week of zeven oud was begon hij ook aan de blaadjes van bomen en struiken te knabbelen. Hij kon de moedermelk echter nog lang niet missen. Toch kwam bij hem nu ook langzamerhand het herkauwen op gang. Hij sliep minder, at en dronk steeds meer en groeide als kool.

Bronst
Toen werd het herfst. De nachten werden kouder en de wildweide lag 's morgens verscholen onder een dichte deken van nevel, die pas tegen de middag oploste. Door de nevel klonken vreemde, dreigende geluiden. Het kalfje bespeurde onrust bij zijn moeder. Zo kalm als ze anders was, zo ongedurig was ze nu. Plotseling klonk het geluid heel dichtbij en als een groot, bruin spook dook een jong hert met een fraai twaalfendig gewei uit de nevel op. Hij rende opgewonden rond de hinden en hun kalfjes en stootte af en toe een hees gebrul uit. De wat oudere mannelijke kalveren, die al een klein onvertakt geweitje droegen en daarom spitsers worden genoemd, werden ruw uit de groep gestoten. De twaalf-ender dulde geen enkele geweidrager, groot of klein, in zijn buurt. Zo dwaalde hij twee dagen rond het roedel hinden. Toen, op een morgen, meldde zich een zware achttien-ender. Hij dreunde zijn diepe bronstroep over de wildweide en joeg de jonge twaalf-ender met geweld de struiken in. De sterke achttien-ender dreef zijn veroverd roedel naar het midden van de wildweide en wist door veel machtsvertoon alle rivalen op een afstand te houden.

Drie weken
Overdag trok hij zich met zijn harem terug in de bosrand om wat te rusten, maar tegen de avond liet hij zijn zware bronstroep weer door het bos galmen. Heel de nacht was hij in de weer met burlen en geregeld moest hij concurrenten met geweld uit zijn territorium verdrijven. Als loon op zijn overwinningen mocht hij keer op keer zijn goede kwaliteiten vererven. Toen er ten slotte geen enkele hinde meer bronstig was, verliet hij het roedel, doodmoe en dertig kilo lichter.

Geweitje
In het voorjaar gebeurde er iets merkwaardigs. Het kalf kreeg zijn eerste geweitje. Tussen zijn oren werden twee, met zachte huid omldede knobbehjes zichtbaar. Het kalf merkte er zelf weinig of niets van. Een maand later, ongeveer eind mei, gebeurde er weer iets vreemds. Zijn moeder verliet plotseling het roedel. Hij wilde haar volgen, maar tot zijn verbazing vond zij dat niet goed. Bijna twee weken liep hij zonder moeder te dwalen tussen de andere hinden en hun kalveren. Toen ze eindelijk terug kwam, was ze niet alleen. Een klein gevlekt kalfje dartelde achter haar aan de wildweide op. Hij wilde zich weer bij zijn moeder aansluiten, maar moest toch eerst een zekere afstand overwinnen. Ze trokken steeds minder met elkaar op. Zijn moeder was vol aandacht voor het pasgeboren kalfje en zo kreeg hij na verloop van tijd zijn eigen plaats binnen het roedel hinden.

Spitser
Zijn geweitje groeide hard. De twee met huid omhulde spiesen reikten al tot zijn oorpunten, zodat de mensen hem niet langer hertekalf maar spitser noemden. Spitser had veel last van teken en ander ongedierte. Een modderbad bleek daar een uitstekend middel tegen. In augustus, toen zijn geweitje bijna dertig centimeter hoog was, stierf de zachte basthuid rond de twee spiesen geleidelijk af De toevoer van bouwstoffen door de bloedbanen stopte, de basthuid droogde in en het massieve geweibeen werd ten slotte bikkelhard.

Vlucht
Spitser kreeg last van jeuk. Met kracht schuurde hij zijn geweitje langs een boom, zodat de afgestorven basthuid in slierten langs zijn kop hing. Er kwamen twee prachtige ivoorkleurige stangen te voorschijn. Zijn eerste gewei was klaar! Op een avond in september hoorde Spitser weer het zware, dreigende geluid door het bos rollen. In de vroege ochtend kwam plotseling een krachtige veertien-ender het veld op. De hinden strekten hun slanke halzen en liepen wat onrustig heen en weer. Spitser voelde zich niet erg op zijn gemak. Er ging een zekere dreiging uit van het zware hert dat daar vanuit de donkere bosrand op het roedel afkwam. Het hert besnuffelde een paar hinden en stormde toen onverwachts op hem af Spitser voelde een stekende pijn in zijn flank en vluchtte hals over kop de bosrand in. Hij was totaal de kluts kwijt.

Rust
's Nachts was het bos vol onrust. Overal hoorde hij de zware bassen van de herten die streden om het bezit van de hinden. Af en toe hoorde hij het kletterende geluid van op elkaar slaande geweien. Dan stond hij stil en bewoog zich niet. Spitser bleef op veilige afstand van het roedel. Eindelijk, toen de herfst de beuken begon te kleuren, werd het weer rustig in het bos. Moe en vermagerd trokken de herten zich terug in de dekkingen, zoekend naar rust en voedsel. Spitser keerde weer terug naar de hinden. Het werd vroeg winter. Zijn dikke wintervacht gaf Spitser echter voldoende bescherming tegen de felle kou en er was voedsel in overvloed. De jachtopziener sloeg de wildweide geen dag over.

Zesender
In het voorjaar gebeurde er iets bijzonders. Spitser verloor zijn gewei. Eerst de ene stang en een paar uur later de andere. Hij had er nauwelijks hinder van. Een paar weken later werden de eerste, met levende huid omklede knobbeltjes van het nieuwe gewei al weer zichtbaar. Spitser ging er voorzichtig mee om en het groeide uit tot een prachtig, onbeschadigd zes-endig gewei. De zomer ging voorbij. De hertenbronst begon. Het werd een moeilijke tijd voor Spitser, nu Zes-ender. Nergens vond hij rust. De herten beschouwden hem als een concurrent en joegen hem met geweld van de bronstplaatsen. Hij was nog te jong om tegenstand te kunnen bieden. Toch beleefde de zesender de bronsttijd nu anders dan het vorige jaar. Hij voelde een zekere gejaagdheid in zijn bloed, waar hij niet goed raad mee wist. Het dreef hem voort, soms tot op de bronstplaatsen waar hij dan ruw werd weggestoten door de oudere herten. Na de bronst sloot hij zich niet meer aan bij de hinden. Hij ging er in zijn eentje op uit. Hij was nu immers bijna volwassen en het hindenroedel trok hem totaal niet meer. Hij bleef niet lang alleen. Voor de winter inviel werd hij opgenomen in het hertenroedel. Hij hoorde nu thuis bij de geweidragers, de koningen van het bos! Tot aan zijn negende levensjaar bleef hij bij het hertenroedel. Ieder jaar, in februari, maart, verloor hij zijn gewei. Het rolde zomaar van zijn schedel, net als een rijpe appel van de boom. Na ongeveer vier en een halve maand had hij weer een nieuwe koptooi, zwaarder en met meer enden dan de vorige. In april trok hij zijn dikke grijsbruine winterjas uit en deed hij zijn dunne roodbruine zomerpak aan. In oktober verwisselde hij zijn pak weer.

R in de maand
Verder gebeurde er weinig bij-[> zonders in de jaren dat hij met de andere herten optrok. Overdag lieten ze zich weinig zien. Pas tegen de avond, als het begon te schemeren, gingen ze gezamenlijk op zoek naar voedsel. Een echte leider hadden ze niet. Ze stuurden meestal een jong, onervaren hert vooruit als ze de dekking verheten. De ieder jaar in september terugkerende bronsttijd was wel het hoogtepunt in het zeer ingetogen leven van de herten. Ze veranderden dan totaal. Bijna heel het jaar leefden ze als vrienden bij elkaar in een roedel, maar zodra de "r" in de maand kwam was het gebeurd met de vrede. Na de bronst zochten ze elkaar weer op en was alles weer koek en ei. Toen het hert ongeveer negen jaar oud was verliet hij het roedel en ging hij zijn eigen weg.

Recordgewei
Op een dag in juh werd hij door de jachtopziener ontdekt. De man telde de enden en liet toen zijn verrekijker vol verwondering zakken. De ene stang droeg tien en de andere zelfs elf enden! Vanaf dat moment werd de zwaargewicht nauwlettend in de gaten gehouden. Tenminste, voor zover dat mogelijk was, want het hert gedroeg zich zeer soHtair. Hij sprong zelfs over rasters van twee meter hoog, zodat men vaak niet eens wist waar hij zich ongeveer ophield. In februari werd ijverig naar zijn beide afworpstangen gezocht. Ze werden gevonden in de buurt van een voederplaats. Ze wogen samen 6,5 kg, een fantastisch gewicht! Het volgende gewei viel wat tegen, maar het jaar daarop waren de omstandigheden bijzonder gunstig. Het bos lag vol eikels en beukenootjes, de winter was zacht en het voorjaar vroeg en zonnig. De jachtopzieners waren erg benieuwd naar het nieuwe gewei. Ze kregen de zwaargewicht echter niet in de kijker. Bijna heel het voorjaar en de zomer hield hij zich overdag schuil in de dichte dekkingen. Pas in september, toen de bronstkoorts hem uit zijn schuilplaats dreef, kreeg men de gelegenheid zijn gewei goed te beoordelen. Het resultaat was verbluffend! De ene stang had elfen de andere zelfs twaalf enden; een gewei van grote klasse! Midden februari vond men bij de voederplaats de eerste afworpstang. Drie dagen later, na een grote zoekactie, vond men twee kilometer verderop de andere stang. De enthousiaste jachtopzieners sloegen aan het meten en wegen. De uitkomst overtrof de hooggespannen verwachtingen ruimschoots! Het kapitale gewei kreeg 222 internationale punten. Een record! De grens van 200 punten was in Nederland nog nooit overschreden. Het bijzondere hert kreeg een bijzondere naam. Een naam die zijn bijzondere klasse duidelijk kenbaar maakte: Caesar.

Aftakelen
Uiteraard werd met grote belangstelling uitgezien naar de volgende koptooi van Caesar. Het werd weer een zwaar gewei, de lengte van de enden was echter wat afgenomen, waardoor het nu 220 punten scoorde. Het jaar daarop kreeg Caesars gewei 214 punten. Hij was toen ongeveer 14 jaar oud; een hele leeftijd voor een edelhert. Zijn volgende gewei was nog maar een schaduw van de tooi die voorgaande jaren zijn kop sierde. Caesar begon af te takelen. Zijn conditie werd steeds slechter. Terecht werd besloten hem in de komende bronsttijd af te schieten. Het werd september. Voor de laatste keer verliet Caesar de dichte dekking om op weg te gaan naar de bronstplaatsen. Zijn nekspieren waren tweemaal zo dik geworden en de beharing rond zijn hals was sterk toegenomen. De linkerstang van zijn eertijds zo zware gewei had zich slecht ontwikkeld; verschillende enden waren sterk in lengte afgenomen of ontbraken geheel. Toch maakte hij nog steeds een krachtige indruk. De oude heerser wilde nog niet van opgeven weten. Dagenlang zwierf hij opgewonden rond een roedel hinden dat aan een krachtige vijftien-ender toebehoorde. Op een koude nacht ging hij al burlend op het jongere hert af Even liepen zij wild schreeuwend naast elkaar op, toen sloegen de geweien krakend in elkaar. Al wrikkend en duwend probeerden zij elkaar omver te werpen. Caesar voelde zijn krachten afnemen. De jongere vijftien-ender was sterker, had meer conditie. Hij drong Caesar steeds verder terug. De oude heerser moest het gevecht opgeven. Dodelijk vermoeid maakte hij zich los uit de greep van de vijftien-ender en probeerde te vluchten. Maar juist op het moment dat hij zich omdraaide stak de ander toe. De scherpe punten van het gewei drongen diep in Caesars flank. De vijftien-ender stak weer toe en weer, net zo lang tot de oude heerser stervend op de bronstplaats neerzeeg. De volgende morgen werd het dode lichaam van Caesar gevonden. Menselijk ingrijpen was niet meer nodig. De grote veldheer was reeds gesneuveld. Hoewel over zijn eerste negen levensjaren en zijn laatste bronstgevecht weinig bekend is, heb ik geprobeerd de levensgeschiedenis van het legendarische edelhert Caesar zo natuurgetrouw mogelijk weer te geven. Caesar leefde van + 1949 tot 23 september 1964, de dag waarop hij dood werd aangetroffen op de Asselseheide bij Apeldoorn. Tot op heden is door geen enkel edelhert op de Veluwe de kwaliteit van Caesar met 222 punten overtroffen (volgens de toen toegepaste telmethode).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.